[Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Laatste update: 28-07-2017][Hoofdstuk: Toonsystematiek][Gebruiksvoorwaarden]

Inzake liturgische muziek en de ecclesiastische modaliteit

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Kenmerken van het Gregoriaans
    1. 1.1 Algemene kenmerken
    2. 1.2 De octaafsoorten of modi
    3. 1.3 Elementen van de modus
    4. 1.4 B-quadratum en b-rotundum
  2. 2. Het Glareaanse model
  3. 3. Historische ontwikkeling van de Latijnse liturgische muziek
    1. 3.1 De vroegste periode tot ca. 300
    2. 3.2 Na het Edict van Milaan
    3. 3.3 Het Gregoriaans (Carmen Gregorium)
  4. 4. Appendices
    1. 4.1 Appendix A: Kenmerken en enkele termen inzake de Gregoriaanse muziek
    2. 4.2 Appendix B: De notaties van het Gregoriaans
  5. 5. Annotaties en bronnen
    1. 5.1 Voetnoten
    2. 5.2 Literatuur
    3. 5.3 Www
    4. 5.4 Naslagwerken
  6. 6. Aanvullende informatie
    1. 6.1 Websites
    2. 6.2 Media

1. Kenmerken van het Gregoriaans

1.1 Algemene kenmerken

Zie ook:
Appendix A: Enkele termen inzake het Gregoriaans
Appendix B: De notaties van het Gregoriaans

1.2 De octaafsoorten of modi

In de Gregoriaanse zang, maakt met gebruik van zgn. acht modi. Dit zijn diatonische toongeslachten met specifieke plaatsen voor de hele en halve tonen.
Sinds de 10e eeuw gebruikt men hiervoor namen, die (foutief(!)) zijn ontleend aan de etnische namen van de Griekse toonladdertheorieën. Men onderscheidt vier, zgn. authentieke en vier, hiervan afgeleide toonreeksen, de zgn. plagale modi.
Let wel dat de aangeven reeks tonen, een equivalent is van ons huidige toonstelsel en niet per se, exact deze toonhoogte bezit. Om dit euvel te ondervangen, spreekt men soms liever in termen van de relatieve gezongen aanduidingen do (i.p.v. c), re (d), mi (e), fa (f), sol (g), la (a), ti (b), waarbij de absolute toonhoogte er niet toe doet. Voor het gemak en voor een duidelijk overzicht, gebruik ik bij voorkeur wel de toonbenamingen.
Zowel, de authentieke modus, als de daarvan afgeleide plagale vorm, hebben een gemeenschappelijk slottoon, die finalis wordt genoemd. De omvang, de zgn. ambitus, van de Gregoriaans melodie, is gebaseerd op het bereik van de authentieke of plagale vorm. De onderstaande tabel geeft een overzicht.

ModusNaam van
de modus
AmbitusToonladderDiatonische
verdeling
Finalis
1DorischAuthentiek         D-E-F-G-A-B-c-d1--1-1-1--1D
2HypodorischPlagaalA-B-c-d-e-f-g-a1--1-1--1-1D
3FrygischAuthentiek         E-F-G-A-B-c-d-e-1-1-1--1-1E
4HypofrygischPlagaalB-c-d-e-f-g-a-b-1-1--1-1-1E
5LydischAuthentiek         F-G-A-B-c-d-e-f1-1-1--1-1-F
6HypolydischPlagaalC-D-E-F-G-A-B-c1-1--1-1-1-F
7MixolydischAuthentiek         G-A-B-c-d-e-f-g1-1--1-1--1G
8HypomixolydischPlagaalD-E-F-G-A-B-c-d1--1-1-1--1G
De acht modi of kerktoonsoorten. Het voorvoegsel 'hypo- ' voor de plagale modi betekent letterlijk 'onder'.

1.3 Elementen van de modus

De belangrijkste elementen, van een modus zijn:

De reciteertoon of dominans vindt zijn oorsprong in de psalmodie. De psalm is feitelijk een gezongen gebed, waarvan de vorm als volgt is opgebouwd: initium (beginformule), tenor of dominans (reciteertoon), midden- of tussencadens (middenformule), slot- of eindcadens (eindformule) met eindtoon (finalis). Bij meer melodische zangstukken, b.v. de antifonen is de dominans minder prominent of helemaal niet meer aanwezig.

De eerste regel van psalm 147. Boven in kwadraatnotatie. Onder de transcriptie, waarin de onderdelen zijn aangegeven

Nogmaals een analyse, waarin eveneens de ambitus is betrokken. De finalis is g1 dat wijst op een mixolydische modus. De dominans is c2, terwijl de ambitus binnen het interval d1-d2 ligt. De modus van deze psalm is met betrekking tot deze gegevens als hypomixolydisch (modus 8) geïdentificeerd:

De elementen van de modi 1 t.m. 8 zijn verzameld in de onderstaande tabel. Bij elke authentieke modus ligt de dominans (doorgaans) een kwint boven de finalis en bij elke plagale modus een terts onder de finalis. Een uitzondering hierop is modus 3 (authentiek frygisch), waarbij de dominans (doorgaans) een sext boven de finalis bevindt. Hier is om duidelijke redenen het woord 'doorgaans' gebruikt, omdat er ook uitzonderingen zijn, zoals uit de onderstaande tabel blijkt.

ModusNaam modusAmbitusToonbereikDominansCadenstonenFinalis
1DorischAuthentiekd-da (evt. g)c, d, e, fd
2HypodorischPlagaala-afc, d, e, fd
3FrygischAuthentieke-ec (evt. b)d, e, f, ge
4HypofrygischPlagaalb-ba (evt. g)d, e, f, ge
5LydischAuthentiekf-fce, f, g, af
6HypolydischPlagaalc-cae, f, g, af
7MixolydischAuthentiekg-gdf, g, a, bg
8HypomixolydischPlagaald-dc (evt. b)f, g, a, bg
De elementen van de 8 ecclesiastische modi.

Nog een paar voorbeelden in modus 1, 7 en 8:

Voorbeeld van de dorische modus: finalis=d, dominans=g, ambitus= d-d (authentiek)
Voorbeeld van de hypodorische modus: finalis=d, ambitus= a-a (plagaal). In dit geval is het opvallend dat de finalis tevens de reciteertoon is.
Voorbeeld van de mixolydische modus: finalis=g, dominans=d, ambitus= g-g (authentiek)

De bovenstaande voorbeelden voldoen zich goed aan de regels, zoals die zijn geformuleerd. Toch blijkt dat niet altijd het geval te zijn. Zo is er reeds gezegd, dat de dominans geheel kan ontbreken bij melodieuze gezangen. Eveneens kunnen er meerdere dominansen, naast die van het voorgeschreven model, optreden. Sommige melodieën hebben zelfs een zodanige grote omvang, dat er sprake is van combinaties van de authentieke en plagale vorm. Het is in ieder geval duidelijk, dat er veel haken en ogen aan dit model zitten, zodat deze niet altijd even goed klopt met de praktijk.

Naar boven

1.4 B-quadratum en b-rotundum

Binnen de ecclesiatische modaliteit, bestaat slechts één accidentie, of toevallige voorteken, n.l. de mol. Hierdoor worden de volgende tonen onderscheiden: b-rotundum (bes) en b-quadratum (b). De b-rotundum wordt als voorteken gebruikt in de dorische en lydische modus. Dit laatste blijkt in de loop grote gevolgen te hebben voor de latere toonladdertheorieën tijdens de renaissance, dat uiteindelijk naar het tonale toonsysteem van majeur en mineur leidde.

Bekijk de dorische authentieke modus:

d - e-f - g - a - b-c - d

Na b.v. een mutatie kon door toepassing van de b-rotundum een modus ontstaan, van de volgende structuur:

d - e-f - g - a-b♭ - c - d

Deze 'octaafsoort', dat later de naam eolisch kreeg, is onmiskenbaar te herkennen als de toonladder van d-(authentiek)-mineur. Omdat deze binnen de kerk stijlvreemd was, werd deze niet als een zelfstandige modus geaccepteerd en derhalve beschouwd als dorisch met een toevallige verlaging.

Hetzelfde verhaal geldt ook voor de lydische authentieke modus:

f - g - a - b-c - d - e-f

Mutatie levert:

f - g - a-b♭ - c - d - e-f

Deze toonreeks, werd later ionisch genoemd en is overduidelijk gelijk aan de f-majeur. Ook deze modus bestond niet binnen de kerkvoorschriften en werd daarom beschouwd als lydisch met een toevallige verlaging.

Overigens blijkt de betreffende accidentie zo nu en dan toepasbaar binnen de authentieke frygische modus. Zo ontstaat de reeks, die ook wel iastisch wordt genoemd:

e-f - g - a-b♭ - c - d - e

Naar boven

2. Het Glareaanse model

De Zwitserse humanist Heinrich Loriti (1488-1563), beter bekend onder zijn gelatiniseerde naam Heinrich Glareanus, rekende in 1547 af met traditionele modale theorie van de kerk. In zijn, in 1547 gepubliceerde werk Dodekachordon, verliet hij het stelsel van acht modi en wisselde deze in voor twaalf.
Deze twaalf modi omvatten dus, zes authentieke en zes plagale vormen. De toegevoegde modi, kregen de naam eolisch en hypoeolisch (met finalis a), alsmede ionisch en hypoionisch (met finalis c). Het is bijzonder opmerkelijk om in te zien dat deze, aanvankelijk stijlvreemde toonladders uiteindelijk de basis zou vormen van het tegenwoordige tonale systeem van majeur en mineur.

Aanvankelijk noteerde Glareanus veertien modi, doch de twee, met de b als finalis, werden verworpen. De uitgestoten modus noemde Glareanus hyper-eolisch en hyperfrygisch. De reden van deze afwijzing was de verminderde kwint boven de grondtoon, hetgeen instabiliteit binnen de tonaliteit veroorzaakte.

Naam modusFinalisAmbitus
DorischDd-d, authentiek
HypodorischDa-a, plagaal
FrygischEe-e, authentiek
HypofrygischEb-b, plagaal
LydischFf-f, authentiek
HypolydischFc-c, plagaal
MixolydischGg-g, authentiek
HypomixolydischGd-d, plagaal
EolischAa-a, authentiek
HypoeolischAe-e, plagaal
IonischCc-c, authentiek
HypoionischCg-g, plagaal
Verworpen:
HypereolischBb-b, authentiek
HyperfrygischBf-f, plagaal
Overzicht van de twaalf modi volgens Glareanus
Het titelblad van Glareanus Dodekachordon

De Italiaanse muziektheoreticus Gioseffo Zarlino (1517-1590) koppelde wederom een nummering toe aan het Glareaanse model. In plaats van de dorische modus (finalis D) dat in het oorspronkelijke ecclesiatische model, modus 1, kreeg, kende Zarlino dit nummer toe aan ionisch (finalis C). Hypoionisch kreeg nr.2. Zo werd deze reeks uitgewerkt met de finales in de volgorde: C t.m. A. Hierdoor kon de modus, met finalis B gemakkelijker in deze lijn, worden uitgesloten. (Judd, 2006)

Modusnr.
naar Zarlino
Modus naar GlareanusFinalisAmbitus
1IonischCauthentiek
2HypoionischCplagaal
3DorischDauthentiek
4HypodorischDplagaal
5FrygischEauthentiek
6HypofrygischEplagaal
7LydischFauthentiek
8HypolydischFplagaal
9MixolydischGauthentiek
10HypomixolydischGplagaal
11EolischAauthentiek
12HypoeolischAplagaal
Overzicht van de twaalf modi naar Zarlino

Naar boven

3. Historische ontwikkeling van de Latijnse liturgische muziek

(Voor verklaring van de termen, zie op deze pagina: Appendix A: Kenmerken en enkele termen inzake de Gregoriaanse muziek De middeleeuwse Westerse liturgische muziek bestond uit éénstemmige zang, dat aanvankelijk een ontwikkeling doormaakte vanuit een aantal vroeg-christelijke 'dialecten' met allerlei invloeden, die uiteindelijk de basis vormde van wat we tegenwoordig Gregoriaanse muziek noemen. Overigens bestaat voor deze éénstemmige zang, een meer efficiënte en elegante Latijnse term: cantus planus (open zang). In het Engels en Frans, zijn resp. de woorden plainchant en plain-chant in gebruik.

3.1 De vroegste periode tot ca. 300

Van deze periode, waarin de vieringen in het geheim plaatsvonden, zijn geen andere gegevens bekend dan literaire vermeldingen. Toch is het aannemelijk dat er een grote verscheidenheid moet zijn geweest. Vanaf het begin van christendom is de muziek door allerlei omliggende culturen beïnvloed.

3.2 Na het Edict van Milaan

Fragment uit het Psalterium Gallicanum met Cantica (Wolfcoz Psalter), p. 7 (ca. 820-830). Dit is één van de vroegste exemplaren van het klooster van St. Gallen met verluchte inititialen, die van hoge kwaliteit zijn. Uit de stijl van figuren, blijkt een Ierse invloed.
Bron: St. Gallen, Stiftsbibliothek, Cod. Sang. 20

Met het Edict van Milaan in 313 waarborgde de Romeinse keizer Constantijn aan de christenen de vrijheid van godsdienst waarbij de kerk de algehele vrijheid kreeg om naar buiten te treden. De verspreiding van de kerk en de daarbij behorende scala aan liturgische plechtigheden hadden tot gevolg dat er een verscheidenheid aan liturgische muziek werd gebruikt, waarbij enige vorm van uniformiteit ontbrak. Sommige zijn na de hervorming van Gregorius blijven voortleven. De verschillende Westerse liturgische stromingen waren de Oud-Romeinse, Ambrosiaanse, Beneventijnse, Mozarabische, Gallicaanse (of Gallische) en de Keltische.

Fragmenten van drie versies van het Gloria in exelsis Deo, resp. de oud-Romeinse, Ambrosiaanse en Mozarabische interpretatie (Brunning, 1947). Klik hier voor een vergroting.

Naar boven

Gloria in exelsis deo, et in terra pax hominibus bonae voluntatis. Laudamus te, benedicimus te. Adoramus te. Glorificamus te. Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam. Domine Deus, Rex caelestis, Deus Pater omnipotens. Domine Fili unigeni, Jesu Christe. Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris. Qui tollis peccata mundi, miserere nobis. Qui tollis peccata mundi, suscipe deprecationem nostram. Qui sedes ad dexteram Patris, miserere nobis. Quoniam tu solus sanctus. Tu solus Dominus. Tu solus Altissimus, Jesu Christe. Cum Sancto Spiritu in gloria a Dei Patris. Amen

De Ambrosiaanse versie van het Gloria in excelsis Deo. (Antiphonale Missarum, 1959)

Hymnus angelicis lay di busin nativitate Christi cantatus.

Gloria in excelsis deo et in terra pax hominibus bone voluntatis. Laudamus te, benedicimus te tis. Adoramus te, glorificamus te. Gratias agimus propter gloria tuam magnam. Domine Deus, Rex Caelestis. Deus Pater omnipotens. Domine Filium genite Ihesu Christe. Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris qui tollis peccata mundi miserere nobis. Qui tollis peccata mundi suscipe deprecationem nostram. Qui sedes ad dexteram patris, miserere nobis. Quoniam tu solus sanctus, tu solus Dominus, tu solus Altissimus, Ihesu Christe. Cum Sancto Spiritu in gloria a Dei Patris. Amen.


Een Gallicaanse variant van de bovengenoemde canticus in het Psalterium Gallicanum (Wolfcoz-Psalter) (ca. 820-830): Cod. Sang. 20, p. 356 (Sankt Gallen, Stiftsbiblitheek)(transciptie: BD)

Ad uesperum et ad matutinam
Gloria in excelsis deo, et in terra pax hominibus bonae uoluntatis. Laudamus te, benedicimus te, adoramus te, glorificamus te, magnificamus te, gratias agimus tibi propter magnam misericordiam tuam, domine rex caelestis, deus pater omnipotens, domine filii unigenite iesu christe, sancte spiritus dei, et omnes dicimus, amen, domine, filii dei patris, agne dei qui tollis peccatum mundi, miserere nobis, suscipe orationem nostram qui sedes ad dexteram dei patris, misserere nobis, quoniam tu solus sanctus, tu solus dominus, tu solus gloriosus cum spiritu sancto in gloria dei patris. Amen
Cotidie benedici mus te et laudamus nomen tuum in aeternum et in saeculum saeculi amen. Dignare domine die ista sine peccato nos custodire. benedictus es domine deus patrum nostrorum. Et laudabile et gloriosum nomen tuum in saecula amen.
Misere nobis domine, misere nobis. Uerba mea auribus, usque et deus meus, mane et exaudies uecem meam, mane oratio mea praeueniet te domine. Diebus adque nocti bus horis adque momentis, misere re nobis domine. Orationibus ac meretis sanctorum tuorum miserere. Angelorum archange lorum patriarcharum prophetarum, miserere nobis domine. Apostolorum martirum et confessorum adque uniuersa gradus sanctorum, miserere. Gloria et honor patri et fili et spiritui sancto, et nuc et semper et in saecula saeuculorum. Amen.



De Hiberno-Latijnse versie uit het Antifonarium van Bangor (fol. 33r, 33v) (Bangor Antiphonary, 7e eeuw). (Warren, 1893)

Gloria in excelsis deo et in terra pax hominibus bone uoluntatis. Laudamus te, benedicimus te, adoramus te, glorificamus te, magnificamus te. Gratias agimus tibi propter magnam miserecordiam tuam, domine, rex celestis, deus pater omnipotens. Domine, fili unigenite, ihesu christe, sancte spiritus dei, et omnes dicimus, amen.
Domine, fili dei patris, agne dei
, qui tollis peccata mundi, miserere nobis. Suscipe orationem nostram, qui sedes ad dexteram patris, miserere nobis, domine. Quoniam tu solus sanctus, tu solus dominus, tu solus gloriosus, cum spiritu sancto, in gloria dei patris. amen.
Dignare domine nocte ista sine peccato nos custodire. Benedictus es domine deus patrum nostrorum et laudabile et gloriosum nomen tuum in aeternum et in seculum seculi. amen.
Domine deus salutis meae in die clamaui et nocte coram te. INtret oratio mea in conspectu tuo inclina aurem tuam ad precem meam domine. Scuto circumdadit te veritas eius non timebis a timore nocturno.



De Hiberno-Latijnse uit het Ierse Boek der Hymnen (Leabhar Imuinn, Liber Hymnorum, 11e eeuw). (Warren, 1881). Facsimile uit: James Henthorn Todd; Leabhar Imuinn: The Book of Hymns of the Ancient Church of Ireland, vol. 2; 1869; University Press, Dublin; p. 179-181 (Todd, 1869)
Vier tekstversies van het bekende Gloria in excelsis Deo. De eerste van boven is de reeds besproken Ambrosiaanse versie, die qua tekst gelijk is aan de hedendaagse Gregoriaanse versie. De tweede toont een manuscript fragment van het Psalterium Gallicanum (Sankt Gallen). De derde is van het Ierse Antifonarium van Bangor, en tot slot de vierde, uit het Ierse Boek der Hymnen (Liber Hymnorum). De passages die vet gedrukt zijn de afwijkingen van de bovenste tekst.

3.3 Het Gregoriaans (Carmen Gregorium)

Gregorius I wordt geïnspireerd door de Heilige Geest, die in de gedaante van een duif de muziek toefluistert, waarna Gregorius de Notarius Petrus Diaconus dicteert, die vervolgens de muziek noteert.
Bron afbeelding: St. Gallen, Stiftsbibliothek, Cod. Sang. 390: Antiphonarium oficii (Antifonarium van Hartker, p. 13) (ca. 990-1000).

De term Carmen Gregorium is uit de 9e eeuw, waarbij men verwijst naar paus Gregorius de Grote (Gregorius I, ca. 540- †604). De misvatting bestaat, dat Gregorius zelf deze werken gecomponeerd zou hebben, hetzij dat hij zelf de hand zou hebben gehad in de organisatie en verspreiding ervan. Doch een groot deel is van voor de tijd dat Gregorius leefde, hetgeen aantoonbaar is dat de vroegst genoteerde gezangen met neumen van rond 800 dateren. Men neemt wel aan dat hij was begiftigd met een goede smaak en organisatietalent. Hij bestudeerde en ordende de diverse gezangen systematisch en onderzocht welke goed en bruikbaar waren en latiniseerde deze, waar dat nodig was. Voordat Gregorius in 590 tot paus werd gekroond, was hij aangesloten bij de Benedictijnen-orde en was abt van het Monte Celio-klooster van Rome, alwaar hij de Schola cantorum had samengesteld, een groep van goed geschoolde zangers.

Robijns geeft de volgende definitie van het Gregoriaans:

"Het geheel der éénstemmige gezangen op Latijnse teksten, die in de loop der tijden als officiële zang bij de liturgische plechtigheden in de rooms-katholieke kerk zijn aangewend, en door deze als de haar-eigen-gezangen erkend en beschouwd werden."
(Robijns, 1987).

De feitelijke ontwikkeling van het Gregoriaans kwam pas ca. 150 jaar na Gregorius, goed op gang tijdens de Karolingische periode, waarbij Keizer Karel de Grote (r.768-814) zelf een belangrijke rol speelde. De hang naar grotere politieke eenheid had tot gevolg, dat de oude zang van de verschillende stromingen, met name de Gallicaanse en de Oud-Romeinse, werden samengevoegd. De inspanningen van Karel de Grote voor de Romeinse liturgie en zang hebben geleid tot de stichting van een aantal scholen, o.a. in Aken, Metz en Parijs.
De bloeitijd van het Gregoriaans eindigde in de 12e eeuw, waarna er verval optrad, waarna diverse herstelpogingen hebben plaatsgevonden, die uiteindelijk tot de huidige bestaande vorm heeft geleid.

Naar boven

4. Appendices

4.1 Appendix A: Kenmerken en enkele termen inzake de Gregoriaanse muziek

Een voorbeeld van een Alleluia-jubelis.

4.2 Appendix B: De notaties van het Gregoriaans

Letternotatie

Reeds in het oude Griekenland, bestond een eenvoudige muzieknotatie (ca. 600- 400 v.C.) in de vorm van een letternotatie, dat vooral van toepassing was op instrumentale muziek (Zie: Griekse toonladdertheorie). In zijn De institutione musica, beschreef de Boethius de tonen over twee oktaven van resp. A-H en van H-P, als aanduidingen op het monochord. In de 11e eeuw werd een geperfectioneerde letternotatie toegepast in een toonreeks met hele en halve toonsafstanden (z.g.n. Odoniaanse notatie) (Zie ook Romeinse en Middeleeuwse theorieëen: Pseudo-Odo en Guido van Arezzo:

A B C D E F G a b c d e f g aa

Naar boven

Neumen

Voor de cantus planus bestond aanvankelijk geen notatievorm, waarmee op een aanschouwelijke manier, tegelijkertijd zowel de muzikale patronen als de toonhoogten konden worden vastgelegd. Ondanks dat de letternotatie, zich in de loop der tijd ontwikkelde, was deze voor de praktische invulling voor de gezangen niet geschikt. Aanvankelijk zat er niets anders op dan de gezangen van buiten te leren. De neumen vormden daarbij een praktische leidraad. Het notatiesysteem met neumen was bijzonder efficiënt voor degenen die reeds de melodie beheerste. De neumen gaven bij benadering de loop van de melodie weer en vormden zo een functionele geheugensteun voor de zangers.

NaamAantal tonenPlaats van het accentNeume
Clivis

Podatus

Torculus

Porrectus

Scandicus

Climacus
twee

twee

drie

drie

drie

drie
op de eerste toon

op de tweede toon

op de middelste

op de eerste en de derde

op de hoogste noot

op de eerste noot
De zes basisneumen

Wanneer het systeem van neumen voor het eerst werd toegepast is niet bekend. De vroegst bekende notaties dateren waarschijnlijk uit de 8e eeuw, hoewel het aannemelijk is dat ze uit een eerdere periode stammen. Oorspronkelijk waren de neumen weergegeven handgebaren, waarmee de koorleider de loop van de melodie aangaf (cheironomie) (Grieks: cheir (χειρ) = 'hand', 'arm'; neuma (νευμα) = 'teken'). Voor de neumen van de Gregoriaanse zang, hebben Grieks-Romeinse accenttekens, die bij de retoriek (redekunst) werden aangewend, model gestaan. Dit zijn zijn de accentus acutus (/), voor een hogere lettergreep en de accentus gravis (\), voor een lagere lettergreep. Voor de muzieknotatie, wordt met het /-teken (virga) een hogere toon voorgesteld en met \ (punctum), dat later werd vervangen door een klein streepje, een lagere toon. Uit een combinatie van de virga en punctum onstonden spoedig de zes basis-neumen op twee en drie tonen. Deze basisneumen zijn op dezelfde wijze uit te breiden tot vier tonen.

Hoewel de neumen geschikt waren om de loop der melodie te symboliseren gaven zij geen uitsluitsel over de toonhoogte (in aperto campo - 'in het open veld', zonder notenbalk of adiastematische notatie), de toonintervallen, de duur of de uitvoeringskenmerken. Een van de eerste pogingen voor een schrift met toonintervallen, de zgn. diastemische notatie, werd in de 10e eeuw toegepast door de neumen op verschillende niveaus te plaatsen om toonhoogte verschillen te suggereren. Notker Balbulus van St.Gallen beschreef een systeem van letters, feitelijk afkortingen van diverse functies, die bij de betreffende neumen werden geplaatst. In de praktijk viel de verzameling aan letters uiteen in vier groepen:

Fragment uit het Graduale und Sequenzen Notkers von St. Gallen. De neumen zijn voorzien van de enkele van de bovengenoemde letteraanduidingen
Einsiedeln, Stiftsbibliothek, Codex 121

Diastemische notatie en kwadraatschrift

Gedurende de 11e eeuw werden neumen rond een lijn genoteerd, die de toon fa (F) vertegenwoordigde, waarmee een duidelijke referentie werd aangegeven voor toonhoogten (diastemische notatie). In een later stadium werd nog een extra lijn voor de toon ut (C) toegevoegd. Het voordeel van dit systeem was dat de halve toonsafstanden (E-F en B-C) eenduidig werden aangegeven, omdat deze zich pal onder resp. de F- en de C-lijn bevonden. Zie meer hierover: Introductie: Toonladders en intervallen en Romeinse en Middeleeuwse theorieën: Guido van Arezzo

Dit systeem van twee lijnen werd weldra uitgebreid tot een vierlijnige notenbalk, waarmee de toonhoogte onmiskenbaar werd vastgelegd. In het verlengde van de oorspronkelijke fa- en ut- lijnen, werd resp. de fa-sleutel en de ut-sleutel ingevoerd. De aangepaste neumen veranderden in figuren met vierkante noten in de vorm van het kwadraatschrift:

Diverse neumen in vergelijking met de toepassing in het kwadraatschrift
(Benedictines of Stanbrook, 1897)

Bijzondere nootnotaties die men regelmatig tegenkomt, zijn de liquescenten of vloeinoten, quilisma en custos.

Diverse neumen met liquescenten
(Benedictines of Stanbrook, 1897)

Rustpunten worden aangegeven met verticale lijn in de notenbalk, de zgn. pausa. De lengte van lijn zegt iets over de functie.

PausaTekenFunctie
Pausa finalisGeeft het einde van het gehele stuk aan of een groot onderdeel ervan
Pausa majorHet einde van een frase
Pausa minorHet einde van een groot zinsdeel
Pausa minimaHet einde van een kort zinsdeel
KommaAdemhalingsteken

Een accidentie, komt zoals eerder gezegd één manier voor, namelijk als molteken. Eveneens in combinatie met een herstellingsteken:

Naar boven

Transcriptie

De vierlijnige notenbalk met neumen ligt naar hedendaagse maatstaven niet voor de hand, zodat het nuttig kan zijn om een transcriptie naar de vijflijnige notenbalk te maken. Hierbij wordt uitgegaan dat de ut-sleutel de lijn is voor de toon c en de fa-sleutel voor toon F. Er bestaan verschillende mogelijkheden om te transcriberen. Voorbeelden hiervan vond u reeds in de paragraaf Elementen van de modus, waarin specifieke nootwaarden (in dit voorbeeld kwartnoten, hoewel transcriptie met achtste noten ook plaatsvindt) werden aangewend.
Een andere methode, is die, waarbij men aan de afzonderlijke noten geen tijdswaarde toekent, zodat de notatie met noten zonder stok plaatsvindt (Robijns, 1987). De neumen worden hierin aangegeven door middel van korte fraseringsbogen, alsmede de melismen, die met langere bogen kunnen worden aangegeven. Hieronder een voorbeeld:

Een voorbeeld van een transcriptie van het kwadraatschrift op een vierlijnige, naar de hedendaagse vijflijnige balk. De onderste lange bogen representeren de melismen, de kleinere bogen daarboven, de twee- tot drievoudige neumen

(Blom, 1962)(Brunning, 1947)(Benedictines of Stanbrook, 1897)(Robijns, 1987)(Strietman, ca. 1980)

Modale ritmiek

De vrije ritmiek van het Gregoriaans liep naar verloop van tijd ten einde. Voordat men overging naar de zogenaamde mensurale notatie, waarin de nootwaarde of nootlengte een rol kreeg toebedeeld, ontwikkelde men aanvankelijk een wijze van opschrijven, dat modale notatie wordt genoemd. Deze was gebaseerd op een beperkt aantal nootgroepen die was samengesteld uit enkelvoudige symbolen. De vorm van deze notatie was ontwikkeld door componisten van de latere Notre Dame School (Ars Antiqua). Het werk waarin de notatievorm voor het eerst was opgenomen was de mensurabili musica, dat wordt toegeschreven aan de Franse theoreticus Johannes de Garlandia (John of Garland, fl. ca 1270-1320). Men past zes ritmische vormen (modi) toe, waarvan de namen waren afgeleid van de metrums van de klassieke dichtkunst. Over de absolute lengte van de noten bestaat enige discussie.
In het onderstaande overzicht worden de 6 ritmische modi als volgt voorgesteld:

Naar boven

5. Annotaties en bronnen

5.1 Voetnoten

5.2 Literatuur

5.3 Www

5.4 Naslagwerken

6. Aanvullende informatie

6.1 Websites

6.2 Media

Filmpjes