[Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Laatste update: 11-01-2015][Hoofdstuk: Vormen en technieken][Gebruiksvoorwaarden]

"Three things incapable of change: the laws of nature; the quality of truth; and the laws of Bardism; for whatever is found to be beautiful, good, and just, belongs to each one of those things."

Iolo Morganwg (1747-1826) in 'Barddas' ('Triads of Wisdom')

Cerdd dant. Deel 4. Het Iolo Morganwg manuscript

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Facsimiles en bronnen
    1. 1.1 Facsimiles en downloadbaar online-materiaal
    2. 1.2 Iolo Morganwg
  2. 2. 2. Het manuscript
    1. 2.1 De inhoud en aanwijzingen voor navigatie
    2. 2.2 Andere historische bronvermeldingen van het repertoire
    3. 2.3 Commando en tekens
    4. 2.4 Het handschrift
    5. 2.5 Aanwijzingen voor een metrische structuur
  3. 3. Analyse
    1. 3.1 Technische figuren (movements)
    2. 3.2 Cwlwm is gywair
    3. 3.3 Cwlwm bach ar y go gywair
    4. 3.4 Yr hen gwlwm ar y go gywair
    5. 3.5 Medle
  4. 4. Geraadpleegde bronnen

1. Inleiding

1.1 Facsimiles en downloadbaar online-materiaal

Voor voldoende achtergrond-informatie over cerdd dant en de ontcijfering van het Robert ap Huw-manuscript, kunt u de voorgaande artikelen raadplegen: Cerdd dant: deel 1, Cerdd dant: deel 2 en Cerdd dant: deel 3.

Een gedrukte facsimile van Lbl Add MS 14970 of het Iolo-Morganwg-manuscript, treft u aan op pagina 1079-1088 van:
Jones, O. (red.), Williams, E. (red.), Pughe, W.O. (red.); Thomas, J. (red.); The Myvyrian Archaiology of Wales, collected out of Ancient Manuscripts: Division I Poetry, Divison II Prose, Division III Prose; heruitgave 1870; Thomas Gee, Denbigh; p. 1079-1088. Eveneens bevat dit werk vanaf p. 1089 een gedrukte facsimile van onderdelen van Lbl MS Add. 14905 (Robert ap Huw-manuscript, RaH-ms). Dit boek is direct te downloaden van:
archive.org/download/myvyrianarchaiol00joneuoft/myvyrianarchaiol00joneuoft.pdf (Canadian Libraries).
Van dit exemplaar wordt expliciet vermeld dat er geen copyright-beperkingen aanwezig zijn. Zie voor details de website: archive.org/details/myvyrianarchaiol00joneuoft.
Helaas is het niet mogelijk om de originele scans van het manuscript te publiceren, juist vanwege copyright-beperkingen, die door de British Library zijn opgelegd. Ze zijn voor belangstellenden wel voor eigen gebruik en onderzoek te bestellen bij de British Library via de Imaging Services order form.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het gedrukte facsimile in The Myvyrian Archaiology of Wales (1870). Om hierin te kunnen navigeren, zoals dat op dezelfde wijze mogelijk is als in het originele manuscript, is het facsimile opgemaakt in het format van het originele manuscript. Het voordeel van het gedrukte 'Myvyrian'-exemplaar is, dat bepaalde correcties van Edward Williams in het facsimile zijn overgenomen. Dit neemt niet weg dat het toch nodig is geweest om andere kopieerfouten, die vanuit het origineel naar het facsimile zijn gemaakt, weer aan te passen op basis van het origineel.

Dit aangepaste document (hierna Myvyrian-facsimile genoemd) vindt u hier als pdf-bestand. Het is raadzaam om bij het lezen van dit artikel het document bij de hand te hebben.

Het tijdschrift Welsh Music History nr. 3 (1999, University of Wales Press, Cardiff) is een themanummer over het Robert-ap Huw-manuscript, met een artikel van Paul Whittaker over het Iolo-Morganwg-manuscript. De artikelen van dit tijdschrift zijn te vinden op de de website welshjournals.llgc.org.uk en is via deze link direct te downloaden:
welshjournals.llgc.org.uk/browse/viewobject/llgc-id:1176280/article/000059983
(De afbeeldingen, evenals de transcripties zijn helaas deels gecensureerd, kennelijk vanwege de, door de British Library opgelegde copyright-beperkingen)

1.2 Iolo Morganwg

Edward Williams
(Iolo Morganwg)
Edward Williams (1747-1826), die bekend staat al Iolo Morganwg (Ned of Glamorgan) was een geniaal persoon, die ondanks zijn verleden als dromer, fantast en vervalser nog steeds in Wales wordt geëerd. Hij stond sterk onder invloed van de romantische stromingen en was overtuigd aanhanger van het 18e eeuwse romantische neo-druidisme, en was ervan overtuigd dat de Welshe dichters de erven waren van de Keltische druïden. Als onderdeel van zijn droomwereld creëerde en stichtte hij de Gorsedd of the Bards of the Isle of Britain, waarbij hij destijds de geleerden kon overtuigen dat het een authentieke instituut was.
Naast nationalist, politiek radikaal en pacifist, alsmede schrijver van hymnen en dichter, was Edward Williams een antiquair, onderzoeker en speurder.
Een belangrijk resultaat van zijn speurtocht naar documenten is de collectie aan harptabulaturen. Deze zouden door hem zijn overgeschreven uit boeken die eigendom waren van de dichter Rhys Jones of Y Blaenau (1718-1801, zoon van John Jones of Y Blaenau), Llanfachreth, Merionydd (Gwynedd, Noord-Wales). Deze collectie van boeken is zonder een spoor achter te laten, verloren gegaan. Een belangrijk kenmerk van de muziektabulaturen dat er veel overeenkomsten zijn met het Robert-ap-Huw manuscript.

Naar boven

2. Het manuscript

2.1 De inhoud en aanwijzingen voor navigatie

Het Iolo Morganwg-manuscript (afgekort: IM-ms) is het document Lbl MS 14970, dat zich in de British Library bevindt. Het is een verzameling aan werken bestaande uit 323 folio, waarvan het grootste gedeelte is samengesteld uit overgeschreven werken van Welshe dichters. De muziektabulatuur is slechts een klein onderdeel van geheel en bevindt zich op de bladen fol.3r-8r. Het titelblad fol.1 geeft de datum van het manuscript en geeft een beknopt overzicht van de inhoud:

"Llên Gerdd Dant./ Rhys Goch Eryri./ Iolo Goch/Llawdden./
Gruyffydd Gryg./ O Lyfrau Rice Jones o'r Blaenau./ ym Meirion./ a gopïwyd gan/ Iolo Morganwg."
[In potlood: i.e. Edw. Williams] /1800".

Na twee blanco pagina's fol 1v-2r, geeft fol. 2v in potlood geschreven de titel voor het muziekgedeelte:

"Hen gerddoriaeth o Lyvyr Rhys Jones y Bardd"
('Oude muziek uit het boek van Rhys Jones de bard')
.

De pagina's met de tabulaturen zijn onderverdeeld volgens de originele folionummers: 3r, 3v, 4r, 4v, 5r, 5v, 6r, 6v, 7r, 7v en 8r.
De navigatie hierin vindt dan op dezelfde wijze plaats, zoals die ook wordt toegepast voor navigatie in het Robert-ap-Huw-manuscript. Aan de hand van het folio-nummer, regelnummer en kolomnummer, gescheiden door een punt. Bijvoorbeeld: 5r.3.7 betekent fol.5r, rij 3 en kolom 7. Of 6v.2-4: fol.6v, rijen 2 tot en met 4.

De tabulaturen omvatten vier muziekstukken:

3r.1-4 Cwlwm is gywair (niet compleet, alleen de secties XII-XV)
3v.1-4 - 5r.1-2 Cwlwm bach ar y go gywair
5r.3-4 - 7r.3-4 Yr hen gwlwm ar y go gywair
7v.1-3 - 8r.1-2 Medle (niet compleet, alleen de sectie I, gevolgd door twee regels in conventionele muzieknotatie)

Op fol. 8r zijn nog twee naamsvermeldingen aangebracht. De eerste luidt 'Ifan Edwart' ('Ivan Edwart'), hetgeen naar de harpist Evan Edwards (1734-1766) van Cerrig-y-drudion (Clwyd) kan verwijzen. Dit kan duiden dat hier sprake is van een nog vroegere kopie. Daarnaast nog een opmerkelijke naamsvermelding, die kennelijk in grafisch opzicht letterlijk door Edward Williams is overgenomen en mogelijk getranscribeerd kan worden als 'Pugh' ('ap Huw'?). De originele weergaven in fol. 8r toont eveneens een gecorrigeerde passage, die thuis hoort in Cwlwm bach ar y go gywair, op de plaats van de eerste kolommen van 6r.2, die in het origineel met potlood zijn doorgehaald. Deze correctie is in de bijgaande Myvyrian-facsimile toegepast (6r.2.1-12). Edward Williams omschrijft deze correctie op fol. 8r als volgt (transcriptie en vertaling Paul Whittaker):

"Y mae gwall wedi/ digwydd yn/ y drydydd adran/ or golofn a nodir fal/ ar ol y bis ail a/ llyma fal y dylai fod"

"A mistake has happened in the third part of the column marked like this, after the second 'bis', and this is how it should be"
(gevolgd door verticaal patroon van punten en het tabulatuurfragment van de betreffende passage)

Het muziekmanuscript wordt afgesloten met de volgende zin (transcriptie en vertaling Paul Whittaker):

"Ni ellais i a chwilio'n fanol gael un gwall arall ar a gopiais,
eithr y mae yn y llyfr a gopiais o honaw rai pethau yn o debyg
i walliau yn fy marn i, weithiau yn y goslefiaid, weithiau eraill yn
yr amseriaid, ond gadewais bob peth fal ydoedd, rhag fy mod yn camddeall
gan nad wyf etto wedi cyrraedd gwaelod y gyfrinach honn.
                                                                           Iolo Morganwg."

"With a careful search, I was not able to find any other mistake in what I copied,
except there are in the book from which I copied some things which look like mistakes,
sometimes in the notes, other times in the timings, but I have kept everything as it was,
lest I misunderstood, since I have not yet reached the bottom of this mystery.
                                                                                                     Iolo Morganwg."

De rest van het manuscript, vanaf fol.8v begint het gedeelte van het manuscript met een groot aantal gedichten.

Naar boven

2.2 Andere historische bronvermeldingen van het repertoire

De muziekstukken van IM-ms zijn zeker uniek te noemen ten opzichte van die in het Robert-ap-Huw-manuscript (RaH-ms). Juist omdat het hier gaat om drie voorbeelden van een cwlwm (voluit: cwlwm ymrison, meerv. clymau ymrison), die men nergens in het RaH-ms aantreft. Het IM-ms zorgt daardoor voor een mooie aanvulling op het RaH-repertoire. Overigens blijken deze stukken, qua opbouw niet veel verschillen met de caniadau te vertonen, daar ze eveneens zijn samengesteld uit secties, de z.g.n. ceinciau, vergezeld van een diwedd (soort refrein).

Er is onderzocht in welke andere cerdd-dant-bronnen de titels van de vier stukken het IM-ms worden aangetroffen (Whittaker, 1999).
De titel van het eerste stuk Cwlwm is gywair is in de diverse bekende bekende bronnen niet vermeld.

Voor Cwlwm bach ar y go gywair kan gezegd worden, dat deze titel is aangetroffen in de lijst van AB MS 2023-b (Panton 56, p.57) en van AB MS 17116-B (Gwynsaney 28, fol.66v). In dit verband met deze bronnen wijst Klausner naar andere kopieën van de lijst van Gwynsaney 28 in AB Llanstephan MS 55, AB MS 872D en AB MS Peniarth MS 155 Cerdd dant. Deel 1 Appendix C: repertoirelijsten en overzicht van tabulaturen. Verder vindt ment de titel ook op pagina 102 van Lbl MS Add. 14905 (RaH-ms).

De titel van Yr hen gwlwm ar y go gywair vindt men terug in AB MS 2023-b (Panton 56, p.64), maar ook op p. 102 van Lbl MS Add. 14905 (RaH-ms).

Van het laatste stuk Medle ('melody') kan gezegd worden dat het niet afkomstig is uit de cerdd dant traditie. Het is een versie van het stuk 'Medley' van de Engelse componist Edward Johnson (fl. 1572-1601). Het stuk komt in andere bronnen voor in verschillende gedaanten, voor luit, cittern, consort, toetsen en zang (Whittaker, 1999). Whittaker vergelijkt de versie in het Iolo Morganwg-manuscript met een transcriptie van het Fitzwilliam Virginal Book, nr. 243: 'Johnson's Medley' en de luittabulatuur van Lbl MS Add. 31392, fol. 18v.

2.3 Commando en tekens

De overeenkomsten met het RaH-ms is zeer treffend, gezien de gelijksoortige opzet, zoals de notatie van de noten in kolommen, de scheiding van een onder- en bovenpartij. Zo ook, alhoewel haastig getekend, de versierende lijn aan het einde van de secties, bestaande uit 'halve cirkels'. Daarmee ook kenmerkende woorden aan het einde van een sectie die betrekking hebben op de voortzetting, herhaling en afsluiting, 'fordd', 'bys' ('bis'), 'bys dechre', 'tervyn'. In verband hiermee treft men ook een aantal kenmerkende tekens aan, zoals spiraal- en lettervormige figuren:

Verschillende tekens die in het IM-ms zijn aangewend. De betekenis is niet altijd duidelijk. Helemaal links het spiraalteken, dat de grens van een herhaling weergeeft.

In het algemeen bestaan de stukken, zowel in het RaH-ms, als in het IM-ms uit secties, uit variaties (ceinciau), die eindigen met een slotfrase (diwedd), dat als een soort van refrein beschouwd kan worden. Het laatste kan af en toe een verandering ten opzichte van de voorafgaande cainc vertonen. Sommige variaties verschillen zo weinig van inhoud, zodat de originele schrijver een systeem van afkortingen en commando's geeft, alsmede tekens zoals een spiraalvormig-figuur (in beide manuscripten) of een kruis (in het RaH-ms). Zo kan het commando 'bis dechrau o'r groes' geïnterpreteerd worden als: 'herhaal vanaf het kruis-teken aan het begin [tot aan het eerste spiraal-teken]'. De meest toegepaste commando is 'ffordd', hetgeen het volgende impliceert: 'ga door als de vorige sectie, uitgaande van de variatietechniek, die zojuist is geïntroduceerd'. Alhoewel er duidelijke overeenkomsten met het RaH-ms aanwezig zijn, zijn de commando's in de laatstgenoemde volgens Whittaker minder consistent. De spiraaltekens zijn vaak weggelaten, zodat de instructie 'bis dechrau' ('herhaal vanaf het begin') tot het einde van de sectie geldt. Bij aanwezigheid van het spiraalteken, dan geldt: 'herhaal vanaf het begin tot aan het spiraalteken'. Robert ap Huw gaf verder weinig ruimte voor commando's, zodat hij zich louter beperkte tot de woorden 'ffordd' en 'dechrau', maar niet in een bepaalde samenhang. (Whittaker, 1999)

2.4 Het handschrift

Het IM-ms zelf toont echter een haastig handschrift met een aantal slordigheden. Het odoniaanse notenbeeld van het manuscript wordt gekenmerkt door een 18-19e eeuws handschrift, met veel schrijfvariaties, waarmee soms is geprobeerd een ouder handschrift letterlijk na te bootsen (voornamelijk de noten c, e en g), zoals men die ook in het vroeg 17e eeuwse RaH-ms aantreft. Een veel voorkomende vergissing is het feit dat de octaafaanduidingen soms abusievelijk zijn weggelaten of in sommige gevallen foutief weergegeven. Desondanks worden dezelfde octaaf-aanduidingen gebruikt zoals die ook in het RaH-ms voorkomen:

De harpstemming met alle natuurlijke tonen, behalve de toon b is gebaseerd op Greenhill, P., 2001, part 3 Tuning

Paul Whittaker meldt de moeilijkheden die Edward Williams heeft moeten ondervinden met de lettertekens in het oude handschrift (zie in de afbeelding hierboven), zoals de e, die hij regelmatig aanzag voor de letter d, die in de oude notatie erg veel op de e lijkt. Vanaf fol. 6v komt daar volgens Whittaker een verbetering (Whittaker, 1999). Afgezien van Whittakers constatering, is het daarnaast duidelijk dat Edward Williams ook problemen had met de g in 7v.1.11 en 7v.2.1-12, waarin krampachtig is geprobeerd om de 'ij'- of 'gamma'-vormige g van het oude handschrift exact te kopieëren. Deze krampachtige figuren zijn in de gedrukte Myvyrian Archaiology of Wales-uitgave foutief overgenomen met ondefinieerbare tekens.
Zo ook in de eerste vijf kolommen van het derde stuk Yr hen gwlwm ar y go gywair. Deze treffen in het manuscript aan op 5r.4.1,5. In het originele manuscript zijn deze echter wel identificeerbaar als respectievelijk een liggende 'd' en een liggende 'b'.

Naar boven

2.5 Aanwijzingen voor een metrische structuur

Bij bestudering van het IM-ms zien we sterke overeenkomsten met opvallende kenmerken in het RaH-ms. Zo ook de notatievormen die op een metrische structuur van de muziek wijzen. [Zie ook: Cerdd dant 3: 2.2 Aanwijzingen voor maatvoering in het manuscript, gebaseerd op Greenhill, P., 1998, part 5 Metre]

1. Een 'ritmische' notatie in de vorm van nootstokken, vlaggen en waardestrepen boven de tabulatuurtekst. In het Engels kortweg 'fencing' genoemd.
2. Verticale 'maatstrepen' in de tabulatuurtekst.
3. Pulsen, als een karakteristiek gegeven van de tabulatuur in de vorm van bijvoorbeeld uitgeschreven akkoorden of tonen in de onderpartij. De mate van herhaling van deze akkoorden impliceert een bepaalde periodiciteit.
4. Frasering

ad. 1 'Fencing' (letterlijk: 'hekwerk'). Deze notatie suggereert een ritmisch voorschrift voor een bepaalde passage. Voor het RaH-ms meldt Peter Greenhill, dat er aanwijzingen bestaan, dat het daar gaat om een latere toevoeging aan de originele kopie. Kennelijk door Robert ap Huw zelf aangebracht, maar gedaan vanuit een naïeve interpretatie, veroorzaakt door een gebrekkige kennis van de tabulatuurnotatie. Het grote verschil met het RaH-ms is juist het veelvuldig gebruik van deze notatievorm in het IM-ms. Men ziet het boven iedere regel staan en zijn zodanig weergegeven, zoals dat in oude luittabulaturen de gewoonte was. Dit geeft aan dat Edward Williams vanuit een onwetende zienswijze werkte en geen idee had op welke wijze het manuscript geïnterpreteerd moest worden. (Zie ook: Whittaker, 1974, p. 220 e.v.)
Voor beide manuscripten, valt te concluderen dat deze 'ritmische notatie' geen toevoeging heeft ten opzichte van de letternotatie in de tabulatuur. Een uitzondering hierop is volgens Paul Whittaker het laatste stuk 'Medle'. Hij zegt het volgende hierover (Whittaker, 1999):

"Given the scribe's great attention to detail, this anomaly is difficult to understand, and my provisional conclusion is to ignore the signs in the first three pieces in the manuscript, except as a very general guide to assist performance; rather we must rely on our limited understanding of the metrical implications of the system of cyweirdant and tyniad measures. The exception in this instance is the fourth piece, 'Medle' where teh rhythmic signs follow the metrical logic of the fragment very precisely."

ad. 2 Verticale 'maatstrepen'. Zowel voor het RaH-ms en IM-ms geldt dat zij niet als een standaard-hulpmiddel beschouwd moeten worden, doch er zijn er veel voorbeelden in de tabulatuurtekst aanwezig, die consistent met de muziek blijken te zijn. Daardoor zijn ze in de meeste gevallen, met het oog op reconstructie, erg nuttig.

ad. 3 Pulsen. De regelmatig voorkomende akkoordnotaties suggereren een mate van periodiciteit. Uit deze akkoordreeksen valt veel te zeggen en in veel gevallen zijn de mesur direct eruit af te lezen. Met name op plaatsen van de zogenaamde ostinato-figuren. De pulsen hangen direct samen met de digits, de '1'-en en '0'-en van de mesurau.

ad. 4 Frasering. Andere aanwijzingen die leiden tot de maatvoering zijn de fraseringen, of zinsbouwvormen in de bovenpartij die door de pulsen van de onderpartij worden ondersteund.

Naar boven

3. Analyse

3.1 Technische figuren (movements)

In het IM-ms, treffen we veel movements aan zoals men die in het RaH-ms tegenkomt, maar ook enkele die daar niet in voorkomen. Het is opvallend dat bepaalde movements verhoudingsgewijs juist meer aanwezig zijn, dan dat deze ten opzichte van het RaH-ms het geval is. Voor de interpretatie van het manuscript dient men rekening houden dat sommige figuren abusievelijk verkeerd zijn gekopieerd of weggelaten. Hieronder een opsomming van deze gevallen. Zie ook: Cerdd dant. Deel 2, paragraaf 5. Speeltechniek en Greenhill, 1996, part 4 Technique.

  1. Op fol. 3r zien we een abusievelijk weglating van plethiad mawr in kolom 3r.2.3.

  2. Een ysgwywd y bys-symbool zonder noot in kolom 4v.3.12. Daar dit figuur direct door y plethiad byr, met als hoogste noot, een c gevolgd wordt, is het duidelijk dat de ysgwyd y bys betrekking heeft op dezelfde c.

  3. De functie van de drie punten , boven de g| is niet duidelijk. Deze punten werden niet in de gedrukte facsimile uit 1870 overgenomen.

  4. In kolom 4v.3.15 zien we een figuur, waarvan het niet ondenkbaar is, dat dit een verkeerd overgenomen hanner krafiad op g-a is.

  5. Niet ver daarnaast in kolom 4v.3.21 staat een enkele toon b met daarboven een horizontale golfvormig figuur, voorzien van een \\-symbool. Paul Whittaker heeft dit geïnterpreteerd als een tagiad dwbl op b-c (Whittaker, 1999)

  6. Het begin van sectie IX toont een bijzonder figuur in 4v.4.8. De plethiad y pedwarbys op de tonen g en a, wordt voorafgegaan door een kolom met, van onder naar boven, een kruis, een verticaal golffiguur en de toon a.. Paul Whittaker interpreteerde dit, kennelijk mede vanwege harmonische redenen, als een verschrijving van het interval f-a (de kruis is dan een verkeerd geïnterpreteerde f, tevens de laagste toon van de twee) (Whittaker, 1999).

  7. Daarnaast ziet men in 5r.3.2-8 vier kruisfiguren in de bovenpartij, die kennelijk als chrychiad-figuren zijn bedoeld in een ostinato-passage (5r.3-10), die identificeerbaar zijn als krychu y fawd, zoals dat het geval is in 5r.2.10.

  8. Een andere opvallende variant van plethiad pedwarbys is voorzien van een toegevoegde column-of-dots op de laatste kolom. Hiervan zijn er twee in het manuscript aanwezig, in 4r.3.12 en 4v.3.14. Dit movement is niet in het RaH-ms aangetroffen, zodat de uitvoering ervan een onderwerp van nader onderzoek is.

  9. Verder ziet men akkoordexpansies in de onderpartij die abusievelijk niet zijn geaccentueerd met een schuine streep, hoewel men deze wel in de betreffende passages zou verwachten. Deze vindt men in 5v.3.2-3 en 5v.4.2-3, alsmede in 7r.1.15-21, 7r.3.1-9 en 7r.4.3-4.

  10. In 7v.2.9-13 treft men twee schuin staande F-vormige tekens aan. Mogelijk is hier sprake van een verschrijving of een abreviatuur voor twee akkoordexpansies als een vervolg van de ostinato-passage 7v.2.1-8, die in 7v.3.1-2 wordt afgesloten.

Als we bovenstaande correcties en aanvullingen meenemen, dan komen we tot de volgende inventarisatie van de toegepaste technische figuren in het IM-ms in vergelijking met die in het RaH-ms:

Movement/figuur

zwart: in de bovenpartij
rood: in de onderpartij
Voorkomen in het IM-ms Voorkomen in het RaH-ms.
Inclusief de zgn. duimvarianten
[Voor de uitvoering volgens Peter Greenhill, zie: Cerdd dant 2: Speeltechniek]
y plethiad byr 129 1091
taked y fawd 87 1179
plethiad y wahynen 78 563
plethiad y pedwarbys 27 267
krafiad dwbl 16 14
plethiad mawr 13 148
tagiad dwbl 9 84
krychu y fawd 8 301
hanner krafiad 6 158
plethiad y pedwarbys + krychu y fawd 5 2
plethiad y bys bach 4 379
plethiad y bys bach + krychu y fawd 2 22
ysgwyd y bys 4 11
pethiad y pedwarbys + column-of-dots 2 -
plethiad dwbl 2 74
column-of-dots 1 2
akkoord-expansies 36 243
krychu y fawd 14 44
ysgwyd y bys 2 -
'/' boven noot 2 12
ysbongk 2 14

De aard van de akkoordexpansies blijken deels te verschillen van die in het RaH-ms. Terwijl in het RaH-ms de geëxpandeerde toon, rechtsboven de schuine streep steeds een toon hoger is dan de gedempte bastoon (linksonder de schuine streep), vinden we in het IM-ms drie gevallen, waar de geëxpandeerde toon juist een toon lager, en zelfs in één geval een terts lager. Daarnaast ook gevallen die een sext of een septiem hoger is dan de gedempte bastoon. Hieronder staan ze op een rij met het aantal, dat per type wordt aangetroffen:

We zijn nu toegekomen aan de bespreking van de vier stukken van het IM-ms-repertoire. De onderstaande analyses zijn voor het merendeel gebaseerd op het onderzoek van Paul Whittaker (Whittaker, 1999).

3.2 Cwlwm is gywair

Dit tabulatuur van het stuk is onvolledig en bevat uitsluitend de ceinciau van secties XII tot en met XV. Het is afleidbaar dat de toegepaste mesur 0011 0100 is. Dit is de inverse van korffiniwr (1100 1011). Deze afleiding volgt uit het 'pitchlevel' van de harmonieën van de drieklanken e-g-b en f-a-c en de omkeringen ervan, hetgeen tot pitchlevel 1 leidt, dat is E-G-B-D (cyweirdant) en D-F-A-C (tyniad) [zie voor een verklaring: Cerdd dant 2: 2.6/2.7 Pitchlevels].
Het tooncentrum van de melodische modaliteit is dan kennelijk die van G, hetgeen vergelijkbaar is met het stuk Kaniad ystafell in het RaH-ms (p. 38-41).
Sectie (cainc) XIV wordt gevolgd door de instructie 'canu'r diwedd yn run fath ar gainc' of 'speel de diwedd op dezelfde wijze als de cainc', volgens het patroon van de mesur 0011 0011, dat volgens de conventionele notatie die van tytyr bach is.
Whittaker merkt op dat de karakteristieken van dit stuk ook doorklinken in het RaH-ms, in het bijzonder de opeenvolgende herhalingen die een relatie laten zien van het patroon van de mesur en de structuur van het stuk. Mede ziet men de minimale ontwikkeling tussen de ene cainc en de daarop volgende. Bijvoorbeeld, het enige verschil tussen de ceinciau in secties XIV en XVis het krychu y fawd-figuur dat aan de plethiad y pedwarbys is toegevoegd in sectie XV.

Naar boven

3.3 Cwlwm bach ar y go gywair

Dit stuk, dat uit twaalf sectie bestaat, vertoont meer complexiteit dan het voorgaande. Vanuit andere cerdd-dant-bronnen is er een mesur gegeven, maar niet eenduidig. In de lijst van AB MS 2023-B (Panton 56) en in de lijst van het RaH-ms op pagina 102 geven beide aan, dat dit stuk de mesur trwgwl mawr (0000 1111 0000 1011) volgt, maar vreemd genoeg ziet men in de lijst van AB MS 1711-B (Gwysaney 28, feitelijk bedoeld voor de crwth) dat de mesur korffiniwr (1100 1011:1100 1011) is voorgeschreven.
De interpretatie voor trwsgwl mawr is herkenbaar in het patroon van sectie XII van het stuk, als men uitgaat van pitchlevel 2, dat is A-C-E-G, cyweirdant en G-B-D-F, tyniad. Het melodisch tooncentrum is C, die zich als een drone of orgelpunt (Eng.: pedal point) manifesteert, hetgeen bijvoorbeeld ook plaatsvindt in 'Kaniad y gwyn bibydd' in het RaH-ms (p.36-37). Paul Whittaker geeft in zijn artikel een reconstructie van sectie XII, waaruit blijkt dat het stuk aldaar trwsgwl mawr volgt. Hieronder wordt deze reconstructie getoond (correcties t.o.v. het manuscript in het rood):

Reconstructie van sectie XII van 'Cwlwm bach ar y go gywair' (5r.1-2) naar Paul Whittaker. De correcties ten opzichte van het manuscript zijn in rood weergegeven. Uit de speelvolgorde E-F-E-G volgt onmiskenbaar de mesur trwsgwl mawr: 0000 1111 0000 1011

Het manuscript zelf geeft juiste instructies voor de speelwijze. De eerste twee frasen (A en B) worden gespeeld tot het commando 'bis de(chrau)', hetgeen weergeeft dat deze passage vanaf het begin herhaalt moet worden tot aan het spiraalsymbool en wordt daarna afgesloten door frase B3 (= diwedd). Het stuk wordt daarna afgesloten met het commando: 'Terfyn cwlwm bach ar y gogowair'.

De complexiteit en de onregelmatigheid van stukken die zijn gekoppeld aan de trwsgwl-mesurau zijn reeds besproken door Peter Greenhill in zijn dissertatie met betrekking tot het metrum in het RaH-ms (Greenhill, 1998, Part 5 Metre). Zo ziet men ook een mate van complexiteit in 'Cwlwm bach ar y go gywair' in de vorm van een aantal dubbelzinnige passages.
Vooraf dient te worden opgemerkt dat na reconstructie is gebleken dat sectie I (vanaf 3v.1) eindigt met kolom 3v.3.7, waarna deze met sectie II wordt vervolgd, beginnend op 3v.3.8 en eindigend met 3v.3.19/Fordd.
Sectie III begint overeenkomstig het manuscript op regel 3v.4 en eindigt met de kolom 3v.4.14/Fordd.
Sectie IV bezet de frase van 3v.4.15 tot en met het einde van de 4e regel/Fordd.
Terug naar sectie I. We zien dat hierin het commando 'bis' ('bys') op dubbelzinnige wijze driemaal wordt gebruikt. Volgens Paul Whittaker is het niet onmogelijk dat, of Edward William, of de oorspronkelijke schrijver het woord 'dechrau' na de derde 'bis' en het spiraal-teken boven de tweede verticale lijn op 3v.1 heeft weggelaten.
De reconstructie volgens Paul Whittaker is in de onderstaande afbeelding weergegeven (Whittaker, 1999):

Reconstructie van sectie I van 'Cwlwm bach ar y go gywair' (3v.1-2) naar Paul Whittaker. De correcties ten opzichte van het manuscript zijn in rood weergegeven. De speelvolgorde wordt dan AA-B1-AA-B2-AA-B1-B3 (diwedd).

Whittaker beschrijft de opbouw van sectie I, door uit te gaan van twee frasen, die motief A en motief B zijn genoemd. Motief A valt volgens Whittaker buiten de mesur trwsgwl mawr en is (met herhaling meegeteld) opgebouwd uit vier aparte tyniad-elementen. In motief B1 ziet men dat het patroon 0000 van trwsgwl mawr wordt uitgebreid met cyweirdant- en tyniad-elementen tot de structuur 0101 0100, daarentegen breidt in motief B2 het eerstvolgende patroon 1111 van de trwsgwl mawr zich uit tot de inverse van de vorige, dus 1010 1011.
In de volgende secties II tot en met IV, vinden er alleen complexe variaties op de cainc van sectie I plaats. Het commando 'ffordd' geeft aan dat het spel volgens sectie I voortgezet moet worden. Paul Whittaker meldt een identieke variatievorm als die van de secties I-III van 'Caniad y wefl' in het RaH-ms (p. 66-67).

Sectie V begint op fol. 4r. Hierin ziet men dat motief A vervalt. Beide uitvoeringen van motief B worden gevolgd door een nieuw motief C. De diwedd B3 verandert (4r.3.4-16) niet (in tegenstelling tot het manuscript, begint sectie VI in werkelijkheid op kolom 4r.3.14.):

Reconstructie van sectie V van 'Cwlwm bach ar y go gywair' (4r.1-3) naar Paul Whittaker. Motief A vervalt, maar wordt na ieder B-motief vervangen door een ander motief C

De secties VI-XI tonen variatietechnieken, die bepaalde overeenkomsten hebben in het RaH-ms in 'Kaniad ystafell' (secties IV-IX, p.38-40) en 'Kaniad y wefl' (secties I-XII). In alle drie voorbeelden, ondergaat de eerste cainc van iedere groep twee eenvoudige variaties op hetzelfde toonhoogteniveau, daarna wordt het geheel herhaald naar een hoger toonhoogteniveau in de bovenpartij. In de voorbeelden in het RaH-ms is dit interval een terts, in Cwlwm bach ar y go gywair, is dat een kwint. De variaties in beide manuscripten neigen op te treden in groepen van drie.
Er dient opgemerkt te worden dat sectie IX niet in het manuscript gelabeled is, deze begint op kolom 4v.4.8.

In de afbeelding hieronder ziet men transcripties van de betreffende onderdelen in secties VI-IX. De secties X en XI zijn niet in de tabulatuur opgenomen, maar zijn aangeduid met een verwijzing (transcriptie en vertaling door Paul Whittaker):

"X, XI yn yr un fath ond ysmudo"
[secties] X en XI: [speel] op dezelfde wijze, maar verander deze.

Paul Whittakers reconstructies van X en XI zijn gebaseerd op basis van de variatiepatronen van secties VII en VIII, maar dan naar een hoger toonhoogteniveau (kwint). Deze reconstructies zijn eveneens in de afbeelding weergegeven.

Reconstructie van de variatievormen van de secties VI-XI van 'Cwlwm bach ar y go gywair' naar Paul Whittaker. De correcties ten opzichte van het manuscript zijn in rood weergegeven.

Naar boven

3.4 Yr hen gwlwm ar y go gywair

Evenals 'Cwlwm bach ar y go gywair' bestaat dit stuk eveneens uit twaalf secties. Zowel in de lijst van Panton 56, als die van het RaH-ms op pagina 102, geven beide aan dat ook 'Yr hen gwlwwm ar y go gywair' de mesur trwgwl mawr (0000 1111 0000 1011) volgt. Uit de tabulatuur blijkt ook dat dit stuk een zeer grote mate van complexiteit bezit. De secties worden door Paul Whittaker stuk voor stuk in zijn artikel besproken (Whittaker, 1999)
Er kan worden uitgegaan van pitchlevel 2, dat wil dus zeggen A-C-E-G (cyweirdant) en G-B-D-F (tyniad). De melodisch modus is C (slottoon = A). We zien in sectie I dat deze begint met een akkoordenprogressie in zowel de boven-, als de onderpartij. De bovenpartij wordt deels ondersteund door middel van het krychu y fawd-movement. Het wordt gekenmerkt door de eerste digits van trwsgwl mawr (0000) vanaf 5r.3.1 tot en met 5r.3.21, doch in een uitgebreide vorm met tyniad- en cyweirdant-elementen (0101000100). Over de passage, die daarop volgt, 5r.4.1-15 ziet men een progressie met parallelle decimen tussen de onder- en bovenpartij (c-e, d-f, e-g en b-d). Dit keer ziet men de tweede serie digits van trwsgwl mawr (1111), ook in de geëxpandeerde vorm met cyweirdant- en tyniad-elementen (10101011). Er is daarbij een vergelijking te maken tussen deze frase en die van 4r.2.4-14 van 'Cwlwm bach ar y go gywair', alsmede een vergelijkbaar geval, maar dan met sexten in sectie I van 'Kaniad Cadwgan' in het RaH-ms (42.2.5-21), zoals hieronder blijkt:

Melodielijn 5r.4.1-15:edefefgfgfefededcddcdc
Basijn 5r.4.1-15:cdedcb  g  g

Melodielijn 4r.2.4-14:feeffggffeeddcdc
Baslijn 4r.2.4-14: c d e d c b g g

RaH: Melodielijn 42.2.5-21gfffgggaabaggagffgfe
Baslijn 42.2.5-21abcbag

Na regel 2, wordt de akkoordenprogressie van regel 1 herhaald tot aan het spiraalteken ('bis dechre'). Sectie I eindigt met een diwedd, alhoewel het niet als zodanig wordt genoemd. Deze afsluiting volgt dan min-of-meer de laatste vier digits van trwsgwl mawr 1011, in de vorm van een uitgebreid patroon met cyweirdant- en tyniadelementen: 1001001111.

Sectie II is opgebouwd uit een verkorte versie van sectie I, behalve het middendeel. Sectie III is problematisch omdat het erop lijkt, dat er een deel is weggevallen. Dit is af te leiden van het feit dat de laatste noot van deze sectie een crychiad (plethiad y wahynen) is, waarvan wordt verwacht dat deze door een melodisch patroon gevolgd wordt. Bij de herhaling (bis dechre) van regel 3, zouden twee crychiad figuren elkaar moeten opvolgen, een hiaat, die nergens anders in de bekende tabulaturen voorkomt. Kennelijk is hier sprake van een vergeten onderdeel, een verschrijving of dat er geen voldoende ruimte meer op het papier was om het laatste deel volledig uit te schrijven. Sectie IV is volgens Paul Whittaker een herhaling van sectie III, eveneens met een ontbrekend stuk. Ik zie hierin, in tegenstelling tot hetgeen Paul Whittaker opmerkt, geen vervanging van de plethiad y wahynen door krychiad y fawd.

Sectie V, volgt hetzelfde figuur als sectie I (regel 2), maar dan met intervallen tussen de onder- en bovenpartij in de vorm van sexten en octaven (db, cc, fd, cc, db, cc). Dit gebeurt volgens een uitgebreid patroon van 0000 (01010100). Deze passage wordt direct herhaald en daarna vervolgd door een onderdeel, dat een inverse mesur-patroon volgt 10101011, hetgeen een expansie is van 1111. Ook dit deel wordt direct herhaald, gevolgd door een herhaling van het eerste gedeelte tot aan het spiraal-figuur. Paul Whittaker geeft aan dat sectie V wordt beëindigd (6r.1.16 - 6r.2.13) met een verwarrende versie van de diwedd-achtige slotpassage van sectie I (5v.1.6-18).

Sectie VI bestaat louter uit het verbale commando: 'codi y fawd' ('raise the thumb' = 'met de duim omhoog'). Er blijken vergelijkbare instructies te bestaan in het RaH-ms, hetgeen de suggestie wekt dat het de bedoeling is dat sectie V herhaald moet worden, maar dat de octaven van de onderpartij verhoogd dienten te worden tot decimen. Dit wordt bereikt door de duim van de onderhand twee snaren hoger te verplaatsen. Er zijn diverse voorbeelden te zien in het RaH in het clymau cytgerdd-gedeelte van het manuscript. Bijvoorbeeld op regel 24.4: 'y chweched gaingk a genir fal y bumed ond kodi dau dant ar y fawd ucha' of 'de zesde cainc wordt als de vijfde gespeeld, maar gaat twee snaren hoger met de boven-duim'.

Met sectie VII wordt er nieuw muzikaal materiaal aangevoerd, dat volgens Paul Whittaker aan de profiadau in het RaH-ms doet denken, maar nog wel in grote lijnen de mesur trwsgwl mawr volgt. Daarnaast wordt wel de oorspronkelijk diwedd toegepast. Verder geeft Whittaker aan dat het octaafniveau van de bovenpartij moeilijk valt vast te stellen.
Vanaf 6r.3.12 en verder ziet men een karakteristiek akkoord, dat men voor het eerst in het manuscript tegenkomt, dit betreft (van laag naar hoog): het akkoord c-g-a. Dit zelfde akkoord treft men ook aan in het RaH-ms in het stuk 'Kaniad bach ar y go gywair' vanaf 44.1.1.

Van sectie VIII kan worden gezegd dat deze vol onbegrijpelijke zaken zit. Er is sprake van, dat de onder- en bovenpartij niet meer op één liggen. Doch de originele passage 6r.2.1-6 in het manuscript blijkt foutief en wordt door Edward Williams gecorrigeerd door een tabulatuurfragment, dat op fol.8r staat genoteerd (zie reeds het voorgaande dat met betrekking tot fol.8 is besproken). Het foute fragment is in het Myvyrian-facsimile vervangen (6r.2.1-12), door deze passage. Ondanks dat deze correctie is uitgevoerd, helpt het volgens Whittaker niet om de zaak veel duidelijker te krijgen.
Verder ziet men dat het slot van sectie VIII, veel overeenkomsten heeft met het slot van sectie VII, doch ingekort met de gebruikelijke 'ffordd'-instructie.

Sectie IX begint met een figuratie die overeenkomt met de 2e helft van sectie VIII, maar het trwsgwl mawr-patroon is nu veel duidelijker. Het eindigt op exact dezelfde wijze als sectie VIII (6r.3.4-9) en deels gelijk aan sectie VII (6r.1.1-6).

Sectie X begint ontegenzeggelijk met het volgen van de eerste acht digits van de mesur 0000 1111 (7r.1 tot en met 7r.2-6) en wordt vervolgd door een passage (7r.2.7-12, de krychu y fawd dient een kolom naar links te worden opgeschoven), die gelijk is aan sectie VIII (6v.2.13-16).

Sectie XI transponeert de inhoud van de bovenpartij van sectie X (7r.1.1-14) een kwart naar boven, hetgeen volgens Whittaker niet-typisch is voor het repertoire, daar de terts in dit verband gebruikelijker is. De afsluitin vindt plaats met het commando ffordd.

Sectie XII volgt hetzelfde patroon als de twee voorafgaande secties, maar vertoont door de akkoordexpansies, dezelfde C-drone (orgelpunt/pedal point) als die van de onderpartij van sectie XII van 'Cwlwm bach ar y go gywair'.

Naar boven

3.5 Medle

Afgezien van het feit, dat dit stuk bekend is in andere bronnen, behoort het niet tot het cerdd dant-repertoire. De harmonische structuur wordt niet ondersteund door een cyweirdant-tyniad-mesur, maar volgt een conventioneel tonica-subdominant-dominant systeem. Whittaker heeft aangetoond dat in beginsel overeenkomsten bestaan met de harmonische en melodische structuur van variaties uit andere bronnen. Dit heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste dat de ritmische symbolen in het IM-ms correct in lijn met de tabulatuur staan en in zekere zin vergelijkbaar zijn met de metrische inhoud van de variaties in het Fitzwilliam Virginal Book, nr. 243 ('Johnson's Medley') en in Lbl MS Add. 31392 ('Medley').
Ten tweede de tonaliteit rond het tooncentrum D, met een ♭ als voorteken, hetgeen overeenkomt met de voorgestelde harpstemming volgens Greenhill. Er doen zich echter wel afwijkingen voor die wijzen op de toonsoort van D-mineur (met elementen van authentiek en harmonisch mineur), namelijk de accidentie c (7v.1.6-10 en 7v.3.9-10). De toon f aan het einde van de sectie (8r.1.9) heeft kennelijk de functie voor een picardisch slot.
We zien hier dat zowel de toon c en f, als de chromatische accidenties c en f in gebruik zijn. Als de muziek van het manuscript is geschreven voor een diatonische harp, kan de hier genoemde chromatische inflecties worden verklaard vanuit een vorm van scordatura. Het volgende zou een acceptabel voorstel kunnen zijn, maar levert de nodige dubbelzinnigheden met de rest van het manuscript op (zoals bij de laagste toon b in kolom 7v.1.12):

Voorstel voor een scordatura voor de toepassing van het stuk 'Medle' in het IM-ms.

Een ander vraagstuk zijn de vele dubbelzinnigheden en onduidelijkheden bij het gebruik in de letternotaties en octaveringen. Alhoewel Paul Whittaker in de baslijn van 7v.2.1,3,5,7,9 en 10 de bastoon ff ziet, kan ik hier niet mee eens zijn. Mijns inziens is het een g|, zoals genoteerd in 7v.3.1. Ik gaf reeds aan dat het hier om een idiosyncratische invulling van de schrijfwijze is, die feitelijk slecht gelukt is. Ik heb dit reeds beargumenteerd in paragraaf 2.3 Handschrift. Ik ben het eens met Whittaker, dat laagste bastoon van 7v.1.13,15,17 een cc is

Sally Harper benadrukt in haar 'Music in Welsh Culture Before 1650' de verwarrende indruk van het stuk zoals dat in het manuscript wordt weergegeven. Het fragment onderaan fol. 8r, dat in conventionele notatie is opgeschreven, kan mogelijk een poging zijn om de bovenpartij van de 5e en 6e zin voor een melodie-instrument te transcriberen. Kennelijk bedoelt Harper de frasen tussen 7v.3.11 en 8r.1.10, alhoewel men daar niet zoveel mee opschiet. Harper vraagt zich vervolgens af, hoe met de context van de uitvoering zit. Het fragment in het IM-ms suggereert volgens haar zelfs dat hier sprake is van een gedeeltelijke transcriptie van een complexer arrangement voor een gemengd consort, dat wordt ondersteund door een soort van 'bardische' harp, dat in Wales rond 1600 in gebruik was (Harper, 2007).

Reconstructie

In deze korte paragraaf wordt een mogelijke reconstructie gegeven van het stuk.

Ten eerste een analyse van de akkoordenprogressie. Dit levert het volgende beeld op in de tonaliteit van D-mineur:

i i i i i | V V V i i | iv iv III64 III64 VII VII VII VII | III9*) III9 III9 III9 | III119 III9 III9 III9 | III9 III9 III9 VII i i | V i IV IV | v7*) v I I||.

Hieruit volgt dat het stuk wordt afgesloten volgens een authentieke cadens T-S-D-T, waarvan het laatste akkoord een picardisch slot is.

In de moderne lead-sheet notatie is dit:

Dm----Dm-Dm-Dm-Dm | A----A-A-Dm-Dm | Gm-Gm-F/C-F/C | C-C-C-C | F/G*)-F/G-F/G-F/G | F/11/G-F/G-F/G-F/G | F/G-F/G-F/G-C-Dm-Dm | A-Dm-Gm-Gm | Am7/G*)-Am-D-D ||

*)Als toegevoegde drone of orgelpunt ('pedal point') g|. In de maten 5-8 wordt deze bij de uitvoering onmiddelijk gedempt.

Nadere beschouwing van het stuk 'Medle' laat zien dat het met twee maten introductie begint, in een afwijkende maat van zes 'beats'. Bij de reconstructie vallen een aantal interessante zaken op. De herhaling komt beter tot zijn recht als deze in de derde maat begint, waar het stuk overgaat naar de 'standaard'-maat van vier 'beats'. Kennelijk is daar een nadere instructie met betrekking tot de herhaling ('bis') vergeten. We zien het optreden van een G-drone over de maten 5-8, die mede door de voortdurende demping een extra percussief effect vertoont. Deze demping is noodzakelijk vanwege harmonische redenen. De G-drone zet zich door in de maten 11 en 12, maar hoeven in harmonisch opzicht niet gedempt te worden. Als het stuk in zijn geheel wordt beschouwd en vergeleken wordt met de variant 'Johnson's Medley' in het Fitzwilliam Virginal Book, zijn er overeenkomsten waar te nemen. Anderzijds geeft het de indruk dat hier geen sprake is van een zelfstandig stuk, maar eerder van een thema dat bijvoorbeeld als een introductie voor 'Johnson's Medley' kon worden aangewend. De mogelijkheid, zoals geopperd door Sally Harper dat het hier gaat om een onderdeel van een complexer arrangement wordt daardoor waarschijnlijker.

De onderstaande afbeelding toont de mogelijkheid van een reconstructie van 'Medle' in het conventioneel notenschrift, in vergelijking met 'Johnson's Medley'. Bij de laatste is een herhaling toegevoegd, waarbij introducerende maten worden overgeslagen. Bij de afbeeldingen zijn er een syntetische weergaven in de vorm van midi-bestanden toegevoegd.

Reconstructie van het stuk 'Medle' in het IM-ms (fol. 7v.-8r.) en vervolgens vergeleken met het 'Johnson's Medley' in het Fitzwilliam Virginal Book, nr. 243. Klik op de afbeeldingen voor een vergrootte weergave.
Midi Midi

Naar boven

4. Annotaties en geraadpleegde bronnen

Geraadpleegde bronnen:

Www: