[Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Laatste update: 09-08-2012][Hoofdstuk: Vormen en technieken][Gebruiksvoorwaarden]

Vocale vormen, genres, stijlen en technieken
Deel 3: Bretagne

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Inleiding
    1. 1.1 De oorsprong van de Bretonse zangtraditie
    2. 1.2 Feuilles volantes
    3. 1.3 Herleving van de traditionele muziektraditie van Bretagne
  2. 2. De publicaties van liederen in de 19e en 20e eeuw
    1. 2.1 Th. H. de la Villemarqué en F.M. Luzel
    2. 2.2 J.G. Henry
    3. 2.3 L.A. Bourgault-Ducoudray en N. Quellien
    4. 2.4 M. Duhamel
    5. 2.5 Overige 20e-eeuwse publicaties
  3. 3. Het repertoire van Basse-Bretagne
    1. 3.1 Gwerzioù
    2. 3.2 Kantikoù
    3. 3.3 Sonioù
    4. 3.3 Sonioù martolod (chants de marins)
    5. 3.3 Kann da gorol (chants à danser)
  4. 4. Het liedrepertoire van Haute-Bretagne
  5. 5. Annotaties en bronnen
    1. 5.1 Voetnoten
    2. 5.2 Geraadpleegde bronnen
    3. 5.3 Aanvullende informatie
  6. 6. Appendices
    1. Appendix A: secundaire bronnenmateriaal van Middelbretonse poëzie
    2. Appendix B: 17e en 18e-eeuwse kantikoù
    3. Appendix C: lijst van verzamelingen van liederen uit Haute-Bretagne

1. Inleiding

1.1 De oorsprong van de Bretonse zangtraditie

Hetgeen eveneens geldt voor de talen van de insulaire Keltisch sprekende gebieden Wales, Cornwall, Man, Ierland en Schotland, is de Bretonse zangtraditie één van de belangrijkste aspecten van de Bretonse taal en cultuur, en daarmee ook de Bretons identiteit. Ze worden op traditionele wijze gezongen, maar ook in diverse hedendaagse uitvoeringen van o.a. Yann-Fanch Kemener, Marcel Guilloux, Alan Stivell en niet te vergeten een verdienstelijk kinderkoor(!) Maîtrise de Bretagne.
Alhoewel tegenwoordig veel bekende Bretonse balladen of gwerzioù (meervoud van gwerz) doorspekt zijn met een archaïsche en mythologische inhoud, zijn ze desondanks nog maar recentelijk op schrift gesteld. Voor die tijd zijn ze louter via mond-tot-mond doorgifte overgeleverd. De oudst bewaarde Bretonse liedteksten dateren wel uit de middeleeuwen, alhoewel de eventuele bijbehorende muzikale notatie niet de tand des tijds heeft kunnen doorstaan, of waarschijnlijker, nooit is genoteerd. Het ontbreken van genoteerde bronnen van volksliederen uit het verleden hoeft niet altijd verband te houden met een voorgeschreven traditie, zoals dat bijvoorbeeld in de bardische traditie werd opgelegd. De oorzaak kan ook het gevolg zijn geweest van de ongeletterdheid van de volksmusici zelf. De meest complexe poëzie, die mogelijk ooit van muziek is voorzien, treft men in de toneelstukken of drama's aan, doch ook in de religieuze verzen bestaat een grote mate van kunstzinnigheid.

Bijna alle Middelbretonse poëtische teksten die ons bekend zijn, zijn bewaard gebleven vanuit kopieën buiten Bretagne. De vernietiging van alle Bretonse geschreven werken, die niet enige overeenkomsten met het geloof hadden, was het gevolg van het beleid van de 17e eeuwse missionarissen. De huidige kennis is daarom op het resterende incomplete, verstoorde materiaal gebaseerd. In ieder geval kan men het Middel-Bretonse materiaal met betrekking tot de poëzie-zang-repertoire, in drie categorieën te onderscheiden (Le Duc, 2006):

Zie appendix A voor een overzicht van secundaire bronnen van Middelbretonse poëzie:

1.2 Feuilles volantes

Ar c'haner: Le chanteur de complaintes, ca. 1800.
Gravure van Olivier Perrin (1761-1832).
Het grootste deel van het huidige bekende repertoire van de Bretonse volksliederen is pas in de 19e eeuw voor het eerst gepubliceerd. Het is voor een groot deel onbekend hoe oud ze zijn en door wie ze zijn geschreven, maar zijn door de mensen verzameld en vervolgens mond-tot-mond (oor) door de diverse volkszangers doorgegeven. De muziek en de teksten zijn meesal niet door dezelfde persoon gecomponeerd. Veel teksten zijn op oude bekende melodieën gezet. Als een zanger bijvoorbeeld een ballade (gwerz) over een bepaalde gebeurtenis of onderwerp schreef, maakte hij gebruik van een melodie die van te voren bekend was. Veel balladen en liederen zijn door geestelijken geschreven, dit waren jongeren van het platteland die bij de pastoor een beetje latijn leerden, alvorens een opleiding tot priester te krijgen. Doch vroeg of laat keerden ze toch terug naar hun dorp. Tijdens hun verblijf op het seminarie legden zij verzamelingen aan, die zij later toepasten voor het zelf schrijven van gwerzen en liederen.
De liederen zijn uiteindelijk mondeling doorgegeven en werden voor tal van gelegenheden gebruikt, zoals feesten, bedevaarten (pardons), huwelijk en ook voor de winteravonden bij de schoorsteen, bij het oogsten van het hooi en graan.
Veel balladen en hymnen zijn niet alleen oud, maar ze zijn bovendien vanwege het grote aantal strofen, ook nog eens erg lang. Niet voor niets werd van de zangers verlangd dat zij in het bezit waren van een goed geheugen. Als de tekst van liederen werd veranderd, was dit duidelijk met een reden. Niet louter om de lengte, maar bijvoorbeeld ook als jongere generaties niet door het repertoir werden aangesproken. Dit had mede tot gevolg, dat hetzelfde lied uiteindelijk in verschillende versies werd gezongen. Dit gold met name ook voor religieuze liederen die op de melodieën van bestaande gwerzen of liederen werden gezet of gwerzen die werden aangewend voor kantikoù.

Veel bekende zangers waren reizende kleermakers, voddenrapers (pilhaouerien), anderen waren arme zwervers en bedelaars die van stadspoort naar stadspoort trokken en hun liederen zongen. Ze verkochten eveneens gedrukte balladen en liederen op losse bladen (feuilles volantes). Deze 'balladen op losse bladen', zijn op z'n vroegst vanaf de 16e eeuw in Europa bekend (bijvoorbeeld de insulaire 'broadsheet ballads'), terwijl de traditie tot en met de eerste helft van de 20e eeuw nog in Bretagne in zwang was (Malrieu, 1983).
De Bretonse repetitor en kaakchirurg, Joseph Ollivier (1879-1946), publiceerde in 1942 een monumentaal werk met een overzicht van volksliederen die op feuilles volantes waren uitgegeven: Catalogue Bibliographique de la Chanson Bretonne sur feuilles volantes (Léon - Tréguier - Cornouaille) (Librairie Le Goaziou, Quimper; 1942) (Falc'hun, 1957). Een deel van Ollivier's catalogus, verscheen reeds eerder, vanaf 1938 in de periodiek Annales Bretagne (Ollivier, 1938 en verder). (Zie eveneens het artikel: Vocale vormen, etc.: Ierland en Schotland: Broadsheet ballads)

1.3 Herleving van de traditionele muziektraditie van Bretagne

In samenhang met de 'Celtic Revival' van de 19e eeuw op de Britse eilanden, onstond eveneens een gelijksoortige Bretonse 'revival', die zorgde voor een hernieuwde belangstelling voor de Bretonse cultuur, waaronder de taal, literatuur, poëzie, muziek en dans. In 1839 verscheen de eerste bundel van een verzameling Bretonse liederen, Le Barzaz-Breiz van Th. H. la Villemarqué, waarna meerdere uitgaven van andere auteurs spoedig zouden volgen. In 1843 werd in Vannes de Association Bretonne gericht, die in 1859 echter onder druk van de Franse regering weer werd ontbonden. In 1873 werd de instelling weer actief en ondanks de tegenwerking van de Franse regering bleef de Bretonse cultuur bloeien, gedeeltelijk onder invloed van de 'Gaelic Revival' in Ierland.

Tussen de beide wereldoorlogen kwamen de tradities (waaronder de muziek en dans) en taal van Bretagne weer onder zware druk te staan. De heersende malaise was er de oorzaak van dat er een ware exodus vanuit het platte land naar de grote Franse steden plaatsvond. De Franse taal werd meer en meer gepromoot en de Parijzer cultuur werd als het ware als standaard beschouwd. Pas tijdens de jaren 1950-'60 ontstond weer langzamerhand een ware herleving van de Bretonse cultuur, die tijdens de jaren 1960-'70 werd versterkt onder invloed van de 'folk revival' van de Britse eilanden en de Verenigde Staten. Hetgeen uiteindelijk geresulteerde in de herleving van de plattelandstraditie op het gebied van muziek, lied, zangstijl en dans, alsmede het moderne gebruik van oude instrumenten, zoals de doedelzak (binioù, veuze), bombarde, accordeon, fiddle (violon) en draailier (vielle à roue).

Naar boven

2. De publicaties van liederen in de 19e en 20e eeuw

2.1 Th. H. de la Villemarqué en F.M. Luzel

Théodore Hersart de la Villemarqué (1815-1895)
Schilderij van Evariste Vital Luminais, 1884.

De reeds hiervoor genoemde Théodore Hersart de la Villemarqué (Bretons: Kenmarker, Kenvarker), een Bretonse edelman heeft met betrekking tot de Bretonse 'revival' een uiterst belangrijke rol gespeeld. Van zijn moeder (Marie-Ursele Feydeau de Vaugien, 1776-1847) was het bekend dat zij Bretons sprak. Tijdens zijn kinderjaren groeide hij op met de kinderen van de bedienden en boeren die in dienst stonden van zijn ouders in Quimperlé, van wie hij Bretonse liedjes leerde. Op late leeftijd studeerde hij in Parijs en verbleef daar veel jaren, doch keerde uiteindelijk terug, waarna hij zich verder verdiepte in de Bretonse taal. Alhoewel de Bretonse literatuur in zijn tijd niet veel voor handen was, was er daarentegen een rijke schat aan Bretonse traditionele liederen, die vele generaties lang, van mond-tot-mond waren doorgegeven. Zijn belangrijkste werk was Barzaz-Breiz (Barzhaz-Breizh, 'Liederen van Bretagne'), waarvan de eerste editie in 1839 verscheen. Vernieuwde edities met extra toevoegingen, werden in 1846 en 1867 gepubliceerd (noot 1). De 1867-editie werd nog vele malen heruitgegeven.

Gedurende de periode 1870-1974 heeft de authenticiteit van de Barzaz-Breiz ter discussie gestaan. De kritiek begon bij de publicaties van de collecties van François Marie Luzel: Soniou Breiz-Izel (1890) en Gwerzioù Breiz-Izel: Chants populaires de la Basse-Bretagne (1868-1874)(Luzel, 1868/1890), alsmede door de linguist Joseph Loth. Men beschuldigde Kenmarker ervan dat hij de teksten zelf had uitgedacht en dat zijn claim, dat veel van de poëzie van archaïsch origine was, in werkelijkheid helemaal niet zo oud bleek te zijn, zoals hij liet geloven. Villamarqué heeft echter nooit op deze aantijgingen gereageerd, en zette zijn werkzaamheden met betrekking tot de Bretonse literatuur gewoon voort. In 1959 publiceerde de Bretonse schrijver en linguist Francis Gourvil (1889-1984) 'Théodore-Claude-Henri Hersart de la Villemarqué', een kritiek op de authenticiteit van de inhoud van de Barzaz-Breiz.
Meer duidelijk werd verkregen na de ontdekking in 1964 van Villemarqué's veldwerkaantekeningen gedurende de periode tussen 1835-1892, waardoor de kritieken werden genuanceerd en Villemarqué werd gerehabiliteerd. Het onderzoeksresultaat van de muscicoloog en linguist Donatien Laurent aan deze aantekeningen, werd in een proefschrift in 1974 gepresenteerd en pas 15 jaar later publiceerd in 'Aux sources du 'Barzaz Breiz' (1989). Hierin werd aangetoond, dat Villemarqué het Bretons goed beheerste en dat veel van de verzamelde liederen wel degelijk representief waren voor de kenmerkende oraal-auditieve traditie in het Bretons. De misinterpretatie van Villemarqué's werk werd veroorzaakt door het bewerken van het verzamelde materiaal met als doel ze daarmee als het ware 'op te knappen': Een voor de wetenschap storende handelswijze, die tijdens de periode van de romantiek, gewoon was. Zo zijn er 'gebretoniseerde' werken, waarbij Franse woorden door het Bretons werden vervangen. Overigens is het duidelijk dat enkele van de werken, inderdaad van zijn eigen hand waren, met name het toegevoegde materiaal in de latere edities. (Corbes, 1937)(Morgan, 2006)(Yann-Fañnch Kemener in zijn voorwoord in: Villemarqué, 2003)

Ondanks alle kritieken uit het verleden, wordt de Barzaz-Breiz nog steeds als een belangrijk muziekhistorische werk met betrekking tot het Bretonse lied beschouwd. Villemarqué introduceerde als eerste een onderverdeling, die heden ten dage nog steeds wordt aangewend. In zijn voorwoord van de eerste editie (1839) meldt hij (Villemarqué, 2003)(Villemarqué, 1839):

"Comme eux je les ai divisés en trois catégories principales, à savoir: 1°, en chants historiques (Gwerzéennou); 2°, en chants d'amour (Sounennou); 3°, en chants religieux (Kanaouennou)."

In de latere uitgaven nuanceerde hij deze indeling echter verder:

Gwerz: Penn-herez a Keroulaz ('L'héritière de Keroulas'):
1839; deel 2; p. 51, nr. XXIII
1846; deel 2; p. 105, nr. X
1867; p. 293, nr. XXIII.
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

Gwerz: Maro Pontkalek ('La Mort de Pontcalec'):
1846; deel 2; p. 151, nr. XIV
1867; p. 326, nr. XXV.
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

Sonnen: Kroaz Ann Hent ('La Croix du Chemin'):
1839; deel 2; p. 286, nr. XIV
1846; deel 2; p. 385, nr. XV
1867; p. 468, nr. XXXIX
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

Kannen: Ar Baradoz ('Le Paradis'):
1839; deel 2; p. 355, nr. V
1846; deel 2; p. 461, nr. VII
1867; p. 514, nr. XLIV
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

2.2 J.G. Henry

Van de hand van de abt J.G. Henry (1803-1880), verscheen drie jaar na de eerste uitgave van Villemarqué's Barzaz-Breiz een verzameling hymnen onder de titel Kanaouennou santel delennet ha reizet evit Escopti Kemper. Gand an toniou war gan-plen mentet (1842; L. Prud'homme, imprimeur et libraire, Saint-Brieuc) (Chansons Saintes choisies et corrigées pour l'évêche de Quimper, avec les airs en plain-chant mesuré)(Gewijde liederen, gekozen en verbeterd voor het bisdom van Quimper, met airs in het metrum van cantus planus)(noot 2)
Abt Henry was een persoonlijke vriend van Villemarqué, die in het bovengenoemde werk het voorwoord schreef. Abt Henry, op zijn beurt, hielp Villemarqué mee bij de taal-correcties voor de Barzaz-Breiz. Het boek bevat eveneens een Bretonse woordenlijst met de betekenis in het Frans. Zeer opmerkelijk is de muziek en bijbehorende Bretonse tekst aan het einde van het boek. De notatie is feitelijk in mensuraal kwadraatschrift, op een notenbalk met vier lijnen, voorzien van een moderne maatnotatie! (noot 2). Eveneens zijn de Bretonse muziektermen interessant: c'hreunen (noot), bé-blôd (molteken), diéz (kruisteken) en bé kornek (herstellingsteken) (Henry, 1842). Naast de geestelijke liederen bevat het werk oude airs (gwerziou), zowel in het Bretons als in het Frans of Latijn (bijvoorbeeld resp.: Eled an env, deut d'an douar, Combien j'ai douce souvenance, O filii en Dies irae.
Men vindt in de 'Kanaouennou santel' veel airs, alhoewel in iets gewijzigde vorm, terug die men ook in de Barzaz-Breiz van 1839 terugvindt. Anderzijds zijn er diverse airs, die niet in de uitgaven van Barzaz-Breiz zijn gepubliceerd, doch wel in Henry's werk zijn opgenomen.
De airs in de 'Kanaouennou santel' zijn vaak vergelijkbaar met de liederen, die in de Bretonse bisdommen, die tijdens de diverse heiligen-feesten worden uitgevoerd. (Corbes, 1937)

Twee pagina´s uit J.G. Henry's 'Kanaouennou santel' met bladmuziek. Opvallend is de mensurale kwadraatschrift-notatie met moderne maataanduidingen.

2.3 L.A. Bourgault-Ducoudray en N. Quellien

In tegenstelling tot Villemarqué en Henry, was Louis Albert Bourgault-Ducoudray (1840-1910) een geschoold musicus en gevierd componist van opera's en symfonieën. Hij was van 1878 tot 19808 tevens hoogleraar muziekgeschiedenis aan het conservatorium van Nantes. Hij verbleef in opdracht van de Franse regering, gedurende enige tijd in Griekenland en Turkije om de oosterse muziek te bestuderen. Dit leidde tot een publicatie van een verzameling van dertig Griekse melodieën in zijn Trente Mélodies populaires de Grèce et Orient (1876).
In augustus 1881 verliet hij Parijs om naar Bretagne te vertrekken, alwaar veel plaatsen bezocht en ontmoette Villemarqué in Keransker (bij Quimperlé), die voor hem (de reeds hierboven genoemde) de hymne Ar Baradoz zong.
Zijn aanwezigheid heeft Bourgault-Ducoudray geïnspireerd om zich in de Bretonse volksmuziek te verdiepen. Dit resulteerde in de publicatie van bewerkingen van een volkliederen in zijn 'Trente Mélodies Populaires de Basse Bretagne', met omzettingen naar het Frans door François Coppée (Bourgault-Ducoudray, 1885). Interessant is, dat Bourgault-Ducoudray een musicologische analyse geeft, waarin hij de modaliteit van de Bretonse muziek onderkent, een onderwerp dat later door Maurice Duhamel (1911) verder is uitgewerkt (Zie: Toonsystematiek: Keltische en naburige stijlen: Folk-modaliteit).
Een jaar voor zijn dood publiceerde Bourgault-Ducoudray een verzameling liederen uit Wales, Schotland en Ierland onder de titel 'Quatorze Mélodies Celtiques'. In 1931 verscheen een vereenvoudigde heruitgave (melodieën zonder begeleiding) van 'Trente Mélodies' (Bourgault-Ducoudray, 1931) .

Le Paradis (Ar Baradoz) een bewerking van Bourgault-Ducoudray in het Frans naar de gelijknamige hymne, die door de la Villemarqué in zijn Barzaz-Breiz was gepubliceerd.
Bron: Trente Mélodies Populaires de Basse-Bretagne (1885). Bourgault-Ducoudray geeft aan het einde aan dat dit lied in de 'hypodorische modus' staat genoteerd: 'Gamme de la mineur sans sol dièse', met andere woorden de toonladder van 'A' mineur zonder 'g#'. Tegenwoordig hanteert men liever de term authentiek-mineur-toonladder of eolische toonladder.
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Vier jaar na 'Trente Mélodies Populaire' verscheen de liederenbundel 'Chansons et Danses des Bretons' (1889) van de Bourgault-Ducoudray's tijdgenoot Narcisse Quellien (1848-1902). Het werk bestaat uit vier onderdelen:

2.4 M. Duhamel

Maurice Duhamel (1884-1940) luidt de pseudoniem voor Maurice Bourgeaux. In 1911 publiceerde hij in navolging van de studies van Bourgault-Ducoudray, een eigen onderzoek over de Bretonse modaliteit met de titel: Les 15 Modes de la Musique Bretonne (1911). Voor wat betreft zijn bijdragen aan het Bretonse lied, heeft hij belangrijke publicaties gedaan, waaronder 'Gwerziou ha soniou Breiz-Izel' (1913; Lerolle Editeurs, Paris, Rouart). Dit werk bevat de muzieknotaties van 432 airs, waarvan een groot deel afkomstig is uit François Luzel's Gwerziou Breiz-Izel en Soniou Breiz-Izel (Luzel, 1868/1890).
Luzel's verzameling bevatte veel liedteksten, doch de bijbehorende muziek ontbrak, waarbij Luzel deed geloven dat de muziek verloren is gegaan. Toch zijn ze in het begin van de 20e eeuw door Duhamel en zijn medewerkers teruggevonden. Veel airs zijn op het gehoor op muziek gezet of door middel van de fonograaf op rollen opgenomen, het laatste met name door François Valée en Francis Éven. Vallée meldde in zijn publicatie 'Les Airs des Gwerziou de Luzel', in 'Annales de Bretagne' (1900) dat hij de liederen heeft opgenomen van de zang van onder andere de 60-jarige zangeres Marc'harit Fulup (Marguerite Philippe) uit Pluzunet (Vallée, 1900). Eveneens zijn er liederen fonografisch geregistreerd door M. Bourdon aan de universiteit van Rennes. Deze universiteit is in het bezit van veel wasrollen, waaronder die van Vallée.
Het was Duhamel die de diverse airs publiceerde in zijn 'Gwerziou ha soniou Breiz-Izel'. Verder werkte hij samen met de schrijver Loeiz (Louis) Herrieu, bij de uitgave van liederen uit Vannes in 'Guerzenneu ha Soñnenneu Bro-Guéd' (1911, Editions Eromi, Lorient). Tevens bewerkte hij liederen uit Wales, die hij in zijn 'Mélodies kymriques, Bretagne et Pays de Galles' uitbracht. (Corbes, 1937)

2.5 Overige 20e-eeuwse publicaties

Hieronder vindt u een overzicht van nog enkele publicaties van traditionele liederen:

Titel Auteur Jaar van
verschijning
Uitgever
Recueil de Chants Populaires bretons du pays de Cornouaille H. Guillerm 1905 Imprimerie brevetée Francis Simon, Rennes
Kanaouennou Breiz-Vihan
(Mélodies d'Armorique)
H. Laterre, F.Gourvil 1911 Imprimerie du Peuple, Carhaix
Éditeur H. Campion, Paris
Soniou koz brezonek F.Gourvil 1916 F. Simon, Rennes
Vingt chansons bretonnes Georges Arnoux 1933 Éditeurs Henry Lemoine & Cie, Paris, Bruxelles
Digor an Abadenn Cheun ar C'hann 1950, 1985 Emgleo Breiz, Brest (1985)
Yaouankiz A Gan Polig Monjaret 1951 Kendalc'h, Rennes
Kanaouennou Pobl Alfred Bourgeois 1959 Kenvreuriez Sonerion, Paris
Brezoneg 'n eur gana Loeiz Roparz 1991 Emgleo Breizh, Brest
Carnets de route Yann-Fañch Kemener 1996 Skol Vreiz, Morlaix
Kanomp uhel redactioneel 1957, 1997 Kendalc'h, Rennes (1957), Coop Breizh, Spezet (1997)

3. Het repertoire van Basse-Bretagne

De publicaties die in de vorige afdeling zijn besproken vormen, naast enkele andere, een rijke bron van Bretonse liederen, zowel in het Bretons als in het Frans. Th. Hersart de la Villemarqué; stelde een indeling voor, om het Bretonse liedrepertoire als volgt in te delen: gwerzioù (balladen en elegies over mythologie, heldendaden, geschiedenis etc), sonioù (lichte en vrolijke liederen over de liefde, natuur, feest- en spotliederen etc.) en kannenoù (liederen met een religieus onderwerp). (Zie 2.1). De eerste twee categorieën waren de gebruikelijke indeling, de laatste (kannenoù of kantikoù) is door Villemarqué zelf toegevoegd.
A. Brizeug maakte in zijn voorwoord van 'Telenn Arvor' (1929, Gwalarn) een nadere indeling voor de sonioù: sonioù, lichte en vrolijke liederen en poèmes, liederen over de natuur en liefde. (Corbes, 1937)
François Luzel, maakte in zijn Soniou Breiz-Izel de volgende indeling van de sonioù (Luzel, le Braz, 1890)(Luzel, le Braz, 1890):

Tegenwoordig hanteert men voor de vocale muziek het volgende:

Het muzikale metrum

Terwijl de dansmuziek een regelmatige maatvoering kent, komen treft men veelvuldige onregelmatige maatsoorten aam in de Bretonse muziek. De geldt met name voor de oude Bretonse instrumentale airs, maar ook in het vocale repertoire, met name de gwerzioù en kantikoù, doch ook in de eenvoudige volksliederen. Men ziet dit vooral in de vorm van maatwisselingen en de samengestelde maatsoorten (3+2)/8 = 5/8, (2+2+3)/8 = 7/8 en (3+3+3)/8 = 11/8 (Monjaret, 1984)(Becker, Le Gurum, 1996).

3.1 Gwerzioù

De gwerzen brengen ondermeer een historische boodschap met zich mee, waarmee men zich het verleden kan blijven herinneren. Hierbij is een groot deel gebaseerd op lokale gebeurtenissen die zich in het verleden afspeelden, waaronder tragische gebeurtenissen, zoals schipbreuk, moord, kindermoord, geweld, executies van helden en liefdesdrama's etc. Studies van individuele balladen hebben aangetoond, dat de details van de historische gebeurtenissen, die in de liederen zijn verwerkt, over zeer lange tijd behouden zijn gebleven. Dit soort details, kunnen bijvoorbeeld beschrijvingen zijn van reëele plaatsen of specifieke kenmerken van het Bretonse landschap of van de natuur. Als ooggetuigenverslagen, blijken de gwerzioù daardoor belangrijke bronnen, voor historische informatie voor de Bretonse cultuur te zijn. Becker en Le Gurun omschrijven de waarde van gwerz als volgt (Becker, le Gurun, 1996):

"Racontant des faits rarement gais (assassinats, enlèvements, naufrages, viols, infanticides...), la gwerz véhicule les sentiments collectifs du milieu et tient lieu de leçon moralisatrice pour la jeunesse"

Feiten die zeldzaam vrolijk zijn te noemen (moorden, schakingen, schipbreuken, verkrachtingen, kindermoorden...), maken de gwerz het voortuig van het collectieve sentiment van de omgeving en vervangt de les in zedelijkheid voor de jeugd. (Vrij vertaald door BD)

Er kan sprake zijn van constante elementen in de teksten, zoals namen, plaatsen of de 'kale' vertelling op zichzelf, met een spanningsveld ten opzichte van variabele elementen, zoals de beschrijving van het karakter en de loop van het verhaal. (Constantine, 2006). Een goed voorbeeld hiervan is de tekst van de hierboven genoemde gwerz uit de verzameling van de la Villemarqué: Penn-hérez Kéroulaz (l'Héritière de Keroulaz). Het oorspronkelijke verhaal is gebaseerd op belevingen van Azénor de Kerkroadez uit de 14e eeuw en wordt geprojecteerd op de lotgevallen van Marie de Keroulaz in de 16e eeuw, die door haar moeder werd uitgehuwelijkt en van verdriet, kinderloos stierf.

Naast historische onderwerpen bestaat er ook een ander vertelgenre, namelijk die van de mythologie en legenden, doch vaak voorzien van een religieuze context. Verhalend van de vele wonderen die aan de diverse heiligen zijn toegeschreven, die feitelijk uit hun levensbeschrijvingen, de zogenaamde hagiografieëen, zijn afgeleid.

Er zijn ook Keltische thema's die men in de Bretonse balladen aantreft. Een voorbeeld hiervan is de gwerz Santes Enori (Santez Henori)(St. Enori, St. Henori). Het verhaal handelt over een prinses die haar borst offert aan een slang om haar vader te redden. Deze ballade bevat complexe elementen, die identificeerbaar zijn als een Welshe triade, een Schots-Gaelisch volksverhaal en een middeleeuwse Frans liefdesverhaal (Constantine, 2006).*)
Zo is ook het karakter Merlijn (Welsh: Myrddin) uit de Arthurische legenden een onderwerp in de volgende vier gwerzen die men in de Barzaz-Breizh van de la Villemarqué aantreft: 'Distro Marzhin' ('Le retour de Merlin'), Marzhin barzh ('Merlin barde'), 'Marzhin divinour' ('Merlin devin') en 'Marzhin en e gavell' ('Merlin au berceau') (Villemarqué, 1839). Een ballade die een nauwe analogie heeft met een Welsh gedicht in de Llyfr Du Caerfyrddin (Black Book of Camarthen), draagt de titel Iannik Skolan (Jean Scolan). Zoals veel andere balladen, is deze pas in de 19e eeuw opgetekend en wordt ook tegenwoordig nog veelvuldig gezongen. Het verhaal is eem krachtige dialoog tussen een moeder en haar ter dood veroordeelde zoon. (Constantine, 2006)**)

*)De tekst is te vinden in François Luzel's 'Gwerziou Breiz-Izel', vol. 1 (1868; Corfmat, Lorient), p. 161-167)(Luzel, 1868). Eveneens op de website: Son ha ton, chansons traditionelles bretonnes
**)De tekst is te vinden in François Luzel's 'Gwerziou Breiz-Izel', vol. 1 (1868; Corfmat, Lorient), p. 150-153)(Luzel, 1868). Hetzelfde thema treft men ook aan in de ballade Yannig Skolan (Yannick Skolan) in de Barzaz-Breizh (1839). Zie ook de website: Son ha ton, chansons traditionelles bretonnes

De gwerzioù zijn in het algemeen opgebouwd in rijmende coupletten, doch ook in tercetten of kwatrijnen (resp. twee-, drie- of vier-regelige stanza's). Vanuit de ritmiek van het onderliggende vers, kan een onregelmatig metrum van de muziek worden bewerkstelligd. De onderliggende muziek voor de gwerzen en kantiken is vaak voorzien van maatwisselingen en onregelmatige maatsoorten, zoals dat bijvoorbeeld uit het onderstaande blijkt:

Gwerz: Ar Bugel Koar ('L'enfant de cire'):
Ontleend aan François-Marie Luzel; Gwerzioù Breiz-Izel, deel 1; 1868 p. 142-145
De muziek is ontleend aan Maurice Duhamel; Gwerziou ha soniou Breiz-Izel; 1913
Opvallend is de afwisseling tussen een 5/4 en 4/4-maat.
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

3.2 Kantikoù

Het tegenwoordige repertoire aan hymnen (kantikoù of kannenoù) in het Bretons is afkomstig uit verschillende bronnen. Ten eerste de diversiteit aan geestelijke en profane liederen die uit verschillende streken van Frankrijk afkomstig zijn en die door verschillende prekers naar Bretagne zijn gebracht. In dit verband kan men bijvoorbeeld Julien Maunoir (1606-1683) noemen. Bekend is zijn eerder genoemde Canticou spirituel (1642), doch hierna verschenen in de 17e en 18e eeuw meerdere collecties.
Becker en Le Gurun geven in 'La musique Bretonne' aan, dat men bij het schrijven van de kantikou geen gebruik maakten van modi, zoals deze binnen het ecclesiastische modale systeem werden aangewend, doch wel via het principe van de Bretonse folkmodaliteit. Dit valt volgens hen af te leiden van Maunoir's inleiding van de Canticou spirituel, waarin hij naar Claude Lejeune (1530-1600), hofmusicus van Hendrik III, verwijst (Becker, le Gurun, 1996):

"la plupart des airs ..., est prise ... des airs, mesurez de Claude Lejeune, excellent musicien du Roi Henri III (sic.)"

(Lees meer over ecclesiastische modaliteit in het artikel in het hoofdstuk Toonsystematiek: Liturgische muziek en ecclesiastische modaliteit en in hetzelfde hoofdstuk: Folkmodalitei).

Enerzijds zijn er populaire profane liederen, door de kerk voor hun doel aangepast, doch ook andersom is dit het geval, dat religieuze teksten naar volksliederen zijn omgezet en vervolgens op traditionele wijze, mond-tot-mond, zijn doorgegeven. Bij deze mondelinge doorgifte hebben de 'feuilles volantes' een rol gespeelt, hetgeen reeds in afdeling 1.1 is besproken.

Enkele voorbeelden van dit soort adapties zijn (naar: Becker, le Gurun, 1996):

De Bretonse musicus en musicoloog Polig Monjaret, maakt in zijn collectie met Bretonse melodieën, Tonioù Breizh-Izel, een onderscheid tussen 121 roomskatholieke (kantikoù katolik) en 32 protestantse kantikoù (kantikoù ugunod). (Monjaret, 1984)

Zie appendix B voor een lijst van liederen op een religieuze grondslag van de 17e en 18e eeuw.

3.3 Sonioù

Zowel het lied en dans zijn in Bretagne aan de traditionele samenleving verbonden en zijn de motor voor het behoud van de Bretonse culturele eenheid. De sonioù zijn de volksliederen met een eenvoudige strekking. In tegenstelling met de gwerzioù is aantal strofen is beperkt, zodat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk om te onthouden. Ze spelen een belangrijke rol bij een diversiteit aan gebeurtenissen, waaronder verschillende feesten en zaken uit het dagelijks leven. De grote en kleine feesten hebben betrekking op gebeurtenissen die seizoengebonden zijn: de slacht van het varken, oogsten (b.v het binden van koren, roden van aardappelen, plukken van appels) en werkzaamheden in het najaar en winter (de bereiding van cider, 'ramaougerie d'pommé' = de bereiding van een soort jam van appels). In verband met het werk zijn er de 'chants de travail', dit zijn liederen (chants de travail) met een bepaalde cadens als basis, die dienen om zwaar werk te ondersteunen, van zowel voor het werk op het land, de ambachtslieden en op wasdag. (Defrance, 2000) Daarnaast zijn er tal van gelegenheidsliederen met allerlei onderwerpen, huwelijk, liefde, beroepen, satire en humor, drink- en dronkenmansliederen en soldatenliedjes, alsmede kinderliedejs (sonioù evit bugale).

Het populaire volkslied: Son ar sister ook: Son ar chistr ('Chanson du cidre'):
Ontleend aan de collecties Yaouankiz a gan; 1951, Kanomp uhel; 1997 en Brezoneg 'n eur gana; 1991
Het lied wordt door veel hedendaagse artiesten uitgevoerd, waaronder Alan Stivell (1971) en is naast Bretonse artiesten, ook door buitenlands artiesten vertolkt, waaronder de Ierse groep The Chieftains (1986) en de Duitse groep Vermaledeyt (2010). Er bestaat ook een Nederlandse tekst op de muziek van de groep Bots (1976): 'Zeven dagen lang'.
(http://www.youtube.com/watch?v=ZpRE3NvBH4g)
http://www.youtube.com/watch?v=BrrcZmOd3Zo
(http://www.youtube.com/watch?v=le6uFnLwqYU)
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

Het populaire volkslied: Pardon Spezed ('Le pardon de Spezet'):
Ontleend aan de collectie Kanomp uhel; 1997
Het lied wordt door veel hedendaagse artiesten uitgevoerd, waaronder Alan Stivell (1972, 'Suite Sudarmoricaine') en Nolwenn Leroy. Naast Bretonse, is het ook door buitenlandse artiesten vertolkt, waaronder de Poolse groep Shannon (2003):
(www.youtube.com/watch?v=7IUuE6e0kOE)
http://www.youtube.com/watch?v=YyDnixex0cU")
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

3.4 Sonioù martolod (chants de marins)

Deze liederen, waaronder Bretonse shanties en andere zeeliederen worden besproken in een apart hoofdstuk: Vocale vormen, genres, stijlen en technieken, in het artikel Maritieme en aanverwante genres: Bretagne: 'Chants de marins'. In het algemeen zijn deze liederen Franstalig (Yaouanq, 2004), doch hieronder een voorbeeld in het Bretons, een lied dat erg populair is geworden door de vertolking van hedendaagse artiesten, Tri martolod (Tri martolod yaouank). De context hiervan heeft betrekking op de Franse visserij bij Terre-Neuvas (Terre-Neuve = New Foundland). Yves de France wijst in dit verband naar een vocale begeleiding van een dans, 'ronde à trois pas', die karakteristiek is voor de maritieme volkstraditie aan de kust van Cornouaille. (Defrance, 2000)

Een zeer populair lied, een chant de marins: Tri martolod ('Trois marins'):
Ontleend aan de collectie Kanomp uhel; 1957/1997 p. 46-47
Het lied wordt door veel hedendaagse artiesten uitgevoerd, waaronder Alan Stivell en Nolwenn Leroy
(www.youtube.com/watch?v=Z593IhlhR4s) (www.youtube.com/watch?v=MKKaItZLx0U)
Voor de tekst en toelichting, klik hier.
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

3.5 Kann da gorol (chants à danser)

(Voor informatie over Bretonse dans en dansvormen, zie het artikel: Dans en danshistorie van Bretagne)


Het mag duidelijk zijn dat, in tegenstelling tot de uitvoering van bijvoorbeeld de gwerzioù, waar meer ritmische vrijheid is geoorloofd, er voor de begeleiding van de dans minder ruimte voor vrijheid is. Het muzikale metrum en de passen van dansers zijn vanzelfsprekend strak aan elkaar gekoppeld.

De vocale uitvoeringsvormen voor de Bretonse dansmuziek worden aangewend, zijn grofweg (Pierre, Cario, 1999) als volgt in te delen:

  1. de kan ha diskan (letterlijk: 'zang en tegenzang'). Deze zangtechniek wordt tegenwoordig voornamelijk uitgevoerd in de streken van de 'gavotte en ronde' (dañs tro) in Haute-Cornouaille. Deze wordt uitgevoerd door twee zangers (kanerien of chanteurs), de kaner ('eerste' zanger) en diskaner ('tegen'-zanger).
    De kaner begint met het inzetten van eerste liedfrase, de diskaner zingt pas in de laatste maat van deze frase mee en neemt vervolgens de tweede frase over. Hierna valt de kaner wederom op de laatste maat van de tweede frase in en gaat daarna over naar de derde etc.
    Er bestaat een apart repertoire van liederen, speciaal voor de kan ha diskan. Hierbij behoren velerlei dansvormen: gavottes, dañs plin; dañs fisel, dañs fañch plin, dañs ar podoù-fer, bal fisel, bal plin, pach-pi, polka en kost er hoet (Quentel, 2011).
  2. die, waarbij de zang van één van de twee of drie solisten, wordt beantwoord met een koor van de dansers. Deze techniek komt voor in andere streken van de gavotte en van Vannes (Morbihan), dit zijn bijv. de sonioù voor de vocale ondersteuning voor de en dro en (zeldzaam) hanter dro(Guilcher, 1976).
  3. De begeleiding wordt gezongen door twee of drie zangers, waarbij de muziek en beweging strak samengaan. Dikwijls houden de zangers zich dicht bij de dansers op, zodat zij goed hoorbaar zijn. Dit wordt toegepast voor de 'danse à double front' van Léon. De eerste zanger opent de dans, hetzij met een medezanger, hetzij met één of twee kameraden, die hun zang beantwoorden. (Guilcher, 1976)

De kan-ha-diskan-techniek wordt eveneens aangewend voor het vertolken van een complete suites. Een belangrijk voorbeeld hiervan is gezongen driedelige suite danñs tro van Haute-Cornouaille, die uit de volgende drie onderdelen bestaat (Guilcher, 1976):

  1. In aanvang geven de zangers een uitvoering uit een gedichten- en melodie-repertoire, waarbij het niet noodzakelijk is dat tekst en melodie bij elkaar horen. De zanger kiest zowel de lyriek als de melodie naar eigen inzicht.
  2. De inleiding tot de dans:
  3. De dans, gavotte (dañs tro), het derde deel van de gezongen suite, wordt ondersteund door een ton double of ton long (Bretons: ton diwezhañ, de tweede 'ton'). Het tempo is levendig en strak.
    Terwijl de melodielijn van de ton simple in het algemeen eenvoudig is opgebouwd, is voor de ton double meer vaardigheid en improvisatievermogen van de zangers vereist.

    De ton double is samengesteld uit twee ongelijke delen, een 'phrase simple', feitelijk de melodie met de uitvoering van een 'ton simple' en een 'phrase double', dat een variatie van de eerste frase is, doch dit keer aangevuld met snel na elkaar opeenvolgende lettergrepen. Deze lettergrepen kunnen ook op de melodie van de 'ton simple' worden aangewend. Hiervan zijn diverse uitvoeringen meestal: ti la la la lè no, of figuren die daar op lijken, zoals la la la la lé, la la la lo of ti la la la la la la.
    Het onderstaande voorbeeld bestaat uit een 'phrase simple' van vier maten ABA'B' en een 'phrase double' van acht maten: A'(C)BA'(C')B, waarvan C en C' ieder twee maten toevoegingen met lettergrepen zijn:

    Een voorbeeld van een 'ton double', bestaande uit twee frasen van vier en acht maten, resp. 'phrase simple' en 'phrase double'. In 1954 opetekend aan de hand van de zang van A. Morvan en Th. Loandré. Bron: (Guilcher, 1976)
    Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
    Midi

Bij de gezongen suite dañs tro, geldt dus de opbouw: ton simple (gavotte) - proloog - ton double (gavotte). Guilcher geeft het volgende schema voor deze drie onderdelen:

Beweging Woorden Ton (melodie)
Inleiding tot de dans Langzame en onregelmatige loop Ti la la la lèno Volledige interpretatievrijheid
Tekst-proloog Nauw op de melodie. Tendens tot het stabiliseren van het ritme
Dans Passen van de gavotte Ti la la la lè no

Gedicht

Ti la la la lè
Levendig en strak tempo. Een regelmatige maat. De melodie is nagenoeg vast.

(Guilcher, 1976).

Bekende uitvoerders van de kan ha diskan-techniek van het eerste uur van de Bretonse 'folkrevival', zijn de gebroeders Morvan ('Les Frères Morvan', vanaf ca. 1950) en de gezusters Goadec ('Les Soeurs Goadec', ca. 1960-1980).

4. Het liedrepertoire van Haute-Bretagne

Tot nu toe zijn de verzamelwerken van liederen uit het westelijk deel van het Bretonse schiereiland (Basse-Bretagne, Breizh-Izel of Pays Bretonnant) behandeld, alwaar Bretons (Brezhoneg), een van oorsprong insulaire, Keltische taal wordt gesproken, dit neemt niet weg dat het de moeite waard is, om enkele aspecten met betrekking tot de volksliederen uit oostelijke deel van Bretagne (Haute-Bretagne, Breiz-Uhel of 'Pays Gallo'), te noemen.
Ten eerste de taal. Haute Bretagne, is dat deel van Bretagne, waar naast het Frans, een Frans dialect gesproken. Deze streektaal wordt Gallo genoemd en is feitelijk een romaanse taal met invloeden uit het Bretons.
'Étude sur les chants populaires en français et en patois, de la Bretagne et du Poitou' (1859, Société Académique, Nantes) is een publicatie van de linguist Armand Guéraud (1824-1861) en wordt als voorloper beschouwd van een reeks van diverse uitgaven van volksliederen uit Pays Gallo (Malrieu, 1983). Het werk bevat een 300 volksliederen uit Comté-Nantais en Bas-Poitou, die afkomstig zijn uit de de achthonderd verzamelingen van de Societé Académique van Nantes.

Tientallen jaren na de Étude sur let chants van Guéraud, verschenen diverse collecties van Lucien Decombe (1837-1905), Adolph Orain (1834-1918) en Paul Sébillot (1843-1918).

De indeling van liederen van Haute-Bretagne wijkt nauwelijks af van die men voor de liederen van Basse-Bretagne toepast. Zo gaf Guéraud reeds de volgende indeling:

Sébillot, gaf een indeling van de derde groep:
eenvoudige liedjes (chansons enfantines), mars- en dansliederen (chansons a marcher ou à danser), satirische- en spotliederen (chansons satiriques ou gouailleuses).

J'passi par un champ
Oò qu'n gniavait des preunes; (bis)
J'monti dans l'preunier
Pour en cueillir eune.
V'là l'biau temps,
Tire lire lire,
V'là l'biau temps, pourvu qu'ça dure,
V'là l'biau temps revenu.


J'monti dans l'preunier
Pour en cueillir eune; (bis)
Mais v'là qu'arrivit
La bonne femme ès preunes.
V'là l'biau temps, etc.

Mais v'à qu'arrivit
La bonne femme ès preunes. (bis)
-Ah! j't'y happe, mon gars,
A m'baisser mes preunes.
V'là l'biau temps, etc.

J'débraisi mes hannes,
J'l'y montri ma leune: (bis)
-V'là par ioù, bonne femme,
J'vous renrai vos preunes
V'là l'biau temps, etc.
(Saint-Jonan-de-l'Isle)
La bonne femme ès preunes (La bonne femme aux prunes). Deze versie is gebaseerd op die van Paul Sébillot. Bron: Littérature orale de la Haute-Bretagne (1881)
Een synthetische weergave van bovenstaande melodie
Midi

Zie appendix C voor een overzichtslijst van verzamelwerken van liederen uit Haute-Bretagne.

5. Annotaties en bronnen

5.1 Voetnoten

  1. De chronologie van de uitgaven is nogal verwarrend. De eerste uitgave is van 1839 (Delloye, Parijs). Het werk zelf bestaat uit twee delen: 'Tome premi&egrav;r' en 'Tome second'. De uitgave van 1840 (Delloye) is een herdruk van de 1839-editie, doch wellicht zonder de aanvullende muziek. Deze wordt echter door de uitgever, verwarrend genoeg, 'Tome second' en '2e uitgave' genoemd. De uitgave door Delloye (1845) wordt '3e uitgave' genoemd, maar is eigenlijk dus pas de 2e uitgave. Deze is door Franck (Parijs, Leipzig) in 1846, in twee delen gepubliceerd, beide zijnde de '4e uitgave'. De 1867-uitgave (Didier, Parijs) is aangeduid met 6e (!) uitgave. Zie ook: www.archiv.nl
  2. Het Franse woord plain-chant, dat overigens ook in het Engels (plainchant) wordt gebruikt, laat zich slecht vertalen in het Nederlands. Men gebruikt meestal de omschrijving: éénstemmige (maatloze) kerkzang (zoals het Gregoriaans). Ik geef de voorkeur aan het gebruik van de Latijnse uitdrukking cantus planus. Er dient wel opgemerkt dat cantus planus, ondanks de uitdrukking 'plain-chant mesuré' geen metrum bezat! De liederen in de 'Chansons Saintes' blijken te zijn afgeleid uit een misboek met 'moderne' cantus-planus-bewerkingen, die door paus Pius X (1835–1914) zijn geëffectueerd. Deze liederen zijn sterk gelieerd aan de Bretonse liederen in de Doctrinal ar Christien (1628) (Corbes, 1937)(Ernault, 1900). (Zie ook: Toonsystematiek: Liturgische muziek en ecclesiastische modaliteit

5.2 Geraadpleegde bronnen

Literatuur

Naslagwerken

Www

5.3 Aanvullende informatie;

Www


APPENDICES


Appendix A: secundaire bronnenmateriaal van Middelbretonse poëzie

Appendix B: 17e en 18e-eeuwse kantikoù

De volgende lijst is gebaseerd op die van de Bretonse linguist Gwennolé Le Menn (1938-2009)(Malrieu, 1983) en bevat een verzameling aan liederen, voornamelijk op een religieuze grondslag, uit de 17e-18e eeuw:
(Een andere uitgebreide lijst van kantikoù kan in de catalogus van J. Ollivier worden gevonden (Ollivier, 1938 en verder))

Jaar/periode Titel Uitgever
1668 Cantic evit supplia ar Verc'hez glorius Vari d'ober ar c'hraç d'ar Roue a Franç da vea victorius var e oll enemiet, ha da obteni ar peoc'h entre ar Brincet kristen. E. Montroulez, gedrukt in Plusquellec [Cat. Ollivier N. 214 (Ollivier, 1938)]
1685 Cantic spirituel en enor d'an Autrou Christ hon Salver G. le Blanc, Quimper
< 1690 Cantic spirituel evit pelerinien S. Michel e Douarnenez G. ar Blanc, Quimper
1690-1700 Cantic var buhes ar map prodic Des Verges, Kemper
17e-18e eeuw Cantic spirituel voar ar buhez sant Isidor patron al labourerien
Canticq en enor dar miracl carentezus à eure ar Verc'hes glorius Vari en andret de S. Theophilus
Cantic spirituel voar ar chapelet bihan
Cantic spirituel voar poan en deuoue hor Salver o tougen ar Coras
Cantic spirituel voar ar buhez Marz Aegzptianes
Cantic spirituel var buez sant Dider
1700-1732 Cantic spirituel en enor d'an Autrou St. Juluan G. Buitingh, Quimper (Cat. Ollivier N. 246 (Ollivier, 1938)
1700-1732 Cantic spirituel voar ar poaniou in deuy anduret hor salver en enor d'an Autrou St. Juluan J. Perier, Quimper [Cat. Ollivier N. 246 (Ollivier, 1938)]
1732 Buez an Outro Sant Melar, Patron eus a Illis Lanmeur. Troet a c'hallec en brezonec er bla 1732 Ledan, Morlaix [Cat. Ollivier N. 2162]
1748 Burzudou a vuez sant Goulc'hen Ar Sieur, Leon
1760 Cantic composet gant eur servigerez santel. hanvet Bonne Armelle. E. Landreger en thy La Porte, imprimer eus an Escoptyn
1770 Canticq spirituele enn inour Sant Eutrop Vannes
1788 Chanson nevez var imperfection ar grague
18e eeuw (?) Dialog etre ar c'horf hac un ene touchant ar Retraet
18e eeuw Canoen spirituel eus en daou viraclou arriuet en illis Santes Anna tost d'Alre en Breiz
Cantic ne'voe' voar sujet pevarzec den a so bet beuet [Cat. Ollivier N. 228 (Ollivier, 1938)]
Cantic spirituel voar ar juget vez ar Goel ar Sacrsment, ha Goel Sant Ian, hag en traou al estraordinal

Appendix C: lijst van verzamelingen van liederen uit Haute-Bretagne

In het onderstaande overzicht treft u een overzicht aan van verzamelwerken, die sinds de 19e eeuw en vóór 1980 zijn verschenen (Malrieu, 1983)
(Meer recente uitgaven (na 1980) met verzamelingen van liederen uit Haute-Bretagne vindt u op de website Le Chant gallo.)