[Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Laatste update: 21-01-2017][Hoofdstuk: Vormen en technieken][Gebruiksvoorwaarden]

"These Harmonies must impress any Musician when he realizes that they were in use, I am convinced of it, at least a thousend years before our present System of Harmony timidly made its appearance at the end of the 16th century."

Arnold Dolmetsch in zijn 'Translations from the Penllyn Manuscript of Ancient Harp Music', 1937

Cerdd dant. Deel 1: Achtergronden en historische bronnen

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Inleiding
    1. 1.1 Wat is cerdd dant?
    2. 1.2 Bronnen van muzieknotaties
    3. 1.3 De drie instrumenten voor cerdd dant
    4. 1.4 Eisteddfodau en het Statuut van Gruffudd ap Cynan
    5. 1.5 Mesur
    6. 1.6 Het 'double-tonic'-principe
    7. 1.7 Cyweiriau
    8. 1.8 Uitvoeringen en muziekopnamen van cerdd dant
  2. 2. De compositievormen en het repertoire van cerdd dant
    1. 2.1 Compositievormen
    2. 2.2 Beproevingen
    3. 2.3 Instrumentale begeleiding voor de poëtische declamatie of zang
    4. 2.4 De componisten van het Robert ap Huw-manuscript
  3. 3. Vroeg historisch materiaal en associaties met Ierland
    1. 3.1 Inleiding
    2. 3.2 De Wet van Hywel Dda
    3. 3.3 Overgeleverde documentatie met betrekking tot cerdd dant
    4. 3.4 Gruffud ap Cynan
    5. 3.5 Meer associaties met Ierland
  4. 4. Appendices
    1. 4.1 Appendix A: Overzicht van historische bronnenmateriaal met betrekking tot cerdd dant
    2. 4.2 Appendix B: mesur voor de crwth
    3. 4.3 Appendix C: repertoirelijsten en overzicht van tabulaturen
  5. 5. Geraadpleegde bronnen

Zie voor het vervolg: Cerdd dant. Deel 2: Het Robert-ap-Huw-manuscript: de stemming, temperering en speeltechniek

(Met dank aan Peter Greenhill voor de nodige suggesties en verbeteringen in de tekst)

1. Inleiding

1.1 Wat is cerdd dant?

Een 16e-eeuwse houtsnijwerk met een Welshe voorstelling van een crwth- en harpspeler. Deze bevindt zich op een kastpaneel in het Cothele House in Cornwall.
De algemeen aanvaardde vertaling die men voor de oud-Welshe term cerdd dant toepast is 'kunst der snaren'. In het Engels spreekt men dan van 'craft of the strings'. In letterlijk zin valt het te vertalen als 'snaarmuziek'. Het betreft hier een kenmerkende inheemse seculaire muziektraditie van Wales, die zich volledig onafhankelijk van continentale invloeden heeft ontwikkeld. Geheel met een eigen kenmerkend harmonisch systeem van akkoorden, lang voordat de akkoordenharmonie in het continentale Europa zijn opwachting maakte. Peter Crossley-Holland gebruikte in dit verband de term, die het dichtst bij dit harmonisch systeem benaderde, maar de lading niet helemaal dekt: 'secular homophony' (Crossley-Holland, 1942). Het is aangetoond dat bepaalde opvallende kenmerken overeenstemmen met die in piobaireachd, de kunstmuziek voor de Great Highland Bagpipe die sinds het einde van de 16e eeuw was geïntroduceerd (zie hiervoor het onderdeel: Vormen en Technieken: Piobaireachd).

Cerdd dant en zijn poetische tegenhanger cerdd dafod, 'kunst der spraak' (Eng.: 'craft of the tongue'), behoorden namelijk tot de middeleeuwse bardische traditie. Daarbij lijdt het geen twijfel dat juist deze muziek en poëzie tot het genre behoorde, dat voor de adel en de prinselijke voorvaderen van het hof bestemd was. De uitoefenaars van de kunsten verkregen een meesterschap door middel van een zware opleiding. De professor in de muziek, die de bevoegdheid had om les te geven had de titel athro (meerv. athrawon). De meester in de muziek of pencerdd (meerv. penceirddiaid), kon deze bevoegdheid verkrijgen. Een meester in, zowel in de muziek als dichtkunst was pencerdd y ddwygerdd.

Ondanks dat er veel geschreven middeleeuwse bronnen van de bardische dichtkunst bestaan, is dit niet het geval voor de muziek. Geschreven bronnen over cerdd dant gaan echter niet verder terug dan de 14e eeuw tot enkele eeuwen later, namelijk tot het einde van de 16e eeuw - begin 17e eeuw. (Zie een overzicht van deze primaire bronnen in Appendix A.) Veel waardevolle referenties met betrekking tot de muziek en de terminologie ervan, vindt men terug in de poëtische teksten van de middeleeuwse Welshe dichters. Sommige van deze dichters waren zowel musicus als poëet, waaronder Gruffud ab Adda, Dafydd ap Gwilym en Gruffudd Gryg (Harper, 2007).

Cerdd dant, ondanks dat het tot het einde van de 17e eeuw tot de mainstream van de kunstmuziek behoorde, ondervond uiteindelijk een teloorgang tengevolge van de continentale invloeden, waarin de harmonie van de barok de Britse eilanden bereikte. Tegenwoordig kunnen we cerdd dant feitelijk beschouwen als een dode muziektraditie, die tegenwoordig door groeiende wetenschappelijk inzichten, betrouwbaar gereconstrueerd kan worden. Over de uitwerking en moderne inzichten rond de ontcijfering van de tabulaturen vindt u meer informatie in de vervolgartikelen: Cerdd dant. Deel 2. Het Robert-ap-Huw-manuscript: de stemming, temperering en speeltechniek. en Cerdd dant. Deel 3: Het Robert-ap-Huw-manuscript: maatvoering en ritme, waarin met name het werk van Peter Greenhill (Greenhill, 1995-2000, dissertaties) centraal staat.

1.2 Bronnen van muzieknotaties

Er is slechts een tweetal bronnen bekend waarin de muziek zèlf is genoteerd. De belangrijkste is een manuscript dat zich in de British Library van Londen bevindt als Lbl MS Addl. 14905, beter bekend als het Robert ap Huw-manuscript (RaH-MS). Dit manuscript is gedateerd via vermelding van het jaartal 1613 in de tekst zelf. Het bevat o.a. materiaal dat is overgenomen van de meester-harpist Wiliam Penllyn (fl. ca. 1550-1570), één van de vijf athrawon, die hun titel tijdens het Caerwys eisteddfod van 1567 verkregen. Dit document is door één van de laatste bardische harpspelers, Robert ap Huw (c.1580-1665), gekopieerd en bevat hoofdzakelijk tabulaturen voor de harp. Verder lijsten met titels van verloren gegane muziekstukken en overzichten van speeltechnieken, de mesurau (vrij vertaald: 'metrums'), de z.g.n. cyweiriau (woord met meerdere betekenissen, waaronder stemmingen/intonaties) en voorzien van extra toevoegingen door de latere eigenaars van het document, Lewis Morris van Anglesey (1701-1765) en zijn jongere broef Richard Morris.

Het tweede manuscript is van latere datum, dat bekend staat als Lbl MS Add. 14970 of het Iolo-Morganwg-manuscript. Deze is uitgeschreven door de illustre dichter, antiquair, verzamelaar en auteur Edward Williams (Iolo Morganwg, 1747-1826). Dit manuscript bevat een kleine collectie aan harptabulaturen (fol. 3r-8r), die sterke overeenkomst vertonen met die uit het Robert-ap-Huw-manuscript. Uit het titelblad blijkt het jaartal 1800 en het bijschrift dat de tabulaturen zijn overgenomen uit boeken, die eigendom waren van dichter Rhys Jones (1718-1801) van Y Blaenau, Llanfachreth, Merionydd, wiens originele collectie verloren is gegaan. Overigens is het is niet uitgesloten dat deze tabulaturen afkomstig zijn van een 'verloren boek' van Robert ap Huw.

Het is zeker dat er andere bronnen van Welshe tabulaturen hebben bestaan. Het was Lewis Morris, die voor het eerst de melding maakte dat Robert ap Huw zijn materiaal uit een boek had gekopieerd, dat eigendom was van de harpist Wiliam Penllyn (RaH-ms, p. 22) (transcriptie en vertaling Daniel Huws)(Huws, 2004):

"Yma Canlyn y Pedwar Kwlwm Cydgerdd ar Hugain. Wedi ei prikio allan o lyfr Wiliam Penllyn."

Here follow the 24 clymau cytgerdd which have been written out from the book of Wiliam Penllyn

Later voegde Morris het volgend eraan toe: "This is in Meyrick's manuscript" (Huws, 2004), daarbij verwijzend naar Owen Meyrick van Bodorgan op Anglesey (1682-1760). Hieruit zou men kunnen afleiden dat de bron van Penllyn, tijdens het begin van de 18e eeuw ook in de bibliotheek van Bordogen aanwezig was. John Owen, de neef van Morris beweerde later dat hij had vernomen dat er meer van 'dat soort boeken' daar aanwezig waren. Het is niet onwaarschijnlijk dat Robert ap Huw, die zijn leven lang op Anglesey woonde, zijn kopieerwerk in Bodorgan uitvoerde. Hij zou minstens twee boeken met muziek hebben gevuld. In het manuscript op de pagina's 102-105 en pag. 112 geeft hij lijsten van titels van een groot aantal stukken, clymau, cadeiriau en colofnau, terwijl hij een afzonderlijke inventaris van 22 caniadau op p. 106 geeft (WMH. Vol. 3):

"henwau bagad o ganiadau sydd genyf gwedi i prikio yn y llyfr yma ag mewn llyfr arall hefyd"

"the names of a collection of caniadau which I have copied in this book and in another book too"

De harpist Robert ap Hywel Llwyd van Ruthin, was als leerling vermeld in de lijst van Aberffraw (Angelesey) van ca. 1562-64 (AB MS 17116B = Gwysaney 28). Hij is bij zijn dood herkend als één van de beste athrawon, maar wordt daarnaast geassocieerd met het kopieëren van muziek, blijkens een elegie dat voor hem is geschreven door de dichter Wiliam Cywal (†1587/88) specifiek met betrekking tot 'pricking' of het uitschrijven van muziek of het uitschrijven van muziek in de regio van Conwy (Noord-Wales).

Daniel Huw, specialist op het gebied van Welshe manuscripten wijst op beweringen van latere antiquaars, die suggereerden dan er andere boeken hebben bestaan die nu zijn verdwenen.
Zo beweerde de antiquaar-plantkundige Edward Lhuyd (1660-1709) dat Humphrey Humphreys (1648-1712), bischop van Bangor en Hereford, eigenaar was van 'a booke of olde Welshe music'.
William Jones van Llangadfan (1726-1795) had folia van een manuscript onder ogen gekregen met ongeveer vijftig stukken, alsmede een index met titels en een inleiding. Hij schreef in ca. 1790 een brief naar Edward Jones ('Bardd y Brenin)(Huws, 2004)(AB MS 171E, t.36):

"I am of the opinion that the antient MS. of British music which you have in London [presumably the Robert ap Huw MS, known to Edward Jones] is not the same that I saw in possession of the late Mr E Evans [Evan Evans] in Llanfair Dolhaiarn, & belonged to Mr Davies of Llanerch near St. Asaph. That was a folio & contain'd about 50 pieces with an index of their names, & an introduction prefixt. I imagined that it might be written about the time of Queen Elizabeth. It contains two parts, each prick'd on a scale of six lines, not with such notes as now in use, but with letters or some marks resembling letters."

Harper suggereert dat de 'scale of six lines' aangeeft dat het niet onmogelijk is dat iemand heeft geprobeerd om de tabulaturen van cerdd dant op een zodanige wijze te noteren dat het meer op een luittabulatuur ging lijken (Harper, 2007).

Naar boven

1.3 De drie instrumenten voor cerdd dant

Voorstelling van een Ierse harpspeler uit een kopie van de Topographia Hibernica van Giraldus Cambrensis. (National Library of Ireland, Dublin, I-Dn MS 700. Ca. 1200.
Giraldus Cambrensis (Gerald van Wales, Gerald de Barry) (ca. 1146- ca. 1223) was schrijver, geschiedkundige en geestelijke. Zijn vader, William de Barry behoorde tot de meest machtige edelen in Wales.

Giraldus noteerde zijn muzikale getuigenissen in Ierland en Wales, in drie in het Latijn geschreven werken, de Topographia Hibernicæ ('De topografie van Ierland', 1187), Descriptio Kambriæ ('De beschrijving van Wales', 1194) en Itinerarium Cambriæ ('Reis door Wales', 1191). In deze werken beschreef hij zijn ervaringen gedurende de jaren 1180/90, waarin hij o.a. de kunde van de Ierse en Welshe musici prijsde.

In zijn Topographia Hiberniæ doet hij melding van een waardevolle opsomming van muziekinstrumenten, die in Ierland, Wales en Schotland in gebruik waren:

"..Hibernia quidem tantum duobus utitur et delectatur instrumentis; cithara scilicet, et tympano. Scotia tribus; cithara, tympano, et choro. Wallia vero cithara, tibiis, et choro. Æneis quoque utuntur cordis, non de corio factis."

..In Ierland vindt men er genoegen in bij het gebruik van slechts twee instrumenten, de harp (cithara) en de timpan (tympano). Schotland gebruikt er drie, de harp, de timpan en de crwth (chorus). Wales gebruikt de harp, pipes en crwth. Ook maken zij gebruik van snaren die van messing zijn gemaakt, niet van darm.

In de andere bron van Cambrensis Itinarium Kambriae ('Reis door Wales') wordt gesproken over cornhiriez, een term die is afgeleid van cornu (hoorn) en hir, dat 'lang' betekent.
Van de enorme keur aan instrumenten die tijdens de middeleeuwen beschikbaar waren, waren slechts enkele die voor cerdd dant werden aangewend.

Een grotere verscheidenheid aan instrumenten wordt genoemd in het oudst bekende geschrift over de bardische traditie, AB Peniarth 20 (ca.1330). Hierin wordt melding gemaakt van de volgende hoofdkunden (prifgerddau) in de vorm van de 'triaden der muziek' (trioedd cerdd) (Harper, 2004)(Harper, 2007):

"Tri ryw brifgerd ysyd, nyt amgen: kerd dant, kerd vegin, a cherd dauawt.
Teir prifgerd tant ysyd, nyt amgen: kerd grwth, kerd delyn, a cherd timpan.
Teir prifgerd megin ysyd, nyt amgen: organ, a phibeu, a cherd y got.
Teir prifgerd tauawt ysyd: prydu, a dachanu, a chanu gan delyn."

"Er zijn drie hoofdkunden, namelijk: de snaarmuziek, de blaasmuziek, en muziek van de spraak.
Er zijn drie hoofdkunden van snaarmuziek, namelijk: crwth-muziek, harpmuziek, en timpanmuziek.
Er zijn drie hoofdkunden van blaasmuziek, namelijk: orgel-, pijp-, en doedelzakmuziek*.
Er zijn drie hoofdkunden van de spraak: het maken van poëzie, reciteren, en het meezingen met de harp."

(*De doedelzak wordt in het Welsh aangeduid met: pibgod, cotbib of pibau cŵd.) (vertaling uit het Engels BGD)

Uit dit overzicht blijkt de aanzienlijke status van de cerdd dant, naast de andere hoofdkunden van de instrumentale muziek, cerdd vegin ('kunst van de wind' of blaasinstrumentmuziek). De cerdd-dant-instrumenten zijn de harp (of lier), crwth en timpan.
De kunst der poëzie, cerdd dafod omvat in dit verband een duidelijk muzikaal element en verlangde een veelzijdigheid van de dichter. Het was niet louter de kunst van het componeren van gedichten (prydyddu), die vereist werd, maar ook de kunst van het reciteren (datganu) en het zingen van poëzie, waarbij men zichzelf op de harp begeleid (canu gan delyn).

Naar boven

Harp (telyn)

De 15e eeuwse diatonische Ierse 'Trinity College'-harp (30 snaren), is een voorbeeld van een cláirseach.
Evenals Ierland en Schotland, heeft Wales een rijke historische harptraditie, waarbij het vaak de gewoonte was om een aantal kenmerkende verschillen aan te geven, zodat men de Ierse/Schotse en de Welshe harp van elkaar kan onderscheiden. Dat zijn de vorm van het instrument en de besnaring ervan. Men ging er altijd vanuit, dat van de vroegste harpen, uitsluitend de Ierse en Schotse cláirseach/clàrsach met metalen snaren ('wire strung') waren toegerust. Elders in het middeleeuwse West-Europa zouden de zgn. Gothische harpen met darmsnaren ('gut strung') in gebruik zijn geweest, zodat men aannam, dat de vroege Welshe harpen (telynnau, enkelv.: telyn) aanvankelijk darmsnaren hadden, en later snaren, die van paardenhaar (telyn rawn, 'hair-strung harp') waren gemaakt. (Deze snaren werden vervaardigd door bundeltjes van paardenstaarthaar in elkaar te vlechten.) Zo ook de zgn. 'Bray Harp'. (Zie Cultuur- en muziekhistorie: Traditie van de harp en harpachtige instrumenten in de Keltische gebieden: De 'Bray Harp')

Volgens Peter Greenhill doen er zich echter feiten voor, die aantonen, dat de vroege Engelse en Welshe harpen eveneens van metalen snaren waren voorzien (Greenhill, 2004, webessay). Het is daarom de vraag of de uitvoering van het instrument werkelijk een Ierse uitvinding is (gezien de term 'Gaelische harp'), zoals vaak wordt gesuggereerd, mede gezien het feit dat elders in Europa eveneens harpen met metalen snaren hebben bestaan. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de harp, volgens het 'Ierse model', dat wil zeggen een klein instrument met de kenmerkende robuuste bouw, een pilaar met een T-vormige doorsnede ('T-brace') en de typische kam, met zekerheid ook in Engeland, doch ongetwijfeld ook in Wales, bekend was. Voor wat betreft de iconografie zijn er meerdere afbeeldingen in Engeland bekend, waaronder middeleeuwse sculpturen van het 'Ierse model' in de Lincoln Cathedral (Lincoln, Lincolnshire), alsmede een afbeelding uit 1380 in de St. Mary's Church in Ware en een middeleeuwse afbeelding in Westminster Abbey. (Zie ook de externe site: The History of the harp in England).

Uit de oude bardische dichtkunst van Ierland is het bekend, dat men vaak aan de harp en aan muziek in het algemeen, een betoverende kracht toekende. Een groot aantal Welshe dichters beschrijft de puurheid, brillantie, zoetheid en helderheid, alsmede het bel-achtige geluid van de harp. Daarnaast was het niet ongebruikelijk om vervoegingen te gebruiken, die betrekking hadden op metallische eigenschappen van de snaren: aur dannau ('gouden snaren'), goldwir ('gouddraad') en arianllais telyn ('zilveren stem van de harp'). In dit verband geeft Greenhill aan dat een belangrijk gedicht uit ca. 1495, gecomponeerd door Owain ap Llywelyn ab y Moel, melding maakt twee soorten snaarmateriaal, één soort zonder naam (ongetwijfeld brons of messing), die voor de hoge tonen werd aangewend en voor de overige snaren goldwir of gouddraad. De samenstelling en de bijbehorende fysische eigenschappen van de diverse goudlegeringen zijn tegenwoordig goed bekend, hetgeen door modern onderzoek door de harpiste Ann Heymann en anderen na haar, is aangetoond. Het goudgehalte blijkt een positieve invloed op de klank te hebben, terwijl de snaren vrij dun mogen zijn.

Eén van de sculpturen van de Lincoln Cathedral, met de afbeelding (1275) van een harp met een z.g.n. Ierse vorm.
Foto: Alison Stones. Gevonden op: Images of Medieval Art and Architecture website.
Een 'Ierse harp' op een detail van een middeleeuwse vierluik van Westminster Abbey (flickr.com/groenling)
De toepassing van het type snaren blijkt sterk bepalend te zijn van het soort muziek dat op de harp moet worden gespeeld. Feitelijk waren er twee soorten van harpspel te onderscheiden, namelijk de instrumentale begeleiding ter ondersteuning van een vocale uitvoering van een gedicht en ten tweede de zuivere instrumentale muziek. Greenhill geeft in dit verband aan, dat er geen twijfel bestaat dat de lier, die was voorzien van snaren van paardenhaar (telyn rawn) aanvankelijk het instrument was om de vocale uitvoering te begeleiden, doch gedurende de 14e eeuw door diverse harpen met paardenhaar-snaren, werd vervangen.
De lier moet daarnaast een belangrijke rol hebben gespeeld als instrument in proto-cerdd dant en proto-piobaireachd (Greenhill, 2015), daarbij doelend op een instrument dat met de Ierse term cruit wordt aangeduid. Deze naam werd uiteindelijk voor diverse harpachtige snaarinstrumenten aangewend, waarvan het aantal snaren niet altijd nader werd genoemd, hetgeen onduidelijkheden voor wat betreft de exacte identiteit opleverde. Zo bestaat de mogelijkheid dat de term cruit eveneens werd aangewend voor de metaalsnarige harp, de cláirseach (Breathnach, 1996). Uit de oudste bronnen is het echter bekend, dat hier sprake is van een negensnarig muziekinstrument (Greenhill, 2015)(Buckley, 1978). Een instrument met zo weinig snaren, moet als een lier worden beschouwd en niet als harp. Eén en ander blijkt bijvoorbeeld uit Agallamh na Seanórach (Tales of the Elders) uit het 'Book of Lismore' (Royal Irish Academy, Dublin RIA MS 23 P 2)(fol. 130a 2)(Stokes, Windisch, 1900. Eindnotensectie, p. 308):

3793: cruite nuabinde náethétacha; 'fresh-melodious, nine-stringed harps' [lees: lieren]. Naethétach = (ἐννεάχορδος [enneachordos]), not 'dulcet-chorded'.

Het reeds genoemde ooggetuigeverslag van Giraldus Cambrensis in zijn Topographica Hiberniæ, geeft een duidelijke indicatie over de toepassing van messing- of bronzen snaren in drie landen, die dezelfde muziek met elkaar deelden, namelijk Ierland, Schotland en Wales:

"...Æneis quoque utuntur cordis, non de corio factis."
"Zij speelden op bronzen snaren in plaats van snaren die van darmen zijn gemaakt."

Volgens Greenhill is het belangrijkste bewijs, dat voor de instrumentale muziek een harp met metalen snaren werd aangewend, direct uit het Robert-ap-Huw-manuscript valt af te leiden. Eén en ander kan als volgt worden geresumeerd:

Het is een gegeven, dat de muziek in het RaH-MS betrekking heeft op een klein instrument met slechts vijfentwintig metalen snaren. De mechanische spanning die zo'n instrument kan verdragen is minder groot dan de oudste nog bestaande metaalsnarige exemplaren, die nog eens met vier extra snaren in het lage toongebied zijn toegerust. Dit zou betekenen dat dit Welshe instrument minder robuust was, waarbij b.v. de T-vormige doorsnede van de pilaar ('T-brace') mogelijk niet nodig was. Peter Greenhill pleit daarom voor een herwaardering van sommige vroegere voorbeelden van Welshe en Engelse harpen, waarvan men aanvankelijk aannam, dat zij niet metaalsnarig waren. Hij suggereert een harp met robuuste bouw en voorzien van een, bijvoorbeeld op een 'barok'-type lijkend, frame. (Greenhill, 2004, webessay)

Greenhill heeft bewezen dat de tabulaturen van het RaH-MS op slechts één enkelvoudige stemming van een harp met 25 snaren zijn gebaseerd. Deze stemming blijkt muzikaal gezien, consistent te zijn. Dat wil zeggen dat alle stukken van het manuscript er mee zijn te spelen, zonder storende overmatige intervallen (tritonus) en behoud van muzikale coherentie. Binnen de notatie blijkt echter één restrictie noodzakelijk, namelijk dat het symbool b, een b-rotundum voorstelt, waarmee de b-molle of de toon bes: b♭ wordt bedoeld. (Greenhill, 2000, part 3: Tuning)

Er is bewijs dat binnen een enkelvoudige stemming, meerdere tempereringen of intonaties mogelijk waren. Overigens is het niet zo, dat er geen andere stemmingen of scordatura mogelijk waren. Zo is het aantoonbaar dat zowel de toon B♭ als B aangewend konden worden. De stemmingstheorieën worden nog elders besproken. (Greenhill, 2000, part 3: Tuning)

Naar boven

Crwth

Een 19e eeuwse crwth
(Foto: A. Praefcke, Bron: Wikipedia (EN)
Speler van de crwth op een 14e eeuwse fresco van het Westminster Abbey.
(Bron: flickr.com/groenling)
Illuminatie van David met een gestreken lier (crwth trithant) in het Tropaire de Saint-Martial de Limoges, 11e eeuw.
(Bibliothèque Nationale de France, BnF ms Lat 1118 fol. 104)
De crwth is een strijk-lier, waarvan men aanneemt dat die van de getokkelde lier afstamt. In de 9e eeuw bestonden lieren, die evenals de crwth in twee secties, werden opgedeeld, gescheiden door een toets of 'fingerboard'. Vanaf de 11e eeuw werd het gebruik van de strijkstok eraan toegevoegd.
De crwth had in de bardische traditie niet dezelfde status als de harp en is derhalve minder door de Welshe dichters genoemd.
Het instrument is drievoudig dubbelkorig, twee paar snaren boven de toets of 'fingerboard' en pal daarnaast een set bourdonsnaren (drones). Alle snaren waren bespannen over een vlakke kam ('flat bridge') en konden onderaan worden getokkeld of aangestreken met een strijkstok.

Voor minder gekwalificeerde instrumentalisten, bijvoorbeeld de volksmusici, bestond er een eenvoudiger instrument, de crwth trithant of driesnarige crwth. Andere benamingen voor de crwth zijn: chrotta, chrouth, chorus (Lat.) en crowd.

Er zijn, voor de crwth slechts twee stemmingen gedocumenteerd, alhoewel het niet uitgesloten is dat er meerdere stemmingen werden aangewend:

  1. Naar William Bingley in A Tour Round North Wales. Naar een interview met een crwth-speler in 1801:
    a a1 e1 e2 b1 b2 .
  2. Naar William Jones, Llangadfan (ca. 1787) en Sir Daines Barrington (ca. 1770), vermoedelijk naar een passage uit het manuscript van de Lbl Add. MS 15020: 91:
    g g1 c2 c1 d1 d2 , waarin de twee g's als de drone-snaren fungeren.

    Timpan

    Van de timpan (Iers: tiompán) is de vermelding in AB MS Peniarth 20, een van de weinige referenties van het gebruik van dit instrument in Wales. Daarentegen wordt het instrument in Ierse manuscripten veelvuldig voor. Sally Harper geeft hiervoor de mogelijke reden dat dit slechts een referentie is naar een bruikbaar instrument uit een andere traditie, b.v. die van Schotland of Ierland (Harper, 2007). Het overigens niet uitgesloten dat het instrument, evenals de lier, na verloop van tijd is verdrongen door de crwth en harp.
    Gezien de cerdd-dant-instrumenten als een triade zijn gerangschikt, geeft dit een aanwijzing, dat hier sprake is van drie typen snaarinstrumenten. Om wat voor soort instrument het hier betreft is tot nu toe niet exact bekend. Er zijn wel diverse suggesties gedaan. William Grattan Flood, meldt dat de timpan een klein instrument zou zijn, dat voorzien was van drie tot acht snaren en bespeeld met een strijkstok of plectrum. Andere benamingen volgens een vroeg-Ierse schrijver zijn: benn crot of peak harp. De driehoekige psalter (nabla) of ocht-tedach, was volgens Flood een populair Keltisch instrument gedurende de 7e tot elfde eeuw. Deze zou zijn voorzien van acht snaren. Eveneens maakt Flood in dit verband melding van de trigonon of kinnor, een driesnarige, driehoekige harp (?). (Flood, 1905). De timpanist wordt in veel Oud-Ierse bronnen genoemd, bijvoorbeeld in een eeuwenoud gedicht dat een beschrijving geeft van de 'Fair of Carman' in het Book of Leinster, een manuscript uit ca. 1160. (Breathnach, 1996).

    Opmerkelijk, maar zonder enig bewijs, is de beschrijving door Patrick Weston Joyce van de timpán als een instrument met overeenkomsten met de huidige gitaar of banjo (Joyce, 1908):

    "The Irish had a small stringed instrument called a Timpan, which had only a few strings--from three to eight. The body was a small flat drum or tympanum (whence the name) [*)] with a short neck added; the strings were stretched across the flat face and along the neck, and were tuned and regulated by pins or keys and a bridge, something like the modern guitar, or banjo, but with the neck much shorter. It was played with a bow, or with both a bow and plectrum, or with the finger-nail; and the strings were probably stopped with the fingers of the left hand, like those of a violin."

    *)Tympanon was tevens de Latijnse naam voor een soort trommel

    Francis W. Galpin refereerde, eveneens zonder referentie, naar de mogelijkheid van een getokkelde of gehamerde instrument (Galpin, 1911):

    "Elsewhere we are told that it was not so powerful as the Cruit, and although it was sometimes called the Benn-Crot, the pointed or triangular Cruit, it was considered inferior to and of later date than the Cruit proper ; tradition, too, gave it an Eastern origin. It seems very probable that this once popular Timpan was a form of Psaltery 'plucked with a quill,' in later days becoming a Dulcimer 'struck with a rod.'"

    Deze optie is overgenomen door Derek Bell, voormalig harpist en clavicinist van de Ierse groep 'The Chieftains'. Het nadeel van deze aanname is, dat bij zo'n instrument met metalen snaren, niet de mogelijkheid bestaat om tijdens het spelen bepaalde snaren te dempen, met 'harmonische vervuiling' tot gevolg, aangezien harmonische puurheid van groot belang binnen de cerdd dant blijkt te zijn.

    Eugene O'Curry refereert naar het verhaal Iubhar Mic Aingis of Yew Tree of Mac Aingis in het Book of Leinster (Trinity College Dublin, TCD MS H 2.18 (cat. 1339), waarin de timpan wordt genoemd als een instrument met drie snaren (vertaling: O'Curry, 1873):

    "He was a little man, with three strings in his Timpan. 'What is your name?' 'Fer-fi, the son of Eogabhal'. 'What has brought ye back?' said Oilioll. 'We are disputing about this man'. 'What sort of man is he?' 'A good timpanist'. 'Let his music be played for us.' 'It shall be done', said he."

    Met betrekking tot cerdd dant, gaat men er tegenwoordig van uit dat de timpan niet op een harp of crwth geleken heeft, anders zou het geen andere naam hebben. Zo refereert Greenhill liever naar de opvatting van een driesnarige lier- of zitherachtig instrument, voorzien van drie snaren, zoals dat naar nieuwe inzichten valt af te leiden uit het onderzoek van Ann Buckley (Buckley, 1978)(Greenhill, 1996, part 4 Technique, p. 143-144). Greenhill verwijst in dit verband naar bijvoorbeeld de IJslandse fidhla en langspil (Greenhill, 1996, part 4 Technique, p. 146), instrumenten die tot de zogenaamde plankciters behoren (Midgley, 1977).
    De uitgebreide analyse door Ann Buckley vanuit Oud-Ierse bronnen, heeft betrekking op verwijzingen naar het instrument over een lange periode, dat wil zeggen vanaf de 8e/9e eeuw tot en met de 17e eeuw. Haar onderzoek had betrekking op diverse aspecten van het instrument, dat wil zeggen de aard, de speeltechniek en de bespelers van het instrument (timpanisten).
    Zo valt uit de bronnen af te leiden dat het gaat om een houten instrument (mogelijk wilgenhout), slank van formaat, licht van gewicht en versierd met metalen (zilveren of bronzen) beslag. Er is sprake van drie metalen snaren van metaal, van messing, brons en soms van goud (goudlegering). Het is daarbij niet uitgesloten dat het om twee, ongelijk gestemde drone- of bassnaren gaat en een melodiesnaar (kennelijk voorzien van een toets of 'fingerboard'). Het geluid van het instrument werd doorgaans gekwalificeerd door een zoete klank. Het spel werd kennelijk uitgevoerd met de vingernagels, incombinatie met stop-, en dempingtechnieken met de vingers. Het laatste toont een opvallende overeenkomst toont met het harp- en crwth-spel op metalen snaren (zie ook: Cerdd dant. Deel 2. Het Robert-ap-Huw-manuscript: de stemming, harmonie, temperering en speeltechniek). Anderzijds was er ook sprake van het gebruik van een strijkstok ('fleasc', 'flescach'), waarvan een voorbeeld is beschreven waarbij het houtwerk mogelijk versierd was met ingesneden afbeeldingen van twee vogels.

    Naar boven

    1.4 Eisteddfodau en het Statuut van Gruffudd ap Cynan

    Schets uit 1610 van John Jones van Gellilyfdy, met de verschillende niveau's van het bardische leerlingschap. Naast de harp- en crwthtraditie werden kennelijk andere instrumenten niet uitgesloten. We zien vier instrumenten afgebeeld: twee doedelzakken, een telyn (harp) en een trithant (driesnarige crwth)
    Cardiff, Central Library MS 2.634 (MS Hafod 24)
    De eisteddfod was de bijeenkomst van muziek en poëzie die tijdens de middeleeuwen als middel diende om de bardische praktijk strak te reguleren, vergezeld van een competitief element voor musici en dichters. Er bestaat een drietal quasi-historische bronnen van soortgelijke bijeenkomsten, die nog in de hiernavolgende paragrafen worden besproken:

    Daarnaast zijn er drie historische beschrijvingen van eisteddfodau:

    De vierde op een rij, die was gepland voor 1594 ging uiteindelijk niet door.
    Voor de bijeenkomst van ca. 1452/3, zijn er nauwelijks gegevens met betrekking tot de muziek bekend, maar het is wel duidelijk dat de dichters prominent aanwezig waren. Dafydd ab Edmwnd (fl. 1459-1497) was de winnaar van de 'zetel' ('Chair') en kreeg de titel kadeirddfardd ('bard met de zetel'). Het is bekend dat Dafydd ab Edmwnd hier de 24 metra van cerdd dafod reviseerde, waarbij sommige tot onbruik werden verklaard en andere meer naar de voorgrond werden geschoven. Eveneens is er melding gemaakt van de athrowon affenkerddiaid ('meester-leraar' en 'meester-vakman').

    Tijdens de bijeenkomsten van 1523 en 1567 werd een document, het Statuut van Gruffud ap Cynan (Stadud Gruffud ap Cynan) als leidraad toegepast. Deze zou nog voordat de Caerwys Eisteddfod van 1523 plaats vond, op schrift zijn gesteld. Hieraan, zouden diverse vaklieden op het gebied van poëzie en muziek hebben meegewerkt. In dit verband wordt mede de dichter Tudur Aled (ca.1465–ca.1525) genoemd ((Harper, 2007).
    Het statuut bevat een groot aantal regels en examinatie-eisen voor de verschillende categorieën van dichters en musici, alsmede de hiërarchie van hun bekwaamheid, van leerling tot meester. Dit allemaal tot doel om orde te scheppen in het ambacht van cerdd dant en cerdd dafod, maar ook de vastlegging van een sociale code. Het reglement bevat de spelregels voor de uitvoering, maar ook de eisen die worden gesteld tot het verkrijgen van een bepaald niveau of titel. Het Statuut kreeg in 1567 zijn navolging met de nodige aangescherpte correcties en amendementen ten opzichte van 1523. Het Statuut zou volgens de samenstellers van oorsprong zijn gebaseerd op een nog oudere regelgeving, die ooit door Gruffud ap Cynan, Prins van Gwynedd (ca. 1055-1137), was ingesteld (Klausner, 1999).(Zie ook sectie 3.3 van dit artikel).

    Eén van eerste optekeningen van het 1523-Statuut staat geschreven in AB MS Peniarth 194 (ca. 1545-1546) door de dichter Gruffud Hiraethog († 1564), deze voegde een iets andere versie toe in de tekst van Lloegr Drigiant (Peniarth 155), bedoeld voor Welshe bannelingen, die in Engeland woonden. De tekst in Peniarth 194 zou zijn gebaseerd op een oudere bron uit ca. 1532, die op zijn beurt was opgenomen in een genealogisch compendium door Thomas ab Ieuan ap Deikws (Peniarth 127). Een andere vroege kopie staat in Lbl MS Add. 19711, dat geschreven is door een leerling van Gruffud Hiraethog, Wiliam Llŷn (1534/5-1580) (Harper, 2007)(Klausner, 1999).

    Het Statuut vermeldt de eisen aan de verschillende niveaus van leerlingschap. De laagste in rang in deze hiërarchie is de disgybl ysbâs ('tijdelijke leerling'), zonder enige graad van bekwaamheid. Daarnaast de disgybl ysbâs graddol, met een graad van bekwaamheid. Na examinatie kon deze persoon deze rang drie jaar lang hebben en kon daarna naar een hoger niveau worden benoemd als disgybl disgyblaidd ('onderwijzende leerling'). Deze graad kon deze leerling voorgoed behouden.
    Een graad hoger op de ladder was de disgybl pencerddaidd ('leerling voor de meestergraad'). Aan de top van hiërarchie stond de pencerdd en athro ('meester en professor der kunst').
    Voor bijzondere verrichtingen bestond er nog de eisteddfod-prijs, een zilverern juweel, de 'ariandlws telyn' en 'ariandlws crwth' voor de beste musici tijdens de eisteddfodau van 1523 en 1567.

    Andere bijzondere titels van bekwaamheden die in bronnen zijn genoemd zijn, die van de reeds genoemde Tudur Aled: pencerdd y ddwygerdd ('meester van de twee kunsten': meester der poëzie en de muziek) of bardd dwbl ('dubbele bard') volgens de dichter Lewys Môn (floreerde ca. 1497- ca. 1530).
    Het Statuut spreekt ook over de datgeiniad (of atgeiniad, reciteerder: meervoud datgeiniaid, atgeiniaid), doch deze ambachtlieden in cerdd dant en cerdd dafod, met als belangrijkste functie het declameren van poëzie, werd als minder in rang beschouwd en behoorde feitelijk niet tot de bardische hiërarchie. Hij kon hierin verandering brengen door de harp of crwth te leren spelen. Van de datgeiniad werd verwacht dat hij Welsh kon lezen en een eenvoudige englyn kon componeren. Bovendien waren ze gespecialiseerd in het reciteren van drie belangrijkste vormen van cerdd dafod; englyn, cywydd en awdl. Sommigen reciteerders stonden louter bekend als datgeiniad pen pastwn ('reciteerder met de staf'), die gespecialiseerd waren in het ritmisch stampen met de staf op de vloer ter ondersteuning van de reclamatie.

    Een datgeiniad pen pastwm ('declamator met staf').
    Moses Griffith (1747-1819)
    Voorstelling van een 'winnaar-pencerdd' met de Mostyn Silver Harp of Ariandlws Telyn
    Moses Griffith (1747-1819)
    Twee keer, een afbeelding van de Ariandlws Telyn. Links uit het Robert ap Huw manuscript en rechts uit Musical and poetical relicks of the Welsh Bards van Edward Jones (1802). Beide afbeeldingen zijn niet overigens niet helemaal correct.

    Voor een recente foto, klik hier.

    Naar boven

    1.5 Mesur

    Het skelet van een cerdd-dant-compositie is geënt op een bouwwerk van een metrisch systeem, dat mesur (meervoud: mesurau) wordt genoemd. Dit Welshe woord, wordt in de vakliteratuur in het Engels vertaald als measure, hetgeen in het Nederlands (muzikale) maat of metrum betekent. De woordkeuze en vertaling in het Engels en Nederlands is niet helemaal juist, en kan zelfs verwarrend zijn. Het woord mesur heeft naast zijn betekenis in cerdd dant, ook een betekenis in cerdd dafod, de bardische poëzie. In het Engelse vakliteratuur spreekt men in het laatste geval over metre. In het Nederlands is kan dit als 'metrum' worden vertaald. Er is een verschil in betekenis van mesur in cerdd dant ten opzichte de Engelse term measure en de Nederlandse term maat zoals we dit in de conventionele muziek kennen (zoals b.v. 2/3, 3/4 of 4/4-maat). Welk verschil dat is, wordt in het volgend artikel besproken. Om spraakverwarring met betrekking tot dit onderwerp te voorkomen, houd ik voor wat betreft cerdd dant, het liever bij het Welshe woord mesur.

    De betekenis van mesur in cerdd dafod, is niet dezelfde als in cerdd dant en betekent bovendien iets anders dan voor de ons welbekende conventionele lyrische metrum. De 24 mesur in cerdd dafod zijn poëtische vormen, die aan de hand van de plaats van accenten, alliteratie en rijm voor het strakke syllabisch vers, worden gekarakteriseerd. (Zie ook: Vormen en technieken: Bardisch vers: Cerdd dafod. In navolging van de vertaling in het Engels ('metre'), gebruik ik aldaar voor de poëtische mesur, het Nederlandse woord metrum. )

    De mesurau van cerdd dant komt men in meerdere geschreven bronnen tegen, waarin een groot aantal bij naam worden genoemd. Ondanks het grote aantal, heeft men kennelijk gekozen om aan een beperkt aantal van 24 de voorkeur te geven, die men de kwalificatie 'wettig' of 'toegestaan' gaf. De laatst genoemde beperking was geen absolute wet, zoals blijkt uit de diverse composities die een groei aan een diversiteit aan mesur deed ontstaan. Mogelijk was deze voorgeschreven beperking meer als een ontmoediging bedoeld, om er niet al te veel er van af te wijken (Greenhill, 1998, Part 5: Metre, p. 26).
    Het getal van 24 komt overigens niet willekeurig uit de lucht vallen, doch heeft een cultuur-historische basis.

    Een mesur wordt gekarakteriseerd door een opeenvolgende reeks van slechts twee symbolische termen: cyweirdant (meerv.: cyweirdannau) en tyniad (meerv.: tyniadau). Men weet vanuit de bovengenoemde harptabulaturen, dat het hier om een opeenvolging van contrasterende akkoordenreeksen gaat, in harmonische combinatie met de bijbehorende melodische frasen. Zo zou men voor de begeleidingsmuziek voor het zingen van de poëzie louter, minimaal, van een simpele akkoordenprogressie gebruik gemaakt kunnen hebben, terwijl in de puur instrumentale muziek, juist de combinatie van harmonie en melodische frasen essentieel was.
    De notatie is ook tweeledig. Doorgaans gebruikt met het symbool 1 voor cyweirdant en 0 voor tyniad. Cyweirdant is het akkoord op basis van de drieklank die door de modus of tonaliteit wordt bepaald en is daarmee het punt van oplossing. Tyniad is het contrasterend akkoord ten opzichte van cyweirdant. Let wel: dit harmonisch systeem is niet hetzelfde als het welbekende conventionele systeem van tonica en dominant. Het is beter om van (harmonische) 'polariteit' te spreken Whittaker, 1974). Polaire harmonie of binaire harmonie, lijkt mij daarom een goede benaming van dit systeem. Een mesur werd bijvoorbeeld als volgt genoteerd:

    1 1 1 0 1 0 0 1 0 0 0 1

    Dit mesur staat bekend als koraldan (coraldan). Deze opeenvolging kan men vanwege het uiterlijk beschouwen als een binair systeem. Ieder element (1 of 0), noemen we voor het gemak daarom ook een 'digit'. De mesur begint met driemaal een cyweirdant, gevolg door een tyniad etc. en eindigt met een tyniad en een cyweirdant.

    In de bronnen zijn ook andere notaties aangetroffen, waarbij men het symbool 'K' voor cyweirdant gebruikt en 'T' voor tyniad. De mesur koraldan wordt als volgt genoteerd:

    K K K T K T T K T T T K

    Hetzelfde ook in de vorm van:

    K   T K  T  K  T   K
    iii   i   i   ii   i   iii   i

    Overigens is het gangbaar om de 'digitale' schrijfwijze aan te houden, dat feitelijk de notatie voor de harpist (telynor) is.

    Zie hier de 24 mesur, zoals ze op pag. 107 in het RaH-MS zijn verzameld:

    Llyma/r/pedwar mesur arhigain kerdd dant
    'Hier zijn de vierentwintig mesur van cerdd dant'
    mak y mwn hir
    korffiniwr
    korsgoloff
    Rhiniart
    koraldan
    tresi heli
    wnsach
    kor dia tutlach
    korfinfaen
    korwrgog
    karsi
    brath yn ysgol
    fflamgwr gwran
    mak y mwn byrr
    kalchan
    bryt odidog
    trwsgwl mawr
    tytyr bach
    mak y mynfaen
    toddf
    hatyr [bach*]
    mak y delgi
    alban hyfaidd
    alfarch
    111100001010111100001011
    11001011.11001011
    11011001011
    1001.10011
    111010010001
    10001110001011
    11110001
    10110001001111
    1011011.1011011
    1001011011
    10001011.10001011
    10110.100101101001011
    1011.101100110011
    11001111
    1100111101
    0010.0010.1101.1101
    0000111100001011
    00110011
    001100.0011001111
    01100011
    001011.001011
    0111011
    1011.0100.0100.1011
    0000000011111111
    terfyn y pedwar mesur arhigain kerdd dant
    'het einde van de vierentwintig mesur van cerdd dant'
    Pagina 107 uit het Robert-ap-Huw-manuscript (Lbl MS Addl. 14905) met de 24 mesurau*Abusievelijk hatyr genoemd. Hatyr is een metrum dat niet onder 24 voorgeschreven uitvoeringen valt: 001011.001011.00001111.00001011 (met dank aan Peter Greenhill).

    Toegevoegde mesurau, die niet binnen het systeem van 24 vallen, vindt men in diverse andere bronnen. Dit zijn bijvoorbeeld:
    alban hyfaidd hir: 1011.1011.0100.0100.1011
    alban rhydderch: 0110110001
    calor ('heat'): 0001 0011
    cell ieuan vab y gof: 11010111
    cenedlon/tresial: 1000111010
    chalchlasar: 01
    chwerwyn corgan: 1100101101001011
    cwlwm brido: 1111001110110
    cwlwm ddafydd bach/odid am gwypo: 0101.0100.1010.1011
    cwlwm grufydd grythor/fwrain: 110101101
    dewis hywel: 11110100
    dim a dim ('nothing and nothing'): 0101
    ffowram hen/ffowram newydd: 11001101
    hatyr: 001011.001011.00001111.00001011
    henrhi gefynrhudd: 10110010011
    hwyrwyn gowri: 011110001111
    odid am gwypo: 01010010101011
    pwy bynnac yw: 1110.0100.1100.1011
    tutyr: 1100100
    trwsgwl trwynki: 0100.1011.0100.1011
    ysgwirin: 1011.1011

    Op p. 109 in het RaH-ms, staat nog een set van zeven aanvullende mesurau:
    kaingk ystwfwl: 0100101101001011 | 0011000011001111
    kaingk y forch o drysglwyn: 1100101111001011
    y ddigan tror tant: 11001011 11001011
    y ddigan hun gwenllian: 1011:1011
    y gaingk fer: 10111011
    y ddigan betsain: 11001111 11001111
    y gaingk ddu or werddon: 11011001011

    Er zijn ook bronnen waarin men aangeeft dat de symboliek wordt omgedraaid voor de crwth speler (crythor): de 0 wordt gebruikt voor cyweirdant en 1 voor tyniad. (Peniarth 155: p.76 tyniad yn rhol y crythor yw cyweirdant yb rhol y telynior). Voorbeelden van het laatste in AB MS 17116-B (Gwysaney 28), zie Appendix B.

    Andere lijsten, dan hierboven vermeld van de mesurau, staan gedocumenteerd in verschillende bronnen (Klausner, 2005):
    Voor de harp: AB MS 872D; Peniarth 62; Peniarth 77
    Voor de crwth: Peniarth 60; Peniarth 155
    Additionele mesurau: AB MS 872D; Peniarth 60; Peniarth 62 en Peniarth 77.
    Een gedrukte lijst, waarvan de bronnen niet nader zijn gespecificeerd vindt men in Thomas, J.; The Musical Notation of the Ancient Britons; In: Jones, O., Williams, E., Pughe, W. O.; Myvyrian Archaiology of Wales; 3 vols.; 1870; Thomas Gee, Denbigh; p. 1072.

    1.6 Het 'double-tonic'-principe

    De opbouw van de bovengenoemde akkoordenprogressie bestaat uit een alternerende akkoordenschema van cyweirdant en tyniad, waaraan een wisselende melodielijn is gekoppeld. Dit alternerende systeem staat ook bekend als 'double tonic'. Waarbij in het geval van cerdd dant, de akkoorden samen met de bijbehorende melodische frasen alterneren, met een intervalverschil van één toon (secunde).
    De double-tonic-techniek staat niet op zichzelf als een typisch kenmerk van cerdd dant. Men treft het, ook tegenwoordig, nog veelvuldig in diverse traditionele muziekvormen van de Groot-Brittanië en Ierland aan. In dit verband kunnen we ook de oude Engelse hornpipes noemen of de Schotse kunstmuziek op de Highland Bagpipe, Piobaireachd. Het kenmerk kan dus zowel een wisseling in melodisch opzicht, dat wil zeggen in de vorm van alternerende frasen of motieven (zoals bij piobaireachd), als in harmonisch opzicht zijn. De Schotse musicus en musicoloog Francis Collinson maakte reeds in 1966 melding van deze term, samen met de definitie, in zijn 'Traditional and National Music of Scotland' in de betekenis van het verschuiven van de tonica (grondtoon van de toonsoort) naar een hele noot daaronder (subtonica) (Collinson, 1960). Waar Collinson deze verschuiving feitelijk weergeeft voor de melodie, geldt dit bij de cerdd dant eveneens voor de harmonie.
    De double-tonic bij de diverse oude Engelse hornpipes komt duidelijk tot uiting als men harmonie, los van de drones onder de melodie insluit (Ward, 1990). Zie ook het artikel over piobaireachd: Vormen en technieken: Piobaireachd: Binaire muziek.

    Paul Whittaker maakt in zijn dissertatie enkele opmerkingen aangaande de etymologie van de termen cyweirdant en tyniad. In Hafod 3 en Hafod 24 is sprake van de stemming van de laagst klinkende snaar van de harp: cyweir-dant (dant = snaar) en is daarbij de referentietoon om de rest van de harp te stemmen. Uitgaande van het RaH-manuscript, is dit de toon G. Hier blijkt mogelijk een analogie voor een ander instrument dan de harp, waarin de snaren worden bespeeld op een toets of fingerboard, b.v. de crwth. Het is dus een kleine stap om het woord cyweirdant te koppelen aan een 'open snaar'.
    Vertaling van het woord tyniad (tyniad - tynhau: aantrekken, Engels: to tighten) kan in dit verband worden gerelateerd aan het indrukken of stoppen van de snaar.

    Het mag duidelijk zijn dat de harp de technische mogelijkheden heeft om akkoorden te spelen en de snaren voor de melodie tot klinken te brengen en te dempen. Deze dempingtechniek geeft de mogelijkheid tot een zgn. harmonische hygiëne of puurheid, waarbij de akkoordklanken niet vervuilt worden door andere tonen, die geen deel uitmaken van de harmonie op dat moment. Hier komen we later nog op terug, als de techniek op de harp wordt besproken. Het principe voor de uitvoering van de mesur is in het RaH-manuscript wel duidelijk, maar niet altijd eenduidig, vanwege diverse uitbreidingen, inserties en variaties, die buiten de striktheid van de 24 mesurau, kennelijk waren toegestaan. Dit laatste onderwerp wordt verder elders in het volgende artikel besproken.

    Naar boven

    1.7 Cyweiriau

    Eén van de onderwerpen die sinds eeuwen ter discussie staat, is de interpretatie van de betekenis van de z.g.n. cyweiriau (enkelvoud: cywair). Mede vanwege de eeuwenoude traditie van de mondelinge doorgifte van kennis en vaardigheden, valt de werkelijke betekenis van cyweiriau niet eenvoudigweg uit de oude manuscripten af te leiden.
    Hoewel de term cywair gedurende de laatste tweehonderd jaar beschouwd werd als een concrete snaarstemming voor de harp (telyn), modus of toonsoort, blijkt deze betekenis niet geheel met recente bevindingen overeen te komen. In de middeleeuwse eisteddfod-traditie, bestaat in dit verband de restrictie van de zgn. vijf rechtmatige, gewaarborgde cyweiriau van cerdd dant ("y pum cywair safedig a gwarantedig", AB Peniarth MS 155, p. 79-83, ca. 1561. (Harper, 2007)), als een soort richtlijn die zowel betrekking op de telyn als de crwth had. In het RaH-MS, waarin de tabulatuur specifiek voor de harp is bedoeld, worden drie composities in verband met een cywair genoemd en enkele in lijsten van titels in het manuscript. We komen ze echter ook in diverse lijsten in verschillend manuscripten tegen:

    Naam cywairBetekenis
    Is gywairIs: onder, laagste
    Cras gywairCras: wrang, hard, droog, krassend
    Lleddf gywairLleddf: zacht, kalm, teder en vredig
    Go gywairGo: wat, ongeveer
    Bragod gywairBragod is een metafoor voor bitter-zoete harmonie, betrekking hebbend op het Engelse braggat, een drankje
    dat door de ouden werd gemaakt uit een gefermenteerd mengsel
    van de wort van bier en honing met een bitterzoete smaak.
    (Whittaker, 1974)

    Verder komt men in het RaH-MS ook de termen Uwch gywair (Uwch: onderste) en Tro Tant ('gedraaide snaar') tegen. De laatste behoort niet tot de cyweiriau, maar heeft, gezien de betekenis, mogelijk wél betrekking op een omstemming van de snaar B ←→ B♭ vice versa.
    Verder ziet men op pagina 108/109 van het manuscript een scala aan termen: Cywair ynghywair y wrach, Cywair Ithel, Cywair gwyddelig dieithr, Cywair chwith (diethr), Cywair ynghywair Edwart, Cywair yr Athro Fedd en Cywari dau hanner. De betekenis hiervan wordt in het volgende artikel nog besproken. Ze blijken eerder betrekking te hebben op harmonische formules dan op snaarstemmingen. In het Hafod 3-manuscript van Robert Peilin wordt melding gemaakt van de termen Dylod gywair, Eglur gywair en Breiniol gywair (Whittaker, 1974).

    Het woord cywair treft men eveens aan in het reeds besproken woord cyweirdant (=cywair-dant, 'dant', 'tant' = snaar), een term dat ook werd gebruikt om verschillende snaarnamen aan te duiden. Sinds lange tijd werd dit een reden om met cywairiau de toonhoogten van de individuele snaren van de harp aan te duiden en als zodanig in termen van toonsoort of modus aan te wenden.
    Tegenwoordig betekent cywair inderdaad toonsoort (vergelijkbaar met het Engelse 'key'). Omdat het laatste als vaststaand feit voor de harp werd geaccepteerd, had het tot gevolg dat voor verschillende muziekstukken, de snaren van dit diatonische instrument voortdurend moesten worden omgestemd. In dit gedachtenmodel ging men in principe zo ver, dat men de letternotatie in het RaH-MS, opvatte als verzameling benamingen van snaren en niet van reëele toonhoogten. Met andere woorden, de diverse auteurs hielden het erbij, dat omgestemde snaren niet explicitiet in het RaH-MS werden aangegeven.
    Bovendien werd men in deze scordatura-theorie gesterkt, door aan te nemen dat de aantekeningen en diagrammen op de pag. 108/109 van het RaH-MS betrekking hebben op de herstemming van de telyn, hetgeen echter, zoals uit Greenhill's studie blijkt, niet klopt.

    Het hardnekkige scordaturamodel voor de harp, dat voornamelijk door misconcepties van de diverse documentgegevens werd gehandhaafd, heeft echter nooit een eenduidige muzikale samenhang opgeleverd. Bij de transcriptie van de tabulaturen van het RaH-MS met voortdurende omstemmingen, ontmoette men een tal van bezwaren, zoals onwenselijke dissonanties (hoewel afhankelijk van een vooringenomen smaak), optreden van de tritonus (verminderde kwint of overmatige kwart), verlies van tonaliteit en muzikale coherentie. Dit had tot gevolg dat door diverse correcties, de ene theorie op de andere werd gestapeld. Doch nooit met een bevredigend resultaat. Na een uitgebreide analyse, maakte Paul Whittaker in zijn 1974-essay melding van het onbevredigende resultaat van al deze stemmingsmodellen, doch bleef aanvankelijk hieraan toch vasthouden. De bevindingen van Peter Greenhill gaf hem redenen genoeg om zijn vroegere interpretaties te herzien, zoals hij in het bijschrift bij de herpublicatie (2007) van zijn 1974-essay op in het internet aangaf (Whittaker, 1974).

    Binnen de cerdd dant-traditie bezit de term cywair een meer subtiele betekenis, en staat daarmee in nauwe relatie tot de polaire harmonie van cyweirdant en tyniad.
    De betekenis van de term cywair zelf, kan meervoudig worden geïnterpreteerd in diverse, aan elkaar gelieerde betekenissen, zoals instelling, orde, overeenkomst, juiste staat of conditie, fijnregeling, reparatie, herstelling, restauratie, correctie en perfectie.
    Deze terminologie kan dus ook een niet-muzikaal betekenis hebben, doch kan in muzikaal opzicht, betrekking hebben op allerlei zaken, zoals (fijn)stemming, temperering, intonatie, toonhoogte en toonsoort.
    Het is overigens wel aannemelijk, dat met cyweiriau, een set van mogelijke stemmingen voor de crwth wordt aangeduid. Desondanks wordt in de bronnen slechts één bij naam wordt genoemd, n.l. cywair naturiol. Peter Greenhill wijst in ieder geval het scordaturamodel voor de harp af, dat wil zeggen dat de term cywair niet langer, als een bepaalde herstemming voor de harp, beschouwd moet worden. Met deze theorie doorbreekt hij een heersende hardnekkige denkwijze, die gedurende honderden jaren stand heeft gehouden. Dit kon hij doen na een nieuwe nauwgezette analyse van historische manuscripten met betrekking tot de cerdd dant en de tekst in het RaH-MS, alsmede de empirische benadering vanuit de mechanische mogelijkheden en beperkingen van de harp en de muzikale invalshoek van het harpspel zelf.
    Greenhill hanteert slechts één stemming voor de harp, dat wil zeggen een diatonische reeks van alle natuurlijke tonen C t/m A, met uitzonderinge van de toon B, die structureel naar B♭ is verlaagd. Alle muziekstukken zijn goed in deze stemming bespeelbaar (Greenhill, 2000, Part 3 Tuning, p. 50-52). Voor de crwth maakt hij echter een uitzondering voor wat betreft de mogelijkheid van scordatura.

    Lees meer hierover in het hier navolgende artikel: Cerdd dant. Deel 2. Het Robert-ap-Huw-manuscript: de stemming, temperering en speeltechniek.

    1.8 Uitvoeringen en muziekopnamen van cerdd dant

    Reeds in 1937 zijn er muziekopnamen gemaakt, die op reconstructies van het RaH-ms waren gebaseerd. In de meeste gevallen zij de cerdd dant-interpretaties betwistbaar.

    Www

    6. Aanvullende informatie

    Externe links