Musicologie van de Keltische en naburige stijlen
[Home][Info][Introductie][Cultuurhistorische onderwerpen][Dans en danshistorie][Vorm, technieken en idioom][Toonsystematiek][Akkoordenleer][Harmonie][Extra]

[Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Laatste update: 01-01-2018][Hoofdstuk: Dansmuziek en danshistorie][Gebruiksvoorwaarden]

"They never sang without dancing, and they never danced without singing; and they only possessed one word for song and dance"

Francis Barton Gummere (1855-1919) in 'The Beginnings of Poetry', 1901

Dansmuziek en danshistorie: Enkele inleidende onderwerpen

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Opzet van de hoofdstukken
  2. 2. Dans bij de continentale en insulaire Kelten
  3. 3. Dansen aan het hof en van het volk
    1. 3.1 Hof en het volk
    2. 3.2 Country dance
    3. 3.3 Square dance
    4. 3.4 Quadrille
    5. 3.5 Jig
  4. 4. Mayday
  5. 5. Gaelische termen inzake muziek en dans
  6. 6. Dans met zangbegeleiding
    1. 6.1 Carol
    2. 6.2 Kan ha diskan
    3. 6.3 Puirt-a-beul
    4. 6.4 Pandeiretada en pandeirada
  7. 7. Marsmuziek
  8. 8. Annotaties en geraadpleegde bronnen
    1. 8.1 Voetnoten
    2. 8.2 Geraadpleegde bronnen
  9. 9. Aanvullende informatie
    1. 9.1 Media
    2. 9.2 Websites

1. Opzet van de hoofdstukken

Geen enkele studie naar de muziek van een land of streek is volledig, als men de dansen aldaar niet in ogenschouw neemt. Dansritmes en -bewegingen hebben altijd een belangrijke en krachtige invloed op de muziek gehad, zowel vanaf prehistorische tijden, als tot op de dag van vandaag. Daarom wordt in de hierna volgende hoofdstukken uitgebreid stil gestaan bij diverse cultuurhistorische aspecten van de dansvormen in de Keltische en omliggende gebieden.
Deze hoofdstukken geven geen informatie voor degenen die op een specialistische wijze, in danstechnieken zelf zijn geïnteresseerd. Het is dus niet de bedoeling om hier danstechnische beschrijvingen en choreografieën te geven. Daarvoor zijn diverse andere bronnen beschikbaar. Om toch sommige belangstellenden tevreden te stellen, zijn incidenteel deze bronnen als hyperlink naar websites aangegeven. De vele invalshoeken van muzikale kant van de dansmelodieën (Engels: 'dance tunes', Iers: 'ceol rince') zelf worden echter besproken in een tal van andere hoofdstukken. Voor een aantal kenmerkende muzikaal-ritmische structuren en opbouw, zie: de hoofdstukken Inleidende onderwerpen: Maat en Ritme, Ritmische kenmerken in de dansmuziek van de 'Keltische gebieden' en Vormen en technieken: Frasering en vorm

Omdat deze materie bijzonder uitgebreid is, is gekozen om dit onderwerp op te splitsen in de dans en danshistorie van:

Overigens zal blijken dat, met betrekking tot de verschillende gebieden, de besproken onderwerpen vaak sterke overeenkomsten hebben. Zo wordt de dans en dansdeun hornpipe, vaak onterecht beschouwd als typisch Iers. Hoewel veel hornpipes in Ierland zijn ontstaan met een kenmerkend idioom, moet de oorsprong feitelijk in Engeland gezocht worden. De rituele Engelse morris dance, komt in bepaalde vormen ook voor in Wales. Zo zijn een flink aantal andere overlappingen op te noemen. Dit geldt ook voor de jigs, die tegenwoordig door menigeen, als een onderdeel van de, vaak overeenkomende, Ierse of Schotse muziek- en danscultuur wordt gekenmerkt. Dit is in het geheel niet correct. Inderdaad, er zijn jigs, die door Ierse muzikanten zijn gecomponeerd, doch ook, die muzikanten vanuit Engeland naar Ierland hebben gebracht. Het is bekend dat de jig, voordat het is genoemd als Ierse dans, reeds lang in Engeland bekend was.
De country dance-traditie is van oorsprong zuiver Engels, hoewel veel elementen hiervan zijn overgenomen in de Ierse ceílí, de Schotse ceilidh- en Schotse country dancing.
De reel is een dansdeun, waarvan men aanneemt dat oorspronkelijk in Schotland is ontstaan.
Verwarring treedt vaak op in de terminologie, omdat namen van dansvormen, danstypen en de begeleidende melodietypen vaak door elkaar worden gebruikt. Bijvoorbeeld, de reel, jig, hornpipe en strathspeys kunnen voor verschillende typen dansen worden gebruikt. Dat wil zeggen, niet alleen voor de dansen, die een diversiteit aan Ierse céili, stepdance of Schotse country- of highland dances vormen. Doch eveneens als begeleidende deunen voor Engelse country-dances.

2. Dans bij de continentale en insulaire Kelten

Het staat zo goed als zeker vast, dat evenals in andere oude culturen, rituele dansen of het dansen op feesten, alsmede krijgsdansen bij zowel de eiland-Kelten (Britse eilanden) als de continentale Kelten (w.o. Galliërs, Galaten, Iberische Kelten) gemeengoed was.

De Schotse specialist op het gebied van Keltische religie en mythologie, John Arnott MacCulloch (1868-1950) schreef het volgende hierover in zijn The Religion of the Ancient Celts (MacCulloch, 1911):

"Chants were sung by the 'priestesses' of Sena to raise storms, and they were also sung by warriors both before and after a battle, to the accompaniment of a measured dance and the clashing of arms.....Warriors also advanced dancing to the fray, and they are depicted on coins dancing on horseback or before a sword, which was worshipped by the Celts. The Celtiberian festival at the full moon consisted entirely of dancing. The dance is a primitive method of expressing religious emotion, and where it imitates certain actions, it is intended by magical influence to crown the actions themselves with success. It is thus a kind of acted prayer with magical results."

De Schotse historicus Robert Henry (1718-1790) meldde in zijn 'History of Great Britain' (Henry, 1805):

"The Germans, and probably the Gauls and Britons, had a kind of martial dance which was exhibited at every entertainment. This was performed by certain young men, who, by long practice, had acquired the art of dancing amongst the sharp points of swords and spears."

Een beeldje met de voorstelling van een Gallische danseres, die naar Keltische gewoonte, naakt een rituele dans uitvoert. Het is één van de bronzen beelden (ca. 100-300AD), die in 1861 zijn gevonden in een zandgroeve nabij Orléans in Frankrijk.

3. Dansen aan het hof en van het volk

3.1 Hof en het volk

Het is bekend dat er verschil bestond tussen de dansen van het volk en die van de adel en het hof. Hoewel sommige vormen en stijlen van elkaar werden overgenomen. Bijv. de quadrille, een van oorspong Franse stijldans, die door de Engelse 'upperclass' werd beoefend. De trenchmore die bekend stond als een populaire Engelse hofdans, is mogelijk ontstaan uit een Ierse volksdans (trenchmore zou een anglificatie zijn met de Gaelische term rince mor of 'grote dans'). Tijdens de middeleeuwen was het onderscheid van danstypen tussen verschillende volksklassen niet groot. Tijdens de renaissance begon zich een duidelijker verschil af te tekenen. Het is niet verrassend, dat de dansen van zowel de onderklasse en bovenklasse, een sociale functie binnen de eigen gelederen hadden. De passen en patronen bij de dansvormen van de deftige stand, waren echter ingewikkeld en vergden veel training in dans en choreografie, hetgeen door de zgn. dancing masters werd onderwezen.

Een voorbeeld in dit verband is een lange lijst van country dances die we tegenkomen in The Complaynt of Scotlande (1549) (Murray, 1981):

"in the fyrst, thai dancit al cristyn mennis dance, the northt of scotland, huntis vp, the comount entray, lang plat fut of garian, Robene hude, thom of lyn, freris al, ennyrness, the loch of slene, the gosseps dance, leuis grene, makky, the speyde, the flail, the lammes vynde, soutra, cum kyttil me neykyt vantounly, schayke leg, fut befor gossep, Rank at the rute, baglap and al, ihonne ermistrangis dance, the alman haye, the bace of voragon, dangeir, the beye, the dede dance, the dance of kylrynne, the vod and the vail, schaik a trot."

Dezelfde bron meldt eveneens een aantal hofdansen:

"it vas ane celest recreation to behold ther lycht lopene, galamanding [allemande], stendling backuart & forduart, dansand base dansis [basse danse], pauuans [pavane], galyardis [galliarde], turdions [tourdion], braulis and branglis [branle], buffons [les bouffons], vitht mony vthir lycht dancis, the quhilk ar ouer prolixt to be rehersit."

In Colkelbie Sow (1568), wordt gemeld dat sommige Schotten, waarschijnlijk boeren, de hofdansen niet kenden:

&"Could nacht the fete of any dansis,
Bot such thing as affeiris
To hirdis and their maneiris."
(Kratzmann, 1983)

De volgende onderwerpen, de country dance, quadrilles, square dances en jigs, lopen vaak als een rode draad door de verschillende hoofdstukken.

3.2 Country dance

De country dance is een Engelse danstraditie met een kenmerkende uitvoeringsstijlen, meestal in opponerende rijen, waarbij de gezichten naar elkaar toe zijn gericht. De eerste rij bestaat uit mannelijke dansers, die aanvankelijk tegenover de vrouwen in de tweede rij zijn gepositioneerd, waarna de paren regelmatig van plaats verwisselen. De diversiteit aan begeleidingsdeunen is talrijk en kunnen zowel jigs, slip-jigs, reels of hornpipes zijn, doch ook andere typen deunen zijn bekend, waarvan sommigen een hoge ouderdom hebben (Raven, 1984). De populariteit was in de 17e eeuw bijzonder groot, zoals blijkt uit de publicatie van country dances in 1651 door John Playford (1623-1686), die bekend staat als uitgever en auteur van diverse werken, waaronder een tal van muziekpublicaties. Zijn bekendste werk is The English Dancing Master Or, Plaine and easie Rules for the Dancing of Country Dances, with the Tune to each Dance en is daarbij de oudste genoteerde bron van de country dance.

In de 18e eeuw, tijdens de rococo-periode, werd de country dance onder de naam contredanse of contradanse (letterlijk: dans van opponenten) aan het Franse Hof geïntroduceerd . Een kenmerk hiervan was, zoals de naam kennelijk al zegt, dat de danspartners tegenover elkaar waren opgesteld, met de gezichten naar elkaar toe. Alhoewel er eveneens wordt verondersteld, dat de naam letterlijk is afgeleid van de term country dance.
Het wordt aangenomen, dat vanuit de contredanse, de quadrille, anglaise en cotillon zijn ontwikkeld.

Country dances, worden tot op heden, ook in Ierland (de zgn. céilí dances, voornamelijk: 'long dances' en 'round dances') en in Schotland (Schottish Country Dance en ceilidh dances) op verschillende soorten muziek gedanst.

(Dit onderwerp wordt meer uitgebreid besproken op de pagina Danshistorie van Engeland, Wales en Cornwall)

3.3 Square dance

De square dance (letterl.: 'dans in een vierkant') is een country dance voor vier paren (acht dansers) en niet voor twee paren, zoals de quadrille. (In Ierland noemt men dit set, de quadrille een half-set). In de eerste uitgave in 1651 van 'The English Dancing Master' van John Playford, zijn reeds drie square dances opgenomen: 'Hide Park', 'Faine I would', 'Dull Sir John', alle drie in een 6/8-maat.

De opstelling voor een square dance naar Playford (1651)

De square dances en quadrilles zijn door de Engelse emigranten meegenomen naar de overkant van de Atlantische Oceaan en behoren tegenwoordig tot de volksdans-traditie van de Verenigde Staten en Canada. Opmerkelijk is het feit dat Henry Ford, tijdens de 20-er jaren van de vorige eeuw de square dance nieuw leven in blies, waardoor voorkomen werd dat de vorm uitstierf. Negentien staten van de VS hebben de square dance als officiële staatsdans uitgeroepen.

De begeleidende muziek is niet gebonden aan een vaste maatsoort. Het aantal gedanste figuren van de quadrille was oorspronkelijk vijf, waarbij de 2/4- en 6/8-maat werden toegepast. Tegenwoordig wordt in delen van de Verenigde Staten en Canada de term 'quadrille' exclusief voor 6/8-deunen gebruikt.

3.4 Quadrille

Deze dansvorm, die in Frankrijk vanuit de contredanse is ontstaan, stond daar bekend als de quadrille de contredanse (Frans: quadrillage = geruit patroon). Deze was tijdens Napoleons tijd bijzonder populair bij de 'high society' in Parijs. De twee paren dansers (vier dansers) waren op de vier zijden van een denkbeeldig vierkant zijn gepositioneerd, waarbij de gezichten, naar het middelpunt van dit vierkant, dus naar elkaar toe zijn gericht. De dans bevatte vijf verschillende figuren in een 2/4- en 6/8-maat.

Tijdens hun verblijf in Frankrijk, raakten de Engelse troepen van Wellington vertrouwd met de quadrille. Zij waren het die, nadat Napoleon in 1814 was verslagen werd, de dans naar Engeland en Ierland brachten. Het zou in 1815, tijdens de Almacks, een toonaangevende dansbijeenkomst in Londen, zijn geïntroduceerd, waarna het zich over de Britse Eilanden heeft verspreid.

3.5 Jig

Melodie en dans

De jig, is de naam voor een diversiteit aan populaire dansen, cq dansdeunen, die in heel Groot-Brittanië en Ierland bekend staat. De status ervan is vergelijkbaar met die van de hornpipe, waarvan de naam eveneens in deze gebieden gemeengoed is (lees hierover in: Engeland, Wales en Cornwall - Hornpipe). Doch elk gebied kent zijn specifiek muzikaal idioom. Met andere woorden, de melodische structuur van Ierse of Schotse jigs verschillen wezenlijk met die uit andere gebieden. Zowel de jigs (tegenwoordig in een 6/8-maat genoteerd), als de slip- of hop-jigs (9/8-maat), vinden hun gebruik in veel soorten tradities en dansvormen: country en morris dance; step- of clog dancing; Irish step dance; Schotse highland dance; etc.
Van de hornpipe is het aannemelijk, dat deze van oorsprong Engels is en hoewel men dit eveneens voor de jig aanneemt, bestaat er toch enige discussie. Een tijdlang werd aangenomen dat de oorsprong van het woord jig, Italiaans is. Grove's Dictionary of Music and Musicians (1962) meldde bijvoorbeeld aanvankelijk, dat de naam jig zou zijn ontleend van: giga, gigue of geige (een oud type viool) (Grove's, 1962). In A Dictionary of Old English Music and Musical Instruments (1923), meent de musicoloog Jeffrey Pulver echter, dat de naam jig niets met een bepaald muziekinstrument te maken heeft, en verwijst naar een noord-Europese oorsprong:

"The word Jig meaning a dance ... is to be traced to a Northern source via the [English] ballad meaning of the late Sixteenth Century"

(Williams, 1932)

In de recente uitgave van 'Grove's Dictionary' wordt op een eigenaardige manier verondersteld, dat het Engelse woord jig, afgeleid is van het Franse werkwoord 'giguer', dat dartelen, huppelen of springen betekent. Dit, terwijl het Franse, Duitse en Italiaanse woord resp. gigue, geige en giga juist zou zijn voortgekomen uit giga, het middeleeuwse woord voor vedel (Eng. fiddle):

"E come giga ed arpa in tempratesa, Di molte corde, fan dolce tintinno" (Dante's Paradiso, xiv.110)(New Grove, 1980)

Het woord jig (jigg, jegg) wordt in Engelse volksmuziek eveneens gebruikt voor melodieën die juist géén 6/8-maat of een andere twee- of driedelig maat met een tripletstructuur bezitten. Dit duidt op een meer algemene betekenis van het woord, dat 'dans', maar ook 'deun' betekent. Hetgeen we overigens ook terugzien in de betekenis van het Gaelische woord port dan tegenwoordig gangbaar is voor de betekenis van jig, doch aanvankelijk 'deun' of 'melodie' betekende. De beroemde schrijver William Sheakespeare refereert een aantal keren naar het woord jig:

Love's Labour Lost (ca. 1595): "Jigg off a tune"
Passionate Pilgrim (1599): "All my merry jigs are quite forgot"

W.H.G. Flood merkte in dit verband op dat 'to jig off a tune' hetzelfde is als lilten, of het zingen van een melodie met nietszeggende woorden of lettergrepen (zoiets als: 'la-la'). Dit lilten wordt nog steeds in sommige streken van Ierland en Schotland beoefend. Hieruit zou volgens hem gemakkelijk de conclusie getrokken kunnen worden, dat de jig en lilt resp. zijn afgeleid van de instrumenten geige (giga) en de lilt-pipe, zoals op gelijke wijze de hornpipe (dansdeun) van het gelijknamige instrument is afgeleid. Hierbij maakt Flood een etymologische vergelijking voor het Engelse woord choir (Ned.: koor) dat afkomstig is van de naam het onderdeel choir (Eveneens Ned.: koor (BGD)) van een kerkgebouw. (Flood, 1905)

De Ierse musicus, musicoloog en dansexpert Breandan Breathnach meldt eveneens dat het woord jig, afkomstig is van het Italiaanse woord giga, alhoewel het woord 'jigg' of 'gigg' reeds in Ierland en Engeland gemeengoed was, lang voordat de invloed van de Italiaanse barokmuziek zijn intrede deed.
Het idee, dat de muziek zelf uit Italië afkomstig is, wordt inderdaad niet door Breathnach gedeeld. Een mogelijke bron van een eventuele vergissing kan kan betrekking hebben op Turlough O'Carolan's fascinatie van de Italiaanse barokmuziek, die in zijn tijd in de mode was. Het misverstand is ontstaan, omdat enkele composities van hem onderdelen bevatten met het bijschrift 'jiga'. Doch de enige overeenkomst hiervan met de gangbare Ierse muziek, is het aantal maten en de 6/8-maat, doch verschilt zodanig van structuur en idioom, dat een Italiaanse oorsprong uitgesloten moet worden. Dit wordt nog eens bevestigd door het feit, dat de Ierse jigs al in Ierland werden gespeeld en gedanst toen O'Carolan (1670-1738) nog niet eens geboren was. Bovendien, lang voordat de Italiaanse muziek populair werd op de Britse eilanden, bestonden in Engeland reeds deunen die met Ierse jigs overeenkomsten hadden. (Breathnach, 1996)

Uit diverse bronnen valt op te maken dat de naam jig voor een Ierse dans reeds in de 16e eeuw bekend was. In een brief (1569) aan koningin Elizabeth I, toont Sir Henry Sidney zijn enthousiasme over het dansen van Ierse Jigs:

"dancing of jigs by the Anglo-Irish ladies of Galway....very beautiful, magnificently dressed, and first class dancers"

(Zie ook: Ierland, Schotland en het eiland Man - Jig)

Er is in ieder geval voldoende ruimte voor meer discussie, omdat ik tot nu toe nog geen eenduidige verklaring ben tegengekomen voor wat betreft de herkomst van de naam of de muziek. Gezien het specifieke idioom, die we in Ierland en Schotland ontmoeten (b.v. met betrekking tot de toegepaste toonmateriaal, tempo en structuur), dat totaal verschilt van de muziekstijl die we bij bijv. Engelse country dances tegenkomen, is het niet per definitie uitgesloten, dat de Ierse deunen in een tweedelige 6/8-maat, die men sinds enkele eeuwen jigs noemt, reeds lang bekend waren, alvorens de Engelse naam jig daaraan werd gekoppeld. Met andere woorden, een Engelse oorsprong van de Ierse en Schotse jig, staat allerminst vast. Zelf denk ik aan een convergente ontwikkeling. Hiermee bedoel ik een onafhankelijke ontwikkeling van een muzikale vorm met een soortgelijk resultaat. Deze veronderstelling wordt ingegeven door het feit, dat de levendigheid van een vlotte tripletten-ritme een intrinsieke eigenschap is. Een soortgelijk ritme treft men in eveneens bij andere, niet verwante traditionele dansen van andere culturen en tijdsperioden. Vergelijk in dit verband de equivalente vormen: muiñeira (Galicië), dérobée (Bretagne), saltarello (een 13e eeuwse Italiaanse springdans) en tarantella (Italië)
In dit verband is het volgende citaat van Shakespeare interessant, waarbij een onderscheid van de Schotse jig wordt gemaakt:

"Wooing is hot and hasty like a Scottish jigge"
(Much Ado about Nothing, acte 2, scène I, 1.78)(New Grove, 1980)

Eveneens is de veronderstelling Breandan Breathnach interesssant, namelijk dat de oudste Ierse jigs zouden zijn afgeleid van zeer oude clan-marches (marsen) of -liederen, of vanuit vanuit oude dansdeunen zijn omgezet (Breathnach, 1996)(O'Keeffes, Brien, 1902). De meeste Ierse en Schotse marches zijn inderdaad in een 6/8-maat, in looptempo, die gemakkelijk tot Ierse jigs zijn te stileren door eenvoudig het tempo te verhogen. Hetgeen een onafhankelijke ontwikkeling ten opzichte van Engelse jigs aannemelijk maakt.

Gigue

De gigue is een snelle barokdans in 4/4, 6/8, 12/8 of 3/8, waarvan men tegenwoordig aanneemt, dat deze is afgeleid van de Engelse jig. Zoals eerder gezegd zou, volgens Grove's Dictionary, de náám gigue niét van het woord jig afgeleid, maar van de naam van een oud type viool, de giga, geige. De dans was een onderdeel van de suite, een reeks van gestileerde dansen in dezelfde toonsoort in de periode van ca. 1650-1750, waaronder ook de allemande, menuet, courante en sarabande.

Voorbeeld van een gigue (uit de Watermusic-suite van G.F. Handel): YouTube filmpje; Gigue uit de Watermusic van G.F. Handel (Musica Aeterna, dir. Peter Zajicek); 2009

4. Mayday

Mayday of 'de eerste dag in mei', is een van oorsprong voor-christelijke zomer- of vruchtbaarheidsfeest. Dit feest komen we een aantal keren tegen bij het onderzoek naar de historische danscultuur in de Keltische en omringende gebieden. Daarom is het nuttig om hieraan wat extra aandacht te besteden. Hoewel de feestdagen rond de eerste dagen van mei, geen typisch Keltisch gebruik is, wordt het in sommige gevallen wel als een oude Keltische traditie aangemerkt:

Rond mayday bestaat een aantal gebruiken en rituele handelingen:

Tijdens de dans zijn (waren) diverse instrumenten in gebruik: fiddle (viool), doedelzak, crwth (Wales). Uit het onderstaande kwatrijn uit Browne's Pastorals uit 1625, blijkt het gebruik van de doedelzak (O'Neill, 1913):

"I have seen the Lady of the May,
Set in an arbour on a holy day,
Built by the May-pole where the jocund swains
Dance with the maidens to the bagpipe's strains"

Meifeesten komen eveneens, op één of andere manier algemeen voor in andere Europese landen. In Nederland en België wordt het nog in zeer beperkte mate gevierd, met name in Limburg, Schiermonnikoog (kallemooi), Denekamp (paastak) en Oost-Vlaanderen. In Scandinavië staat het in verband met de 'midzomernacht'. In Bretagne bestaat een beperkte vorm, met name in de zuidelijke kustgebieden van Cornouaille en Morbihan. In Pont-Aven wordt tijdens de mei-zondagen onder bloemenkransen gedanst, die over de straten zijn opgehangen. Het repertoire bestaat zowel uit de rondes jeux (kringdansen voor kinderen) als Bretonse traditionele dansen (Guilcher, 1976).

 Country-dancing om de mei-boom in de 'village green' (= dorpsplein, centrale openbare plaats in een Engels dorp of stadje).
(Randolph Caldecott (1846-1886).
Bron: Come Lasses and Lads, Project Gutenberg)

5. Gaelische termen inzake muziek en dans

In de loop van de geschiedenis zijn diverse betekenissen van een aantal Gaelische woorden veranderd, evenals een aantal termen, in de vorm van leenwoorden, is toegevoegd.

Ten eerste de ethymologie van vier Ierse aanduidingen voor 'dans'. Deze zijn damhsa en rince. Damhsa (Ned. uitspr.: DOW-seh, resp. RIN-ke) is afgeleid uit de gelijksoortige woorden dance (Engels) of danse (Frans). Rince is eveneens een leenwoord en komt van rink (Engels), dat schaatsen betekent. De woorden coír (coir, coire, cor, corr) en port (poirt, meervoud: puirt), hebben tegenwoordig respectievelijk de betekenis van de Ierse en Schotse dansdeunen reel en jig. Beide termen werden echter aanvankelijk gebruikt om het karakter van snelle, levendige harpmuziek aan te duiden. Edward Bunting geeft, enerzijds port de betekenis van een melodie/deun en anderzijds een oefenstuk (phurt: 'Time of Lessons'). Port rince had het kenmerk van een dansdeun.

Om een onderscheid te maken, tussen vocale en instrumentale muziek, wordt port tegenwoordig ook gebruikt om een instrumentale air ('lied zonder tekst') aan te duiden om daarmee een onderscheid te maken met amhrán ('lied met tekst'). Het laatste heeft echter de oorspronkelijke betekenis van een Gaelisch poëtisch metrum.

De volgende termen worden gebruikt voor: double jig (poirt dúbalta), single jig (poirt singil) en slip jig (poirt luascaigh)

Het Gaelische woord coir blijkt van oorsprong een zeer oude term voor harmonie (samenklank) te zijn, die reeds in de Brehon Laws, de vroeg middeleeuwse Gaelisch-Ierse wetgeving, genoemd werd. Mede in dit verband is het vermeldenswaard dat Bunting het aan woord 'cor' de betekenis geeft van bepaalde typen muziek, daarbij verwijzend naar de '24 Metra' van de Welshe cerdd dant (middeleeuwse bardische snaarmuziek van Wales), die eveneens een harmonische betekenis bezitten.

Het woord jig (Gaelische meervoud: jigeannaí) blijkt een punt van discussie. Door sommigen wordt verondersteld, te zijn afgeleid van giga, een oude Italaans dans, dat op zijn beurt weer genoemd zou zijn naar de giga (Italiaans) of Geige (Duits), een vioolachtig instrument. (Zie ook in de hier voorgaande tekst: jig).

Het Gaelische woord voor reel, ril (meervoud ríleanna) zou afkomstig zijn van het Angelsaksische rulla, dat werveling betekent. Andere letterkundig verwijzingen zijn het middelengelse woord relent (Webster's Dictionary), het Gaelische: righil of ruithil (Oxford English Dictionary). In verschillende Schotse bronnen treft men eveneens 'reill' aan.

De dans(-deun) hornpipe heeft twee Gaelische namen: cranncíuíl en cornphíopa (cornphipa, meervoud: cornphíopaí). De eerste is mogelijk afgeleid van de naam van het antieke Ierse idiofone instrument: craebh-ciuil. De laatste betekent letterlijk hornpipe, hetgeen weer is afgeleid van het gelijknamige rietinstrument. Zie ook: Historische instrumenten. Het feit dat dansen en deunen naar instrumenten zijn genoemd pleit ervoor, dat diverse melodieën aanvankelijk op de betreffende instrumenten zijn gespeeld. Ierse dansmuziek wordt tegenwoordig aangeduid met de term ceol rince (uitspr. ned. fon.: kjol-RIN-ke).
(Breathnach, 1996)(Flood, 1905)(Bunting, 1840)

6. Dans met zangbegeleiding

6.1 Carol

Zowel de dans, het lied en het gedicht hadden ooit een gezamenlijke herkomst. Hetgeen men terugziet in de volksdans, alwaar de dans aanvankelijk werd uitgevoerd onder de muzikale begeleiding van het lied, zodat de rol van instrumentalisten hierin blijkbaar minder belangrijk was. Een concreet voorbeeld hiervan was de carol.
In de 12e eeuw werd deze aanvankelijk aangeduid als een liefdesdans, die op de Britse eilanden door de Normandiërs was ingevoerd. Eveneens hiermee verwijzend naar de term 'caroling' waarmee de combinatie van zingen en dansen werd aangeduid. De dans is dikwijls in verband gebracht met 'May day'-vieringen en was bovendien favoriet bij de Franse adel.

Twee verwijzingen naar 'caroling' zijn gevonden in The Entrenchment of New Ross (c. 1270) (Seymour, 1970):

"Then the youths advanced in turn,
With their merry caroling;
Singing loud, and full of mirth,"

"and the crowd carolled and sung aloud."

Ten tijde van de verovering van Ierland door de Normandiërs, was de carol bijzonder populair in Normandië. Echter na slechts enkele eeuwen daarna, kreeg het zijn huidige betekenis is de Engelse taal, n.l. 'lied' (denk aan 'Christmas carol').

Voor Bretagne bestaat historisch gezien een aantal oude referenties, met name benoeming van kringdansen (rondes). Guilcher geeft in zijn werk vier verwijzingen hiernaar, waaronder naar de carole:

6.2 Kan ha diskan

Naast de instrumentale begeleiding, wordt de traditie van de gezongen muziek als ondersteuning van de dans, in Bretagne ruimschoots toegepast. Deze vocale technieken zijn:

De laatste wordt uitgevoerd door twee zangers, de kaner (zanger) en diskaner (tegenzanger). Beiden wisselen elkaar af door middel van een specifieke techniek. Hierbij begint de kaner met de eerste frase van het lied. De diskaner zingt pas in de laatste maat van deze frase mee en neemt vervolgens de tweede frase over. Hierna valt de kaner wederom op de laatste maat van de tweede frase in en neemt daarna de derde over etc.
(Guilcher, 1976)

6.3 Puirt-a-beul

De Schotse puirt-a-beul (uitspr.: poersjt-a-pjel) (noot 1) betekent letterlijk 'deun van de mond' en wordt ook wel mouthmusic genoemd. In Ierland bestaat een soortgelijke techniek, die lilting, jigging of dyedeling wordt genoemd. Deze zangtechniek is specifiek ontwikkeld voor de vertolking van de traditionele dansvormen, waaronder jigs, reels, hornpipes en strathspeys. De zanger maakt gebruik van een nonsens-tekst en betekenisloze lettergrepen, waarbij de klanken worden gecombineerd met Gaelische woorden en zinnen. Een puirt moet een zodanige sterke ritmische structuur hebben, dat slechts de woorden de dans kunnen vertolken. In dat geval zal de danser geen instrumentale begeleiding nodig hebben. De grootste uitdaging voor de zanger is het juiste moment van ademhaling. Er is een belangrijke regel, dat er geen concessies worden gedaan aan het ritme en de ornamentiek. Goede ademhaling stelt de zanger in staat om de juiste nadruk op de sterke maatdelen te leggen.

De oorsprong van mouth music is echter onduidelijk, maar zou een gevolg kunnen zijn geweest door het verbod van de 'pipes' na de opstand van 1745 in Schotland (noot 1). Anderzijds heeft de religieuze weerstand in het midden van de 19e eeuw, ten opzichte van muziekinstrumenten mogelijk een rol gespeeld.

6.4 Pandeiretada en pandeirada

Een typische begeleiding voor de dans in Galicië, komt vaak voor in de vorm van zang in combinatie met het geluid van de tamboerijn (pandeireta) of andere percussie-instrumenten. De term pandeiretada is een algemene term voor muziek met een tamboerijnbegeleiding. Voorbeelden hiervan zijn de muiñeira vella, regueifa en maneos. De vorm pandeirada of canto de pandeiro, behoren in dit verband tot oudste stijlen van de traditionele volksmuziek en -dans van Galicië. (Pandeireta = tamboerijn , pandeiro = lijsttrom, ook: tamboerijn).

7. Marsmuziek

Alhoewel de mars- of parade- muziek moeilijk binnen de context van dans valt te classificeren, is dit onderdeel vanuit muzikaal opzicht in samenhang met dansmuziek bespreekbaar. Marsmuziek (Engels: 'marches') is evenals dansmuziek regelmatig van structuur, en heeft een looptempo als basis. Men onderscheid daarin langzame en snelle marsen. Het is daarom niet verwonderlijk dat sommige muziekstukken die de naam 'mars' ('march') dragen, tot dansen kunnen uitnodigen.
De oorsprong van marsmuziek wordt in het algemeen geassocieerd met een militaire functie, doch in de loop der tijd werd de muzikale compositie 'an sich' van belang. Zo is er reeds marsmuziek uit de 16e en 17e eeuw opgenomen in b.v. 'My Ladye Nevells Booke' (1591) en het 'Fitzwilliam Virginal Book' (ca. 1630) voor de virginaal. Zo rond de jaren 1780 vond er een renaissance plaats met betrekking tot de expressie in de Engelse marsmuziek. Deze ontwikkeling bleek echter niet van militaire aard te zijn, doch vanuit de muziek zelf. Tijdense de oorlogen van Napoleon hebben zich diverse bekende componisten zich op marsmuziek toegelegd, zoals Joseph Haydn, Thomas Busby, John Wall Callcott, Willam Crotch en anderen (Grove's, 1962).

In het begin van dit artikel is reeds de veronderstelling van Breandan Breathnach besproken dat een deel van de oudste Ierse jigs van zeer oude clan-marches zouden zijn afgeleid. Gezien de 6/8-maatvoering van deze marsen is dit erg plausibel. Het is in dit verband opvallend dat, de als Ierse jig bekend staande 'Merrily Kissed the Quaker', een overwegend mars-karakter heeft. De in Ierland geboren Amerikaans politieofficier, die bekend staat om zijn diverse publicaties van en over Ierse muziek, Francis O'Neill (1848-1936) publiceerde in 1907 O'Sullivan's March onder de categorie 'double jigs' (O'Neill, 1907).

Een aantal Ierse marches is opgenomen in Francis O'Neill's publicaties, waarbij, in de Gaelische titels het woord 'triall' of 'triallta' (letterlijk: mars, reis, tocht) wordt gebruikt: Triall Bhrian Borumha (Brian Boru's March); Triall Mhic Allistair (Allistrum's March); Triall Na Camanteoireaḋ (The Hurler's March); Triall Shean Ui Niall (Shane O'Neill's March) (O'Neill, 1903) en Triallta Ui Suilleabhain (O'Sullivan's March) (O'Neill, 1907). Tegenwoordig zien we de toevoeging 'máirseáil' (letterlijk het werkwoord 'marcheren', Engels: to march), bijvoorbeeld Máirseáil Uí Shúilleabhan (O'Sullivan's March); Máirseáil Ri Laoise (The March of the King of Laois); Máirseáil Alasdroim (MacAllistrum March) en Máirseáil Uí Néill (O'Neill's March) en Máirseáil Bhriain Borumha (Brian Boru's March).

Nationale marsmuziek is een belangrijk onderdeel van het repertoire van de huidige pipe-bands in Schotland, Ierland, Bretagne (bagad, meervoud: bagadoù) en Galicië (bandas). Alom bekend is de mars 'Scotland the Brave'. Afgezien van de nationaal-culturele invulling, treft men tegenwoordig Schotse pipe-bands met een dito repertoire wereldwijd aan.
(Zie ook het hoofdstuk Cultuur en cultuurhistorie: Traditie van de doedelzak in de Keltische gebieden.)

Een bekende nationale mars van Wales is de 'Men of Harlech' (Rhyfelgyrch Gwŷr Harlech), deze is voor het eerst gepubliceerd in 1794 onder de titel 'March of the Men of Harlech' (Gorhoffedd Gwŷr Harlech) in de tweede editie van Edward Jones' 'The Musical and Poetical Relicks of the Welsh Bards' (p. 124). Het is echter aannemelijk dat deze melodie veel ouder is.

Verschillende Ierse muziekbands hebben diverse oude 'clan-marches' in hun repertoire, bijvoorbeeld de The Chieftains met O'Sullivan's March, die voor de film Rob Roy (Michael Caton-Jones, 1995) werd gebruikt, verder de 'MacAllistrum's March', alsmede door verschillende artiesten uitgevoerd 'The March of the King of Laois'. Evenals de zeer oude, vaak op de harp gespeelde mars-air, de 'Brian Boru's March'. Van de laatste is noch de oorsprong, noch de ouderdom bekend, alhoewel de z.g.n. double-tonic structuur (alternerende niveau's van melodische frasen in zowel melodisch als harmonische opzicht), zeer archaïsch overkomt. Francis O'Neill zegt in zijn Irish Minstrels and Musicians het volgende hierover (O'Neill, 1913).

"Coming down to still more recent times, we have the opinion of the distinguished German traveler, Kohl. Who published a work on Ireland in 1844. Speaking ot [sic] his visit to the residence of a gentleman at Drogheda, he says: "The harp was brought in and a blind young harper advanced who was, I was told, one of the most accomplished harpers in the neighborhood; and in fact his music enraptured us all. The first piece he played was 'Brian Boru's March'." The music of this march is wildly powerful, and at the same time melancholy.
It is at once the music of victory and of mourning. The rapid modulations and wild beauty of the airs was such that I think this march deserves fully to obtain a celebrity equal to that of the 'Marseillaise’ and the 'Ragotsky'."

[CHAPTER IX. HISTORIC ESTIMATE OF IRISH MUSIC, p.99]

"Little need be said of a martial tune so well known as 'Brian Boru’s March', unless we might point out that its structure and rhythm would seem to indicate an origin much later than the eleventh century. An appreciation from the pen of Kohl, the German traveler who heard it played on the harp at Drogheda in 1843, cannot fail to be of interest. 'The music of this march is wildly powerful and at the same time melancholy. It is at once the music of victory and of mourning. The rapid modulations and wild beauty of the air was such that I think this march deserves full to obtain a celebrity equal to that of the 'Marseillaise' and the 'Ragotsky'."
[CHAPTER XII. IRISH FOLK MUSIC EXEMPLIFIED, p. 122/23]

O'Neill deed ook nog eens de suggestie dat Brian Boru's March geschikt was voor de uitbeelding van een krijgsdans, de Droghedy March of Dancing Drogheda:

"New entirely obsolete, was described at much length by Patrick Kennedy in his Banks of the Boro. It was danced by six men or boys, each wielding a stout shillaleh. They kept time to the music with feet, arms, and weapons, and with their bodies swaying right and left. In the progress of the pantomime the movements became more complicated, and assumed the appearance of a rhythmic fencing or battle. This mimic war dance was performed to stately music, such as 'Brian Boru's March."
[CHAPTER XXX. ANCIENT IRISH DANCES, p. 427]

"By a peculiar combination of circumstances not a piper or fiddler was available to play at the Wedding of 'Mickey' Donovan’s daughter 'Biddy' to 'Morty' Maguire, away back in the year 1840, when by unexpected good luck, who should come along but a strange piper. He was a thin, spare, plaintive-looking, under-sized man, much bent by age or sorrow, or perhaps by a mingling of both. Being stone blind, he was led by a pretty, sunny-haired little maiden not yet in her teens.......He played again the bold brave notes of 'Brian Boru's March', and the women stamped their feet to the tune and hoisted their little ones in the air, and when he finished they gave so loud a cheer that it animated the old man to an encore of the national march, and all the time the famous author was deeply pondering at the marvel of finding the 'silent piper' of Bannow, County Wexford, after a lapse of so many years in the town of Kinsale, County of Cork."
[CHAPTER XXXI. IRISH PIPERS IN LITERATURE AND OTHER STORIES, p. 457/8]

Er bestaat een kleurrijk verslag van een uitvoering van Brian Boru's March in 1861 te Dublin, door de laatste blinde harpspeler Patrick Byrne (ca. 1794 - 1863). De uitvoering was een uitgebreide variatie met gesproken titels met betrekking tot het verloop van de slag van Clontarf in 1014. Dit verslag is gepubliceerd door D.H. (?); The Blind Irish Harper; The Emerald, vol 2 no.33, sept. 19th 1868; New York; p.108-109. De tekst is herdrukt door Francis O’Neill in 1913 in zijn Irish Minstrels and Musicians (O'Neill, 1913) en in 1983 door Ann Heymann.
(N.B. O'Neill meldt dat de betreffende uitgave van The Emerald in 1870 was en dat Byrne's uitvoering in 1860 plaatsvond.):

"Byrne's command of the harp was complete, the writer tells us. His touch was singularly delicate yet equally firm. He could make the strings whisper like the sigh of the rising wind on a summer eve, or clang with a martial fierceness that made your pulses beat quicker. After quaffing a generous tumbler of punch, he would say, "Now, ladies and gentlemen, I am going to play you the celebrated march of the great King Brian to the field of Clontarf, when he gave the Danes such a drubbing. The Irish army is far off, but if you listen Attentively you will hear the faint sound of their music." Then his fingers would wander over the upper range of strings with so delicate a touch that you might fancy it was fairy music heard from a distance. Anything more fine, more soft and delicate than this performance, it is impossible to conceive. "They are coming nearer!" And the sound increased in volume. "Now here they are!" And the music rolled loud and full. Thus the march went on; the fingers of the minstrel's right hand wandering farther down the bass range. You find it hard to keep your feet quiet, and feel inclined to take part in the march music assumes a merry, lightsome character, as if it were played for dancers. "Rejoicing for the victory!" But this abruptly ceases; there is another shriek and dischord, jangling and confusion in the upper bass stings. The harper explains as usual, "They have found the old King murdered in his tent." Then the air becomes much slower and singularly plaintive. "Mourning for Brian's death." There is a firmer and louder touch now, with occasional plaintive effects with the left hand. "They are marching now with the brave old King's body to Drogheda." The music now assumes a slow and steady tone, the tone is lowered, and grows momentarily louder and louder, till finally it dies away...And all these marvellous effects are produced upon what is used as a simple dance tune in the south of Ireland."
[CHAPTER VII HARPERS OF NOTE, p.81/2]

Zie Youtube filmpjes:
The Chieftains - O'Sullivan's March
Mario Lipparini (folkharp) - MacAllistrum's March
Dan Ar Braz - King of Laois
The Chieftains - Brian Boru's March
Planxty - Merrily Kissed the Quaker

8. Annotaties en geraadpleegde bronnen

8.1 Voetnoten

  1. Andere naamsequivalenten, die ik ben tegengekomen (auteur BGD) zijn Iers: portaireacht bhéil (port a'bhéil); Manx: purt-e-beayll; Uist: puirt-a-bial.
    Er bestaat een aantal folkloristische verklaringen, echter zonder historisch bewijs. Zo zou het Ierse 'lilting' zou zijn ontstaan tijdens de Engelse overheersing, toen het de Ieren werd verboden hun eigen dansmuziek te spelen of daarop te dansen. Een soortgelijk, doch zeer onwaarschijnlijk, verhaal bestaat ook voor de Ierse stepdance-stijl, waarbij het bovenlichaam bewegingsloos blijft en slechts de benen bewegen. Als de dans binnenshuis werd uitgevoerd, kon deze niet buitenshuis door een voorbijganger worden opgemerkt.

8.2 Geraadpleegde bronnen

Literatuur

Www

9. Aanvullende informatie

9.1 Media

9.2 Websites