[Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Laatste update: 15-10-2014][Hoofdstuk: Vormen en technieken][Gebruiksvoorwaarden]

"It is the key which opens every lock"

Tomás Ó Canainn over sean-nós in zijn 'Traditional Music in Ireland'' (1978)

Sean-nós-zang

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Terminologie, definitie en stijlen
    1. 1.1 Over de term sean-nós
    2. 1.2 Definitie en stijlen
  2. 2. Het repertoire
    1. 2.1 Over de ouderdom van sean-nós
    2. 2.2 Indeling van het repertoire
    3. 2.3 Overzicht van voorbeelden uit het repertoire
  3. 3. De vorm van sean-nós
    1. 3.1 Hoofdkenmerken
    2. 3.2 Ornamentiek
    3. 3.2 Variatie en intonatie
    4. 3.2 Techniek en stijl
  4. 4. Hypothesen over de herkomst van sean-nós
    1. 4.1 Sean-nós als archeologisch artefact 'in vivo'
    2. 4.2 Een Iers-Spaanse connectie?
    3. 4.3 Mogelijke herkomst uit middeleeuwse Arabo-Europese invloeden
  5. 5. Overzicht van Sean-nós-zangers
  6. 6. Annotaties en bronnen
    1. 6.1 Voetnoten
    2. 6.2 Geraadpleegde bronnen
    3. 6.3 Aanvullende informatie
    4. 6.4 Media

1. Terminologie, definitie en stijlen

1.1 Over de term sean-nós

De traditionele Gaelische zang van Ierland wordt generaties lang mondeling/auditief doorgegeven. Toch is de term sean-nós (spreek op z'n Engels uit als: shann-NOS) niet zo oud en het is zelfs zeer onwaarschijnlijk dat de term vanuit deze traditie zelf is voortgekomen. Het werd in ieder geval gemeld in het jaar 1911 in Scéal an Oireachtais 1897-1924 ('The Story of an tOireachtas'; 1984; An Clóchomhar, Dublin) van Donncha Ó Súilleabháin.
Het zingen in het Gaelisch was een uitermate belangrijk onderdeel van de vroegere Oireachtas-competities (Zie Cultuur- muziekhistorische onderwerpen: Keltisch gerelateerd erfgoed: Oireachtas na Gaeilge ). Enerzijds waren sommigen van mening dat de geharmoniseerde versies van Gaelische liederen toegestaan moesten worden, terwijl anderen daar duidelijke andere opvattingen over hadden. De geharmoniseerde koorstijlen riekten volgens de laatsten naar vreemde invloeden en waren van mening dat dit een vervloeking voor de Gaelische traditie was en daarom niet toegestaan kon worden. Men gaf duidelijk de voorkeur aan de onbegeleidde, solistische en monofone stijl van de traditionele streekzangers. Het debat ging feitelijk over wat wel of niet authentiek Iers of wat in 'de oude Ierse stijl' werd uitgevoerd. Gedurende de discussie werd de Engelse term 'old Irish style' geleidelijk aan door 'sean-nós' vervangen. Ó Súilleabháin meldde deze vervanging van terminologie als volgt (McCann, Ó Laoire, 2003):

"Ní éistfear ach le hamrhánaíocht ar an sean-nós."
(Er zal louter naar sean-nós worden geluisterd)

In dit verband blijkt er een voorkeur te bestaan betreffende de 'authenticiteit' van de regionale stijlen, met name die van het westen en zuiden van Ierland en niet zozeer die van het noorden (Donegal).
De Ierse musicus en componist Seán Ó Riada (John Reidy, 1931-1971) bespreekt in zijn Our Musical Heritage uitsluitend de westelijke en zuidelijke sean-nós-stijlen van Connacht en Munster (Ó Riada, 1982).
Met betrekking tot de jurering van Oireachtas-sean-nós-competities, waarbij de sterk geornamenteerde Connemara-stijl blijkbaar als 'standaard' wordt gehanteerd, citeerde Julie Henagan in haar artikel twee traditionele zangers uit Rann na Feirste (Rannafast, Donegal), met betrekking tot de definitie van de term sean-nós, Hiúdaí Ó Duibheannaigh † en Sailí Gallagher (Henigan, 1991):

"The Connemara people have an altogether different style to Donegal: a lot more drawn-out, sometimes, I feel too drawn out. That's the difference, and perhaps the adjudicator would think the more drawn-out it was, the better the sean-nós. Some adjudicators haven't a clue what sean-nós is." (Ó Duibheannaigh)

"It's the old way that used to sing long ago, that's the way..." (Sailí Gallagher)

"...the old traditional style of singing...that varies very much from one part of the country to another - and even from one part of Donegal, now, to another. But people know, that word [sean-nós] being used these last forty years, think it's a particular syle of singing: it's not!". (Ó Duibheannaigh)

Het is overigens opvallend, dat de Ierse musicus musicoloog Breandan Breathnach (1912 1985), in zijn Folk Music and Dances of Ireland, wel spreekt over de traditionele wijze van zingen, doch de term sean-nós consequent vermijdt! (Breathnach, 1971/1997).

Het is overigens niet ongewoon dat kenmerken van de traditionele zang in het Anglo-Ierse repertoire worden toegepast. Veel oudere Donegal-zangers hebben of hadden zowel een repertoire in het Gaelisch als in het Engels. Hiúdaí Ó Duibheannaigh zegt tijdens zijn interview met Julie Henagan het volgende hierover (Henigan, 1991):

"There was a sean-nós for all sorts of singing... but in the old days, those who sang English songs, sang them more or less in the same style as the old sean-nós Geilge." (Ó Duibheannaigh)

Paddy Tunney is een voorbeeld van een zanger van het Engelstalige repertoire aan de grens van Donegal en Fermanagh. Hij is hier heel stellig over (Henigan, 1991):

"The traditional style of singing in English .. is just as much sean-nós in Gaelic .. traditional singing is all sean-nós." (Tunney)

In sommige gebieden, voornamelijk in Cork, wordt een specifieke techniek van de sean-nós-stijl van Munster, de 'glottal stop', eveneens in Anglo-Ierse balladen toegepast (Ó Canainn, 1978).

Naar boven

Definitie en stijlen

De vier provincies van Ierland: Ulster, Connacht, Munster en Leinster. Hierin zijn de graafschappen en streken van de Gaeltachtaí, met betrekking tot de sean-nós aangegeven.
Ondanks de relatief jonge term sean-nós, die feitelijk niet uit de traditie voorkomt, alsmede eventuele vooringenomenheid voor wat betreft een bepaalde zangstijl, zullen we uitgaan van de gangbare definitie.
Amhranaiocht ar an sean-nós, of de zang 'op de oude wijze', duidt op de verzameling aan typische traditionele zangstijlen uit de Ierse Gaeltachtaí (enkelv.: Gaeltacht). Dit zijn de gebieden in Ierland waarin het Iers-Gaelisch (Gaelic) de primaire gesproken taal is, voornamelijk de streken in de provincies Connacht (west-), Munster (zuid-) en Ulster (noord-Ierland). Het is een vorm van solozang, zonder enige wijze van instrumentale ondersteuning, voorzien van een hoge mate van ornamentiek. Deze melodieuze versieringstechniek, zorgt er mede voor dat een aanvankelijk eenvoudige melodie via een vrije ritmiek verloopt. Het is daarom evident, dat samenzang in deze stijl niet mogelijk is. De enige toepasbare mogelijkheid van een extra stem, is die van een gezongen of instrumentale drone (bourdontoon).

De wijze van uitvoering en de ornamentiek is niet alleen een persoonlijke zaak, maar volgt eveneens het traditionele repertoire, die regionaal, maar ook per plaats kan verschillen. Grofweg zijn er, overeenkomstig de Gaeltachtai, drie regionale hoofdstijlen aan te geven:


(Zie ook in dit hoofdstuk 'Vormen en technieken', de pagina Ornamentiek)

Naast de ornamentiek, is er een tweede belangrijke aspect, namelijk het Gaelisch, de taal waarin sean-nós wordt vertolkt. Het is juist de combinatie van de Gaelische woorden en het melos, dat verantwoordelijk is voor de emotie van het lied. Het laatste zal de toehoorder, die tevens verstaander is van het Gaelisch, op de juiste manier treffen. Als een uitgesproken artistieke expressievorm, ontwikkelt de zang een hechte band met de perceptie van de toehoorders. Het mag daarom in dit verband duidelijk zijn, dat vertaling van de teksten, naar b.v. het Engels deze samenhang volledig vernietigt. Het ligt voor de hand dat de traditionele zang een prominente activiteit van de céilí-house (teach an airneáil) was. (Zie Cultuur- muziekhistorische onderwerpen: Keltisch gerelateerd erfgoed: Céilidh of céili )
Het succes van de sean-nós zang hangt sterk af van de houding van het publiek. Een goede zanger zal de sympathie van zijn toehoorders door zijn zang moeten ontlokken. Een slimme wending in het lied zal een positieve reactie van het publiek bewerkstelligen in de vorm van het toeroepen van gelukwensen:
'Dia (go deo) leat' (God is (voor altijd) met jou!); 'Ná rabh rú tinn' (dat je niet ziek wordt!); 'Nár lagaidh Dia Thú' (dat God je niet verzwakt!); 'Fáinne ór ort' (voor jou een gouden ring!); 'Faoi do chois é' ('onder je voet!' = dansterm); 'Maith thú' (goed van je!); 'Thogha fir' (keuze, man!); 'Croí dhuit' (mijn hart voor jou!); 'Mo ghreidhn thú' (je bent mijn liefste!); 'O Thuaidh!' (Noordwaarts! alleen in Kerry in gebruik). (Ó Canainn, 1978)(Henigan, 1991).

Zoals gezegd, is contact met de toehoorders van groot belang, waarbij het wel eens gebeurt dat iemand uit het publiek naar voren komt en de hand van de zanger vasthoudt. Hiermee kan de zanger in ritme, sentiment of nadruk worden ondersteund door de hand steviger vast te houden of omhoog en omlaag te brengen (Ó Canainn, 1978).
Het aantal traditionele zangers die sean-nós vertolken, is in de loop van de tijd steeds minder geworden, ondanks dat men veel waarde hecht aan het het behoud van de traditie. Niet louter vanuit het laatste geredeneerd, doch ook in musicologisch opzicht is het behoud ervan van groot belang. Tomás Ó Canainn is van mening dat de Ierse muziek niet volledig begrepen kan worden zonder dat men kennis van sean-nós te hebben genomen (Ó Canainn, 1978):

"...no aspect of Irish music can be fully understood without a deep appreciation of sean-nós."

Verder bestaat er een onmiskenbare connectie met de ornamentale stijl van sean-nós en het spel van slow-airs op de uilleann pipes. Seán Ó Riada meldt in dit verband (Ó Riada, 1982):

"The tradition of playing slow airs is unfortunately in decline at present. One reason is that many pipers neither speak nor understand Irish, so that they are unacquainted with the sean-nós style of singing which should, of course, be the basis of the chanter style in slow airs."

Naar boven

2. Het repertoire

2.1 Over de ouderdom van sean-nós

Hoe oud de sean-nós-stijlen zijn, is niet bekend. In het algemeen gaat men er vanuit dat de oorsprong oud tot zeer oud is. Het probleem is het ontbreken van geschreven bronnen, louter vanwege de traditie om de muziek oraal/auditief door te geven, een traditie die reeds door de bardische musici werd aangewend. In Ierland was het de gewoonte om poëzie op bestaande muziek te componeren, dit in tegenstelling met de gangbare Europese aanpak, waarmee dit precies andersom is, namelijk dat muziek op de tekst wordt gezet. Het was eveneens de gewoonte van dichters om de titel van de bijpassende muziek bij het gedicht te vermelden. Er werd van tijd tot tijd wel nieuwe muziek gecomponeerd, maar wie de componisten ervan waren is onbekend en blijft een onderwerp van speculatie (Ó Riada, 1982). Riada geeft als voorbeeld de air Úna Bhán, die de natuur van sean-nós goed illustreert. De vroegste optekening van het gedicht bevindt zich in het privë-manuscript/boek van Charles O'Connor uit Ballinagar, dat rond 1780 door Brian O'Farrell geschreven is. Het is in het manuscript omschreven als (Ó Riada, 1982):

"The composition of Mr. Thomas Costello, formerly Baron of Costello, for Winifred McDermott, daughter of the then great McDermott."

Het manuscript toont overigens 45 kwatrijnen. Volgens Dr. Douglas Hyde, leefde Thomas Costello (Tomás Ládir Mac Coisdealbha) gedurende de regeerperiode van Charles II (16301685). Ondanks dit gegeven, zegt het dus niets over de ouderdom van de muziek, dat ongetwijfeld ouder is.
Een zelfde mate van archaïsche ouderdom kan betrekking hebben op Eileanóir na Rún, dat eveneens bekend staat als 'Eibhlín a Rún' of geanglificeerd: 'Eileen Aroon', 'Ellen Aroon'. Deze air wordt toegeschreven aan de 17e eeuwse dichter en harpist Cearbhall Ó Dálaigh (Carol of Gerald O'Daly).

Over de stijl van zingen kan gezegd worden, dat de melismatische techniek, de korte melodieomvang en het gebruik van pentoniek, dat met name voor de traditionele zangstijl van Connemara geldt, doet een archaïsche oorsprong vermoeden. Een controversiële theorie in dit verband is, na een uitgebreidde cultuurstudie van de 'Keltische gebieden' en die van noordafrikaanse, alsmede oost- noordeuropese regionen, door de Ierse schrijver en filmmaker Bob Quinn geopperd. Zie hiervoor paragraaf 4.1. op deze pagina Sean-nós als archeologisch artefact 'in vivo'

Volgens Brian Ó Broin liggen de populaire amhrán en caoineadh van de 18e eeuw ten grondslag aan sean-nós. Een illustratief voorbeeld in dit verband, is de oude metrische caoineadh-vorm van het sean-nós-lied An Draighneá Donn ('The Blackthorn Tree') (Zie meer hierover in dit hoofdstuk Vormen en technieken: Het bardisch vers: Ritmische poëtische vormen.

2.2 Indeling van het repertoire

Ó Broin verdeelt de sean-nós-zang in drie hoofdgenres (Ó Broin, 2006):


Zo is misère vanwege de hongersnood en armoede, een regelmatig terugkerende onderwerp, zoals dit uit de volgende tekst blijkt:

Nach mise an trua Mhuire ag dul go Carraigín an Fhásaigh
Ag gol is ag garrtháil is ag déanamh bróin
Ag oiliúnt mo leinbh ar bhacán mo lámhe
'Sgan fiú an braon bainne agam a bhéarfainn dó.

Ní mé ach go tréith-lag níl maith dhá shéanadh
Agus níl mé ar aon nós ach mar an ceó.
Tá fuil mo chroí istigh dá silt, ina braonta,
Is a Dhia cén t-ionadh indiaidh mo mhíle stór.
Amn't I the pity, going to Carrigeen
Sighing and weeping - a miserable man
Cradling my child here on my breast
With no drop of milk to give to him.

I am tired and weary, there's no use denying.
There's none of me left - only a mist.
My heart is broken, my life's blood is pouring.
Is it any wonder and my true love dead.
Eerste twee coupletten van de lamentatie 'Sail Óg Rua' ('Young Red-haired Sally'), verwoord de misère van de hongersnood. Bron van deze tekst en vertaling, is van Tomás Ó Canainn (Ó Canainn, 1978)

Om een uitweg te vinden in deze ellende was, naast de dood, emigratie de enige uitweg, waarvoor duizenden Ieren uiteindelijk hebben gekozen, om daarna nooit meer terug te keren:

Ar an luing seo Phaidí Loingsigh sea nímse an dubhrón
Ag osnamh san oíche nó ag síor-ghol sa lá;
Mur bé síor-ól na gcartaí is an dlí a bheith ró-láidir
Ní i Santa Cruz a d'fhágainnse mo chnámha fá'n bhfód.

An uair a mhair mo cháirde ba bhreá mo chuid óir;
D'ólfainn lionn Spáinneach i gcomhluadar ban óg:
Mur bé gur dalladh m'intleacht smé i bhfad óm' mhuintir,
Dár maireann gur maith a chaoinfinnse Contae Mhuigheo.
On Patrick Lynch's boat, sorrowing I go
Sighing in the night and weeping all the day;
Only for the drink and the pressure of the law
It wouldn't be in Santa Cruz I'd lay my bones to rest.

When my friends were alive there was money to spare;
Spanish wine I'd drink in the company of the girls,
But now I am old and far form my people
Sadly I mourn my County Mayo.
De lament 'Contae Mhuigheo' ('The County of Mayo'), verwoord de heimwee naar de geboortestreek van de tekstdichter. Bron van deze tekst en vertaling, is van Tomás Ó Canainn (Ó Canainn, 1978)

Naar boven

2.3 Overzicht van voorbeelden uit het repertoire

De gegevens in het volgende overzicht zijn ontleend aan (Ó Canainn, 1978)(Henigan, 1991)(Breathnach, 1971/1997)(Mhaitiú, 2000)(O'Leary, 2000)(Ó Laoire, 2003)(Petrie, 1855)(Cooper, 2001)

Titel Strekking van de inhoud/componist
Amhrán an Tae The Song of the Tea Dialoog tussen man en vrouw Connacht
Amhrán Mhuighinse Lied voor Mhuighinse Een krachtig lokaal volkslied. De verklaring van Máire Ní Chlochartaigh op haar sterfbed, haar laatste wens en testament in liedvorm. Haar verzoek was om begraven te mogen worden op haar geboorteplek Muighinis, na een levenslang verblijf in Leitir Calaidh (Lettercallow), aan de overkant van de baai. Connemara
Anach Cuain Anach Cuan Lamentatie over de verdrinkingsdoor van inwoners uit Anach Cuain in de 19e eeuw Galway
An Buachaill Caol Ard The Tall Thin Boy Liefdeslied Connemara
An Caisideach Bán White-haired Cassidy Autobiografisch van de dichter van deze air: Tomás Ó Casaide, met een bekentenis van zijn liefde voor Caisideach Ulster/Connacht
An Buachaill Caol Dubh The Dark Slender Boy Erotische symboliek. George Petrie's Ancient Music of Ireland (1855), p.21 Munster, Connacht
An Ceannaí Bán The Fair-haired Buyer (poëzie van Séamus Ó Cionnfhaolaigh) Schipbreuk Waterford
An Chéad Mháirt 'e Fhómhar The First Tuesday of Autumn Lamentatie door Séamus Ó Dónails voor zijn zoon Pádraig, die omkwam bij een oversteek tussen Rann na Feirste (Ranfast) en Gaoth Dobhair (Gweedore), voor het verkrijgen van voorraden ter bereiding van poitín. Rann na Feirste, Donegal
An Crúiscín The Little Jug Drink-lied
An Crúiscín Lán The Full Jug Drink-lied met een strekking om mannen te verzamelen om samen met de oude vijand op te trekken. Een zogenaamde 'treason-song', met een relatief onschuldig onderwerp, zoals drinken en liefde, doch met een revolutionaire ondertoon.
An Droighneán Donn,
An Draighneá Donn
The Blackthorn Tree Liefdeslied. Een gedicht in de caoineadh-vorm. Connemara
An Goirtín Eornan The Little Field of Barley Een persoonlijk verklaring over liefde, natuur en pech Ulster/Connacht
An Mhaighdean Mhara The Mermaid Donegal
An Raibh tú ar an gCarraig? Were you at Carrick? Erotische symboliek, doch interpreteerbaar als een symbolisch lied over een 'Mass-rock' (= steen voor een buitenlocatie voor katholiek mis)
An Saighdiúir Tréigthe The Deserted Soldier Een soldaat betreurt dat hij in het leger heeft gediend en hoopt dat hij met zijn zelf-veroorzaakte wond zichzelf ongeschikt heeft gemaakt voor het leger en ten overstaan van zijn liefde zich bewijst Donegal
An Saor The Wandering Mason (saor) Erotisch/sexueel: Ondanks de weigering van de moeder om de 'zwervende metselaar' binnen te laten, staat de dochter erop om hem te ontvangen, voor meer dan een welkom. Cork
An Súisin Bán
(Má Bhíonn Tú Liom)
The White Blanket
(If You are with Me)
Erotisch/sexuele symboliek
Aréir us mé ar mo Bhogadail Last night as I was wandering Drinklied
Badaí na Scadán The Herring Boys Lamentatie inzake het vergaan van een vissersboot van Inis Fraoigh (eiland tussen Arranmore en Burtonport) Donegal
Bean an Fhir Rua The Red Haired Man's Wife Over de liefde van een man voor een getrouwde vrouw. Connemara
Bean an Leanna The Woman of the Alehouse Drinklied Connacht
Bruach na Carraige Báine The Edge of The White Rock
(poëzie van Domhnall Ó hArachtáin)
Liefdeslied Munster
Buachaill an Chúil Dualaigh Curley-Headed Boy Erotische symboliek. George Petrie's Ancient Music of Ireland (1855) vol. 2, p. 23 Galway
Caioneadh na Marbh Lament for the Dead Lamentatie voor de doden Connacht, Aran-eilanden
Caiptín Ó Máille Captain O'Malley Schipbreuk Connemara
Caiseal Mumhan Cashel of Munster Erotische symboliek (religieus interpreteerbaar)
Caisleán Uí Néill Castle O'Neill Een vrouw treurt om haar geliefde, die zich in Castle O'Neill bevindt. Een obsessieve meditatie over een vrouw die door een gevoelloze minnaar wordt verraden en verlaten. Connemara
Carraig Aonair Fastnet Rock Met betrekking tot het meest zuidelijke eilandje van Ierland. Cork
Caoineadh na Luasach Lament for the Luceys (O'Lucey's men) (poëzie van Seán Ó Cíobháin) Treurzang over drie verdronken vissers Munster
Cath Chéim an Fhia The Battle of Keimaneigh Door dichteres Máire Bhuí Ní Laoire: over een slag in het district Uibh Laoire (West-Cork) Cork
Contae Mhuigheo The County of Mayo Heimwee na emigratie Mayo
Dónal Og Young Donald Een obsessieve meditatie over een vrouw die door een gevoelloze minnaar wordt verraden en verlaten. Connemara, Waterford, Donegal
Donncha Bá Fair Dennis De klaagzang van een vrouw voor haar broer, die per abuis door Sheriff Ó Maolchrón werd vermoord. Hierop volgt de wraakvolle vloeken van de nakomelingen. Dit terwijl de atletische dapperheid en de sexuele aantrekkingkracht van de dode held in het lied worden benadrukt. Dit lied heeft kenmerken van de poëtische caoineadh-vorm (Ó Laoire, 2003). Connemara
Eamonn a Chnuic Edmund from the Hill Een lied over de 17e eeuwse held Edmund Ryan. Oud lied: 18e eeuw. Tipperary
Eileanóir na Rún Eleanor na Run
('Eibhlín a Rún', 'Eileen Aroon')
Over een symbolische dionysische bedrieger die Eileanóir Kavanagh poogt te verleiden. Gedicht toegeschreven aan de 17e eeuwse dichter en harpist Cearbhall Ó Dálaigh [Carol (Gerald) O'Daly].

Eleanór a Rún, gezongen door Róisín El Safty tijdens de Willie Clancy Summer School, Miltown Malbay.
Connemara
Fill, a Rún, Fill Fill a Rúin Ó Return, my love Dit treurlied dat mogelijk over Damhnaic Ó Domhnaill (Doiminic Ó Dónaill, Dominick O'Donell), uit Carraig Airt in Donegal, handelt die in 1700 was geboren. Zijn moeder treurt om het feit dat deze katholieke priester in 1739 een protestantse dominee werd. Dit lied heeft kenmerken van de poëtische caoineadh-vorm (Ó Laoire, 2003)(noot 1) Connemara, Donegal
Im Aoanar Seal By Myself Alone Een aisling-gedicht van Eoghan Rua Ó Súilleabháin (Owen Roe O'Sullivan, 17481784) Connacht
Is Fada ó Bhaile a d'Aithneóinn It's Far from Home I'd know you Liefdeslied Donegal
Liam Ó Raghaille Lamentatie Connacht
Máire Bhéal Atha hAmhnais Mary from Ballyhaunis Emigratie en een klaagzang naar zijn geliefde. Door dichter Tomás Ó Casaide Ulster/Connacht
Máire Ní Eidhin Mary Hynes Liefdeslied Connemara
Máir Ní Ghríofa Mary Griffin Liefdeslied Connemara
Máire Standún Mary Staunton Een uitgebreidde en nauwgezette lofzang voor een jonge vrouw, met referenties naar heldinnen en godinnen uit de Gaelische en klassieke mythologie, alsmede naar enkele prominente schrijvers uit latere traditie Connemara
Mo, Shlán chun a'Bhaile Farewell to my Town Emigratie-lied. Treurzang over het achterlaten van dierbaren. Waterford
Nóra Bhán Fair Nora Liefdeslied Connemara
Nóra Ní Chonchubhair Bháin Fair Nora O'Connor Liefdeslied Connemara
Ráca Breá mo Chinn My Fair Hair-comb Erotisch/sexuele symboliek
Róisín Dubh Dark Rose Patriotisch aisling-lied, gebaseeerd op een oud liefdes-gedicht. De beschreven liefde is een metafoor voor Ierland.
Ros a'Mhíl Chois Cuain Rossavael By the Sea Liefdeslied Connemara
Sagart na Cúle Báine The Priest of the Fair Hair Loflied aan een gestorven priester met een erotische ondertoon Connemara
Sail Óg Ruadh Young Red-haired Sally Hongersnood en een klein kind om te voeden
Seán Ó Duibhir a' Ghleanna John Dwyer of the Glen De dood van Colonel John O'Dwyer als soldaat in Spanje (17e eeuw). Een gedicht van Eoghan Rua Ó Súilleabháin (Owen Roe O'Sullivan, 17481784) Waterford
Seoladh na nGamhna Driving the Calves Liefdeslied Connemara
Sliabh Geal gCua Bright Sleave Cua Heimwee Waterford: Déise
Snaidhm an Ghrá The Love Knot Moraal dilemma over een verboden liefde Cork
Tá Mé i mo Shuí I am awake Een liefdesgedicht en een gebroken hart Rann na Feirste/Gaoth Dobhair, Donegal, doch ook populair elders
Táimse mo chodladh is ná dústear mé I am asleep and don't wake me 'Treason-song'. De zanger droomt dat de vijand is verslagen en eventueel zijn slaven werden, die zijn ploeg trekt en zaait. De laatste regel geeft het lied zijn titel en is reeds honderden jaren in Ierland en Schotland bekend.
Táim Sinte ar do Thuama I am Stretched on your Grave Lied over de dood van een geliefde Connacht, Kerry
Tá tú 'dul Amáireach You are Leaving Tomorrow Lamentatie voor een stervende Waterford: Déise
Táilliúir a' mhagaidh The Mocking Tailor Over de afwijzing van een huwelijksaanzoek Connemara
Tráthnóinín ó Dé Domhnaigh A Week ago on Sunday Treurnis om een geliefde, die met een ander trouwt Connemara
Úna Bhán White-haired Una Sentiment rond een geliefde
Úna Dheas Ní Nia Pretty Úna MacNee Liefdeslied Connemara

Naar boven

3. De vorm van sean-nós

3.1 Hoofdkenmerken

Bij het vaststellen van de hoofdkenmerken van de stijlen, moet men zich er van bewust zijn, dat de mate waarin deze in de zang terugkomen, zowel regionaal als plaatselijk verschillen. Daarnaast zijn ze ook afhankelijk van een persoonlijke invulling. Deze kenmerken, zijn in het onderstaande overzicht samen te vatten:

Verder geldt nog een algemeen voorkomende kenmerk in de Gaelische muziek, namelijk het gebruikte toonmateriaal, dat onder de noemer van folkmodaliteit valt, dit is bij de sean-nós (en ook bij het zingen van de traditionele laoithe, zie Bardisch vers: Fenian lays) voor een groot deel pentatonisch of hexatonisch. Folkmodaliteit wijkt af van het Westerse tonale systeem van majeur en mineur. Deze modaliteit houdt in, dat men van toonladders gebruik maakt, die bekend staan als de zogenaamde kerktoonladders, voornamelijk: eolisch, dorisch, mixolydisch en ionisch, waarbij met name de pentatonische en hexatonische toonreeksen, daaruit zijn af te leiden.
Lees meer hierover in het hoofdstuk: Toonsystematiek: Folk-modaliteit

De frasering van sean-nó heeft gewoonlijk de vorm AABA en ABBA, doch ook ABAB.

3.2 Ornamentiek

De ornamentiek, kan op twee verschillende manieren binnen een aanvankelijk eenvoudige melodie worden bewerkstelligd:

De wijze van versieren heeft zijn weerslag op de mogelijke variaties van een lied:

Alhoewel Connemara-zangers soms gebruik maken van ritmische variatie, is de belangrijkste kenmerk melismatisch. De Munster-zangers passen zowel de ritmische, interval als de melismatische variaties toe (Ó Riada, 1982).

Transcriptie van de ornamentiek van een sean-nós-uitvoering van de ballade Úna Bhán (White-haired Úna). Ontleend aan: (Breathnach, 1971/1997)
De onderstaande midi-file geeft een synthetische weergave van bovenstaande transcriptie:
Midi

Naar boven

3.3 Variatie en intonatie

Dat wil zeggen dat er een grote mate van vrijheid bestaat voor toonhoogte, waarin afwijkingen van de toonfrequenties en toonintervallen zijn te constateren ten opzichte van de huidige standaardstemming (evenredig zwevende temperatuur). Men kan hier dus spreken van een vorm van microtonaliteit (Ó Canainn, 1978), waarmee een toonfrequentie-spreiding binnen melodische intervallen optreedt.

De volgende tabel geeft de gemiddelde waarden in cents van grote secunden bij de uitvoering van sean-nós, zoals die zijn gemeten door Richard Henebry (1928). De grote secunde van de evenredig zwevende temperatuur bedraagt 200 cents (Cooper, 2005):

Melodie-intervalGemiddelde waarden in centsStandaard-deviatie
A - B
G - A
A - G
E - F#
F# - E
210,2
187,5
184,2
206,4
219,8
56,2
40,4
51,9
45,4
42,0

Zie meer hierover in het hoofdstuk Introductie: Stemmingen, intonatie en tempereringen: Intonaties bij sean nós-zang.

3.4 Techniek en stijl

Naast de diverse kenmerken, die hierboven reeds zijn beschreven, zijn er nog andere muzikale en technische aspecten van belang (Ó Canainn, 1978)(Ó Riada, 1982):

Naar boven

4. Hypothesen over de herkomst van sean-nós

4.1 Sean-nós als archeologisch artefact 'in vivo'

In 1986 publiceerde de Ierse schrijver en filmmaker Bob Quinn een boek met de titel Atlantean. Een tweede werk, een uitbreiding van het eerste boek The Atlantean Irish, verscheen in in 2005. Het materiaal van het eerste boek was aanvankelijk gedocumenteerd in een eerder geproduceerde filmtrilogie met dezelfde titel Atlantean (1984). In aansluiting op het boek The Atlantean Irish, maakte hij nog de film Atlantean epilogue: Navigatio.
Bob Quinn
Quinn's werk (Quinn, 1986) heeft veel stof doen opwaaien, vergezeld met de kritiek die hem hierdoor ten deel viel (noot 3). Dit neemt niet weg, dat zijn uitgebreid en nauwgezet onderzoek tot een interessante theorie heeft geleid, dat de Ierse identiteit beter valt te verklaren vanuit een maritiem oogpunt in plaats van de 300-jaar oude, en gangbare opvattingen van een Keltische kolonisatie vanuit het Europese vasteland. Alhoewel natuurlijk een duidelijke Keltische invloed op de Ierse cultuur bestaat, is deze in werkelijkheid veel beperkter, dan men in het algemeen aanneemt. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in diverse gebieden, vanaf Egypte, Marokko, Compostella, Oost- en Noord-Europa, tot aan diverse streken in Ierland, Wales en Cornwall. Zijn bewijsmateriaal bevat zowel archeologische, linguistische, kunstzinnige, religieuze als economische aanknopingspunten. Quinn's maritieme theorie ligt voor de hand. De zee, met name de Middellandse Zee en Atlantische Oceaan, is tenslotte het veilige gebied, dat door de eeuwen heen niet is verstoord door allerlei politieke veranderingen, volksverhuizingen, kolonisaties, oorlogen, etc.

Zoals gezegd, gaat Quinn hier recht tegen de gangbare opvatting in, dat de continentale Kelten ca. 500 v.C vanuit het continentale Europa de Britse eilanden veroverden. Het staat in ieder geval vast, dat meer wetenschappers, niet louter historici en archeologen, maar ook genetici (noot 4), onafhankelijk van Quinn's ideeën, de 'invasie-theorie' laten wankelen.
Naast de reeds genoemde culturele, taalkundige en kunstzinnige aanwijzingen, bestaat volgens Quinn een 'levend archeologisch' bewijs voor zijn theorie. Dat is de sean-nós-stijl van Connemara, waarvan de kenmerken in gelijksoortige zangstijlen in de gebieden rond de Atlantische en Middellandse Zee-kust tot aan Rusland toe, zijn terug te vinden.

Sean Ó Riada
Hiermee trad Bob Quinn in de sporen van Sean Ó Riada's geopperde idee in 1962, die hij tijdens een radiouitzending van de Ierse omroep RTE (Ó Riada, 1982) ventileerde, alsmede die van de muziekcriticus Charles Acton (1914-1999) in zijn Irish Music and Musicians (1978). Een vermeende oosterse connectie van twee Ierse 'lullabies' was reeds opgemerkt door George Petrie (Petrie, 1855)(Cooper, 2001).

Ó Riada zegt met betrekking tot zijn ideeën (Ó Riada, 1982):

"Irish music is not merely not European, it is quite remote from it. It is, indeed, closer to some forms of Oriental music. The first thing we must do, if we are to understand it, is to forget about European music. Its standards are not Irish standards; its style is not Irish style; its forms are not Irish forms"

Bob Quinn en Sean Ó Riada zijn onmiskenbaar uitgegaan van hun muzikale intuïtie, bij het vergelijken van de noordafrikaanse en oosterse muziek met sean-nós. Het kan inderdaad onmogelijk ontkend worden, hetgeen iedere luisteraar kan controleren en zeker zal beamen of bevestigen, dat er zeer opvallende overeenkomsten bestaan tussen de Connemara-stijl en de solo-zang van de Berbers van Maghreb, met name die van Marokko. Eveneens zijn er similariteiten van de pentatonische ornamentale zang van Nubiërs in Egypte tot aan die van Tatarstan is de Russische Federatie aangetroffen. Dezelfde vrij-ritmische stijl zijn eveneens herkenbaar in de diverse 'airs' voor de uilleann pipes.

4.2 Een Iers-Spaanse connectie?

Musicoloog David Cooper bekritiseert Quinn's ideeën niet, om zijn nauwgezette research, maar wel om, volgens Cooper, zijn onvolledige onderzoek naar de muziek zelf. De bewijsvoering van een Noord-Afrikaanse connectie is zijns inziens zwak. Cooper speculeert eerder op een Europese oorsprong van sean-nós, met name uit Spanje, dan uit Noord-Afrika.
In zijn artikel On Imagining the Mediteranean (Cooper, 2001) wijst hij op de grote variëteit van de Arabisch-Marokkaanse muziek. Met name de Arabisch-Andalusische muziek of al-âla (een opmerkelijke naam, die lijkt op het Galicische alalá), en het direct daaraan gerelateerde genre al-gharnâti, dat ook in Algerije wordt gehoord. De Arabisch-Andalusische traditie is gedurende de 9e eeuw van Bagdad naar Spanje gebracht en kwam rond de 13e eeuw in Noord-Afrika terecht doordat de Arabieren uit Spanje werden verjaagd. Zo zou het een rol hebben kunnen spelen bij de Berbers in Marokko. Cooper onderscheidt drie kenmerkende genres:

Karakteristieke kenmerken van het laatste genre zijn de tweedelige maatsoorten en (enhemitonische) pentatoniek, zoals in veel Ierse en Schotse muziek. Een schijnbaar verband tussen de Berber- en Ierse muziek is dan snel gelegd. Cooper ziet voor wat betreft de bovengenoemde drie verschillende genres geen direct bewijs van een connectie met sean-nós.

Een tweede similariteit met sean-nós, is die van het zingen van de Islamitische zang van de Arabische-Berbers, die naast Quinn ook door de journalist Luke Verling is opgemerkt (The Limerick Leader, januari 2002). Koranzang door leerlingen (tôlba) zou een muzikale traditie zijn, die van de Berbers is 'geleend' (Schuyler, Ph., D.; Rwais and Awash: Opposing Tendencies in Maroccan Berber Music and Society; In: The World of Music; 1979; 21, nr. 1; p. 65, 80). Ondanks de overeenkomsten, zoals een laag tempo het gebruik van melismatische versieringsvormen, meldt Cooper daarentegen wel verschillen in de onderliggende basis van beide vormen. Terwijl de Koranzang volgens een uitgebreide, doch nauwgezette vaste structuur wordt uitgevoerd, is de melodie van sean-nós aanvankelijk eenvoudig afgebakend en wordt tijdens het uitvoeren, op een (semi-)improviserende wijze door middel van ornamentiek op de woorden, verder doorontwikkeld. (Cooper, 2001)

Cooper is het eens met Hugh Shields (Narrative Singing in Ireland; 1993; Irish Academic Press) in zijn bewering, dat indien er een internationale connectie bestaat, dat deze eerder in Europa gevonden moet worden dan in Noord-Afrika. Als argument verwijst hij naar bevindingen van de Amerikaans musicoloog en folklorist Alan Lomax. Deze geleerde verzamelde een groot aantal opnamen 'in het vrije veld' in de Spaanse provincie Cácares in de Extramadura-streek. Deze opnamen en transcripties van Extremeense muziek (Manuel García-Mato: Cancionero Popular de la Provincia de Cáceres, vol.2; 1982; Lírica Popular de la Alta Extremadura, Barcelona) van Cáceres, bevatten liederen met een hoog ornamentaal karakter en regelmatige strofische vormen, die volgens Cooper beter vergelijkbaar zijn met sean-nós dan met de Marokkaanse Koranzang.
De belangrijkste vocale vorm van het Noord-Spaanse Galicië is de alalá, deze is eveneens voorzien van een hoge mate aan ornamentiek. Deze term is eigenaardig genoeg hetzelfde als die van het Arabisch-Marokkaanse woord al-âla, voor Arabisch-Andalusische muziek. Cooper geeft aan dat er niet getwijfeld hoeft te worden aan een eeuwenlange connectie tussen het katholieke Spanje en Ierland, waarbij het volgens hem evident is dat er een uitwisseling van muziek tussen de twee culturen niet onwaarschijnlijk is (Cooper, 2001).
De oudst bekende connectie is zeer oud en bewezen vanuit genetisch onderzoek (McEvoy et al., 2004) en archeologische vondsten (typische bronstijd-inscripties in de z.g.n. Clonfinlough steen nabij het Ierse Clonmacnois, graafschap Offaly, die ook in Spanje zijn gevonden (MacGowan, 1991). Een meer recente culturele verbinding van Ierland en Spanje moet zijn ontstaan tijdens de intensieve handel van Galway en Spanje vanaf de 16e eeuw en na de vernietiging van de Spaanse 'onoverwinnelijke vloot', de Armada in 1588, waarna overlevende Spanjaarden zich in Ierland, mits zij niet door de Engelse overheersers werden afgeslacht, met name in Galway hebben gevestigd.

4.3 Mogelijke herkomst uit middeleeuwse Arabo-Europese invloeden

Volgens Peter van der Merwe, bestaat er grof gezien, een duidelijk verschil in de 'Keltische' en 'Engelse' muzikale idiomen, doch zijn er wel bepaalde nuanceovereenkomsten op te merken. Zo kan in Engeland een versierende, diffuse, nasale en intense stijl opduiken, zoals dat in Ierland het geval is, terwijl in Schotland en Ierland musici te vinden zijn, die met name voor recht-toe-recht-aan liederen kiezen zonder deze specifieke kenmerken. Bovendien kan, volgens hem, het oosterse karakter tot vergissingen leiden. De precieze herkomst van de 'Keltische' stijl is volgens van der Merwe onmogelijk te bepalen. Toch is hij van mening dat de 'oosterse' stijl gemakkelijker valt te verklaren als een overleving van de Arabische invloeden, die gedurende de middeleeuwen zich over Europa hebben verspreid (van der Merwe, 1989). Feitelijk kan de vermeende Arabische oorsprong wellicht een ondersteuning voor Quinn's Atlantean-theorie zijn:

"Some Irish performances, both vocal and instrumental, are so Oriental in character that they could easily be mistaken for something out of the Balkans or Near East. The exact provenance of this style is impossible to determine, but the likelies explanation is that it is simply a survival of the Arab-influenced music that spread over Europa during the Middle Ages."

Naar boven

5. Overzicht van Sean-nós-zangers

Tot slot volgt hier een lijst met enkele namen van gedocumenteerde sean-nós-zangers uit de betreffende gebieden van Ierland.

Naam zanger m/v Streek Bron
Áine Bean Mhaitiú v Connemara (Mhaitiú, 2000)
Aine Ní Chellaigh v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Aine Ní Ghallachóir v Goath Dobhair, Donegal (Henigan, 1991)
Pat Phádraic Tom Ó Conghaile m Spiddal bij Galway (Cooper, 2001)
Anne Mulqueen v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Aoife Ní Fherraigh v Donegal (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Caitríona O'Leary v Donegal (O'Leary, 2000)
Darach Ó Catháin m Connemara (Ó Riada, 1982)(Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Diarmuid Ó Sulleabhain m Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Eibhlin N´ Bheaglaioch v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Eibhlin Ní Churtain v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Eibhlis N´ Shuilleabhain v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Finola Ní Shiochru v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Gearóidín Breathnach v Donegal (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Hiúdaí Ó Duibheannaigh † m Donegal (Henigan, 1991)
Josie Sheáin Jeaic Mac Donncha m Carna, Connemara (Ó Laoire, 2003)
Labhrás Ó Cadhlaigh † m Déise, Oost-Munster (Ó Riada, 1982)
Lillis Ó Laoire m Donegal (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Maire Ní Cheilleachair v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Máire Ní Cheocháin v West-Cork (Ó Riada, 1982)
Máire Áine Nic Dhonnchadha v Connemara (Ó Riada, 1982)(Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Mairead Ní Dhomhnaill v Donegal (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Mairéad Ní Mhaonaigh
(van de groep Altan)
v Donegal (Cooper, 2001)
Neilí Ní Dhomhnaill † v Goath Dobhair, Donegal (Henigan, 1991)
Neillí Curran v Goath Dobhair, Donegal (Henigan, 1991)
Nioclás Tóibín m Déise, Oost-Munster (Ó Riada, 1982)
(Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Nora Grealish v Connemara (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Paddy Tunney m Donegal (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Pádraig Ághas m Connemara (RTE, 1967)
Pádraig Ó Tuama m West-Cork (Ó Riada, 1982)
Padraigin Ní Uallacháin v Donegal (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Philip Enright m Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Robbie McMahon m Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Sailí Gallagher v Rann na Feirste, Donegal (Henigan, 1991)
Sarah Ghriallais
Sarah Grealish
v Connemara (Ó Laoire, 2003)(Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Seán Ac Dhonncha
Sean Mac Donnacha
m Carna, Connemara (Ó Riada, 1982)(Ó Canainn, 1978)
(Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Seosamh Ó hÉanaí m Connemara (Ó Riada, 1982)
(Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Seosaimhin Ní Bheaglaioch v Munster (Ó Maoldomhnaigh, 2004)
Síle Ní Ghallachóir v Donegal (Henigan, 1991)
Sorcha Ní Ghuairim m Connemara (Ó Riada, 1982)

Naar boven

6. Annotaties en bronnen

6.1 Voetnoten

  1. Dit werd als zeer pijnlijk ervaren vanwege de onderdrukking van de Ierse katholieke bevolking (Penal Laws). Het streefdoel van de Engelsen was dan ook om de bevolking van Ierland uiteindelijk tot het protestantisme te dwingen, hetgeen met uitzondering van Noord-Ierland nooit is gelukt.
  2. Eigenlijk worden de stembanden als het ware 'afgeknepen'. Een voorbeeld in het Nederlands waarin glottisslag optreedt, is in het woord beamen (be'amen).
  3. Een felle discussie tussen de academicus Lillis Ó Laoire, zelf een niet onverdienstelijke zanger van de Donegal-stijl en Bob Quinn vindt u op de website van de Université De Lyon: http://socio.univ-lyon2.fr/IMG/pdf_O_Laoire_-_Sean-nos_Singing_Exoticism.pdf. De aanleiding hiervan is Ó Laoire's recentie op de CD's van de Connemara-zangers Josie Sheáin Jeaic en Sarah Grhiallais, gevolgd door een beschuldiging van exotisme en nationalisme aan het adres van Sean Ó Riada (genoemd) en Bob Quinn (ongenoemd). Ó Laoire's artikel verscheen in de Journal of Music (Ó Laoire, 2003).
  4. Het gaat te ver om uitgebreid deze recente opvattingen en wetenschappelijke resultaten hier te behandelen. Om een goede indruk te krijgen, lees dan in dit verband:

6.2 Geraadpleegde bronnen

Literatuur

6.3 Aanvullende informatie

Www

6.4 Media

DVD

Video