Een musicologie van de Keltische en naburige stijlen - Modaal-functionele harmonie 2: Middeleeuwse en Renaissancistische composities [Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Laatste update: 08-09-2017][Hoofdstuk: Harmonie][Gebruiksvoorwaarden]

Modaal-functionele harmonie 2: Middeleeuwse en Renaissancistische composities

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Inleiding
  2. 2. Modale harmonie van de middeleeuwse en 16de eeuwse polyfonie
    1. 2.1 Dorische sluiting
    2. 2.2 Mixolydische sluiting
    3. 2.2 Lydische sluiting
    4. 2.2 Frygische sluiting
    5. 2.2 Eolische sluiting
  3. 3. Modale harmonie van de 16e eeuwse psalmodie
    1. 3.1 Harmonische analyse van een psalm
    2. 3.2 Andere mogelijkheden
  4. 4. Bijzondere middeleeuwse Anglo/Ierse polyfonie
    1. 4.1 Angelus ad Virginem
    2. 4.2 Cormacus Scripit
    3. 4.3 Summer is icumen in
  5. 5. Geraadpleegde bronnen

1. Inleiding

In het vorige artikel werd in grote lijnen de mogelijke harmonische functies binnen de modale (kerk-) toonladders besproken. Dit artikel bespreekt in dit verband enkele elementen uit de compositiepraktijk van de late middeleeuwen ('Ars Nova') en renaissance (16de eeuw), met name van het Europese continent. Daarnaast ben ik zo vrij om ook nog enkele bijzondere gevallen, die vanuit een middeleeuwse Anglo-Ierse context naar voren komen, te bespreken.

De basis van de modale meerstemmigheid was gebaseerd op een hoofdmelodie, de cantus firmus (C.F.), waarop de harmonie werd gecomponeerd. Deze C.F. kon zich op verschillende stemniveaus manifesteren, in de bovenstem, een middenstem of onderstem (b.v. in de Engelse discantus). De toepassing van accidenties werd destijds gezien als een noodzakelijke toevoeging in de harmonie, doch niet als modulatie naar een naastliggende toonsoort. Het mol- en herstellingsteken werden reeds gebruikt sinds Guido d'Arezzo, toepassing van het kruisteken werd als versierende improvisatie of om harmonische redenen als noodzakelijk beschouwd (musica ficta), maar veranderde feitelijk niets aan de toegepaste modus. F-lydisch met een verlaagde 4e toon (B → B♭) bleef F-lydisch, terwijl men dit in de huidige terminologie als F-majeur zou duiden. De behoefte aan het gebruik van accidenties (kruizen en mollen) om harmonische redenen, bijvoorbeeld vanwege de behoefte aan leidtonen, heeft zich uiteindelijk ontwikkeld tot het tonale systeem van majeur en mineur. De onderstaande voorbeelden moeten dus gezien worden als elementen van de voorfase voor het ontstaan van het tonale stelsel van de moderne westerse muziek. De onderwerpen van dit artikel zijn deels ontleend van het werk van de Nederlandse musicoloog Ernst W. Mulder (1898-1959)(Mulder, 1947). In de onderstaande secties bespreek ik de sluitingen van diverse polyfone composities. De akkoordfuncties in de cadenzen zijn hierin goed herkenbaar, vanwege het homofone karakter van deze sluitingen.

Om de akkoordenprogressie van de onderstaande voorbeelden in grote lijnen te volgen en tevens snel speelbaar te maken, is naast de 'klassieke' baroknotatie met Romeinse cijfers, ook de hedendaagse lead-sheetnotatie toegevoegd. Op deze wijze kunnen functionele verhoudingen snel herkenbaar worden gemaakt.

In de volksmuziek worden modale systemen nog steeds veelvuldig toegepast, met hun eigen kenmerkende harmonische eigenschappen. Dit leidt naar stof voor een volgende artikel (in voorbereiding), waarin ik de oude en nieuwe toegepaste harmonie binnen de Ierse en Schotse muziektraditie, zal bespreken.

2. Modale harmonie van de middeleeuwse en 16de eeuwse polyfonie

2.1 Dorische sluiting

Zoals gezegd bespreek ik de sluitingen van diverse muziekfragmenten. Te beginnen met de sluiting van 'Salve Regina' van Jacob Obrecht, wordt gevormd door een onvolledige authentieke cadens in D-dorisch T-D-T, zonder toepassing van extra accidenties:

Afbeelding ontleend aan Ernst Mulder.

Het tweede voorbeeld zijn vier sluitingen van het motet 'Gaude Virgo' van Josquin des Prez. Hierin worden meerdere accidenties weergegeven:

Afbeelding ontleend aan Ernst Mulder.

In de eerste drie gevallen is er sprake van een authentieke cadens I-V-I, doch in voorbeeld D) is de cadens zeer uitgebreid, en moeilijk te definiëren maar kan wel als volledig authentiek worden beschouwd (T-D-S-D-T). Dit, gezien de korte aanwezigheid van de S-functie (met G in de baslijn) van het doorgangsakkoord (d) E-G♭-A-F en die van de 2e inverse van het Edim-akkoord (met een verlaagde B in de baslijn), in de tweede maat.

2.2 Mixolydische sluiting

Het onderstaande zes-stemmige stuk is een sluiting van 'Fremuit Spiritus Jesu' van Clemens non Papa. Het staat in A-mixolydisch en is voorzien van meerdere accidenties, waardoor de indruk van majeur-achtige eigenschappen optreedt. In de originele transcriptie zijn voor de 'Superius-Sexta pars' en 'Contra Tenor-Tenor' zijn drie kruizen vooraan de balk aangegeven. Dit heb ik voor de overzichtelijkheid veranderd, waarbij ik de toon G♯ als accidentie heb weergegeven. De cadens is onvolledig plagaal.

Afbeelding ontleend aan Ernst Mulder.

2.3 Lydische sluiting

Veel lydische sluitingen gaan gepaard met de toevoeging van een molteken B♭, zodat als het ware een majeur-karakter ontstaat. Het onderstaande voorbeeld is echter volledig schoon van accidenties en is daardoor een zuivere lydische cadens. Dit fragment is afkomstig van het motet 'Vidi speciosam, Benedicta sit Sancta Trinitas' van de Spaanse componist Tomás Luis Vittoria. De voorhouding (vh) in de een na de laatste maat, geeft geen verandering in de functie van het daarop volgende akkoord, zodat dit een onvolledige authentieke cadens oplevert (T-D-T).

Afbeelding ontleend aan Ernst Mulder.

2.4 Frygische sluiting

Nu volgen twee frygische sluitingen. De eerste, uit Ockeghems 'Intemerata Die Mater', geeft een volledig plagale cadens (T-D-S-T) en is vrijwel zuiver frygisch:

Afbeelding ontleend aan Ernst Mulder.

De tweede frygische sluiting is van het 'Ave Christe, immolate' van Josquin des Prez. Hierin zien we een grote drieklank als afsluiting, terwijl een zuiver frygisch slot een kleine drieklank zou moeten geven. Dit soort sluitingen wordt ook wel een Picardische cadens of Picardisch slot genoemd.

Afbeelding ontleend aan Ernst Mulder.

2.5 Eolische sluiting

Tot slot een eolische cadens van Josquins 'Beati quorum'. De volledige plagale cadens (T-D-S-T) is zuiver eolisch. Het akkoord in de een na de laatste maat is een voorhouding op het slotakkoord.

Afbeelding ontleend aan Ernst Mulder.

3. Modale harmonie van de 16e eeuwse psalmodie

Er zijn diverse componisten en tekstschrijvers die na de reformatie, hun eigen visie loslieten op de bewerking van de psalmen. Dit was zeker het geval in de 16e eeuw, doch ook moderne componisten hebben zich hieraan gewaagd. In deze sectie bespreek in enkele aspecten van de psalmen die zijn bewerkt door de Franse componist Claude Goudimel (ca. 1500/14(?) -1572). Deze staan bekend onder de Geneefse Psalmen en zijn in 1564 voor het eerst in Parijs uitgegeven bij Adrian Le Roy & Robert Ballard als '150 Pseaumes de David'. De tekstschrijver was Clément Marot (1496-1544).
De techniek die Goudimel toepaste was opmerkelijk. Hij paste een techniek van doorimitatie toe, waarbij, als de sluiting van de C.F. bereikt is, de cadens van de andere stemmen gewoon doorgaan. Dit leidt er toe dat de slottoon van de C.F., nog gedurende de aanhef van een andere stem, samenvalt. Dit geeft een merkwaardige aaneenrijging van de gezongen strofen.
Een ander belangrijk aspect van de compositiepraktijk in deze, is de modulatie per frase. Als men uitgaat van de 'witte toetsen' is in te zien dat modulatie van de ene modus naar de andere erg simpel is, omdat men feitelijk van hetzelfde toonmateriaal uitgaat. De modulatie komt feitelijk aan het einde van een frase, in de cadens, plaats.

3.1 Harmonische analyse van een psalm

Ter illustratie geef ik hier een analyse van psalm 126 volgens Goudimel/Marot, die in een mixolydische modus staat. Alle frasen (strofen) zullen hier de revu passeren. Deze analyse is gebaseerd op die van Ernst Mulder (Mulder, 1947, p. 154-156).

De uitgestelde sluiting van de eerste frase is een modulatie naar D-dorisch met slottoon op 'Dieu'.

In deze sluiting blijft dorisch intact, maar eindigt op de IVe trap (Gm-akkoord).

Deze frase toon een uitgestelde sluiting in D-dorisch. Met de aanwezigheid van de toon B♭ in de altstem, kan dit ook als getransponeerd D-eolisch worden opgevat.

Aan het einde van deze frase vindt er een modulatie plaats, dat resulteert in een uitgestelde sluiting in G-mixolydisch, doch met een leidtoon fis in de tenorstem.

In maat 2 vindt een sluiting in D plaats, met een F♯ in de altstem, doch de modus blijft mixolydisch.

In deze frase wordt de sluiting van de vorige herhaald. Met het verschil dat de bas- en tenorstem nu frase 7 inzetten.

Frase 7 eindigt in G-mixolydisch met een plagale cadens.

De authentieke slotcadens is mixolydisch, met de toegevoegde leidtoon F♯.

3.2 Andere mogelijkheden

Psalm 126 was een voorbeeld van de vele mogelijkheden. Het is opvallend dat alle modale psalmen zich, tussen de modus van de bovenkwint of die van de onderkwint ten opzichte van de finalis (slottoon van hoofdmodus), bewegen. Maar eveneens tussen die van de boven- of onderterts.
Dat wil dus zeggen dat (Mulder, 1947, p. 158):

Lydische psalmen (F) kunnen volgens Ernst Mulder van dit overzicht worden uitgesloten, niet alleen dat deze in de zuivere vorm niet voorkomen, maar vooral omdat deze gemakkelijk, door de veel voorkomende verlaging van de 4e toon (B → B♭), een grote kans hebben om naar ionisch te worden gemoduleerd.
Daaraan wil ik toevoegen dat modulaties van F-ionisch naar andere modi natuurlijk wel tot de technische mogelijkheden behoren.

4. Bijzondere middeleeuwse Anglo/Ierse polyfonie

In deze sectie zal ik drie bijzondere meerstemmige stukken behandelen.

4.1 Angelus ad Virginem

Van dit muziekstuk zijn tientallen twee, drie en vierstemmige bewerkingen gemaakt. Om zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven heb ik gekozen om gebruik te maken van een transcriptie van het originele document (fol. 130r/v). Ondanks dat er enkele onvolkomenheden in het manuscript staan, die een transcriptie bemoeilijken, is er toch een goed beeld van de driestemmige harmonie te krijgen. Er is hier sprake van polyfonie met een hoofdzakelijke homofone opbouw.
De C.F. van het stuk bevindt zich in de middenstem. Het is bekend dat de monofone versie hiervan, die zich ook in het manuscript bevindt (fol. 27r/v) in de modus van G-mixolydisch staat. Deze is reconstrueerd door Dom Hesbert (Hesbert, 1970, p. 109). Hierin zijn vijf hoofdfrasen te herkennen, elk opgedeeld in twee nevenfrasen (a en b). Evenals we dat gezien hebben bij sectie over de psalmodie, vindt daar een modulatie plaats. De eerste twee frasen hebben een slot in C-ionisch met finalis C. De drie laatste frasen eindigen in G-mixolydisch met finalis G:

Het laatste is inderdaad ook het geval met de C.F. van de getranscribeerde driestemmige versie.
De harmonie veroorzaakt echter een opvallende afwijking voor wat betreft de functionaliteit. Terwijl de C.F. van de eerste twee frasen in C-ionisch staat, neigt die van de harmonie naar F-lydisch. De derde hoofdfrase toont modulatie-overgang van C naar G in de twee deelfrasen. De twee afsluitingen in frasen 4 en 5 toont een verschuiving in de harmonische context van de C.F.-modus G-mixolydisch naar C-ionisch. De onderstem eindigt daarmee op een C (onderkwint), zo ook die van de bovenstem (boventerts), zoals uit de onderstaande afsluiting blijkt:

Het onderstaande tabelletje geeft een overzicht van de finalis en de slottonen van de boven- en onderstem, waarbij door onduidelijkheden in optredende manuscriptfouten zijn voorbehouden:

FraseSluiting van de bovenstemSluiting van de onderstemFinalis van de C.F.
1F (bovenkwart)D (onderseptiem)C
2F (bovenkwart)F (onderkwint)C
3aF (bovenkwart)F (onderkwint)C
3bE of F (bovensext of bovenseptiem)D (onderkwart)G
4C (bovenkwart) C (onderkwint)G
5C (bovenkwart)C (onderkwint)G

4.2 Cormacus Scripit

Deze driestemmige polyfonie uit de 12 eeuw is interessant, niet alleen dat de oorsprong Anglo/Iers is, maar daarnaast waarschijnlijk ook nog eens de oudst bekende polyfonie is. Vanuit de titel valt af te leiden dat deze mogelijk door de koning van Munster, Cormac Mac Carthaig (†1138), is geschreven. Cormac leefde in de periode die voorafging aan de Synode van Cashel (1172), alwaar een eind werd gemaakt aan de Keltische stroming binnen het christendom.

Het stuk is niet moeilijk te analyseren, ondanks dat de transcriptie lastig blijkt te zijn voor het vaststellen van exacte posities van de noten. De C.F. staat in G-mixolydisch in de onderstem en is afgeleid van een Benedicamus-melodie uit rite van Salisbury (Sarum). Uitgaande van de transcripie, zien we een authentiek slot T-D-T. De eindklank van de finalis is geen akkoord maar driemaal G in unisono.

4.3 Summer is icumen in

Binnen de context van deze website is deze rota-canon in G-dorisch, interessant voor het optreden van een harmonische wisselklank tussen de akkoorden met de bassen F en G (subtonica en tonica) in de 'Pes'. Het geheel duidt op een harmonische structuur die ook bekend staat als double-tonic, een veel toegepaste techniek op de Britse Eilanden, met name in Ierland, Schotland, Wales en delen van Engeland. We zien naast de herhaling van het melodisch motief (canon), ook een steeds terugkerende harmonie.

5. Geraadpleegde bronnen

Literatuur