INHOUD van deze pagina (verberg)
De oudste Keltische geschriften die op de Britse eilanden en Ierland
zijn gevonden, dateren op z'n vroegst uit de 3e eeuw. Dit schrift wordt ogham
en wordt direct in verband gebracht met de druïdenorde als bewaarder
van de mythen en verhalen. De ogham werd aanvankelijk vervaardigd door
het in steen te kerven ('ogham-stones'), waarbij de diverse tekens
woorden vormen die in het algemeen worden toegeschreven aan het
oud-Gaelisch. (Lees verder in Appendix A: Ogham).
William Grattan Flood meldt in zijn A History of Irish Music, naar aanleiding van een artikel van W. Williams in zijn Ogham Readings (Journal R.S.A.; 1857; p. 328), dat bepaalde ogham-inscripties uit de 3e eeuw mogelijk betrekking hebben op muzieknotatie. De 9e-eeuwse 'Bressay Steen' (Shetland, zie: Shetlopedia - The Shetland Encyclopaedia - Bressay Stone) zou daar een voorbeeld van zijn. Williams beweert, dat deze een aantal eigenaardige inscripties blijkt te bevatten, die betrekking zouden hebben op muzikale symbolen, namelijk enkele knopvormige uiteinden aan bepaalde streepfiguren, alsmede het aanwenden van de tekens
(con) en
(ceod). De onderzoeksresultaten van Williams, die overduidelijk met een flinke dosis aan fantasie tot stand zijn gekomen, worden door Johannes Wolf in zijn Handbuch der Notationskunde II, sterk in twijfel getrokken, alsmede Williams vermeende etymologie voor het woord ogham, o = muziek cum of cam = vorm. Overigens schrijft Flood in dit verband verder, over een zgn. houten 'muzikale staf' zonder knop, dat als hulpmiddel diende voor muziek-studenten en dichters, die hierop hun muziek konden schrijven (d.w.z. 'kerven'):
"The music pupils in pre-Christian Irish schools had their music staves; and O'Curry describes for us the Headless Staves of the Poets, i.e. squared staves, used for walking (or purposes of defence), when closed, and for writing on, when open, in the shape of fans."
Hoewel Wolf dit wel een aanlokkende gedachte vindt, uit hij hierbij eveneens zijn sterke twijfels:
"Das Bild des vorchristlichen irischen Musikschülers mit dem Musikstabe in der Hand, wie es Flood malt, ist verlockend, aber vorläufig noch in phantastisches Dunkel gehüllt."
Meer duidelijke aanknopingspunten voor wat betreft de oude Ierse muzieknotatie, meldt Wolf (Wolf, 1919) aan de hand van een essay van William Beauford in Joseph Walker's Historical Memoirs of the Irish Bards (Walker, 1786). Deze handelt over een manuscript in het Oud-Iers en gebrekkig Engels, die volgens Beauford uit de tijd van Elizabeth I zou dateren, hoewel hij opmerkt dat de inhoud eigenlijk aan de 'oude Ierse Barden' toegeschreven zou moeten worden. (Klik hier voor een pdf-bestand van dit essay).
De tekens in het manuscript, blijken zowel een gelijkenis met Grieks-Romeinse accentnotatie als een verwantschap met ogham te hebben. (N.B. Het wordt overigens aangenomen, dat dit Grieks-Romeinse accentsschrift model heeft gestaan voor de ecclessiastische neumen-notatie (Zie: Ecclesiastische modaliteit: Notatie: neumenschrift)). We zien een symboliek, waarmee een centrale toon, stijgende en dalende intervallen worden aangeduid, alsmede mensuurtekens (waarmee de relatieve tijdsduur van noten wordt weergegeven).
Wolf vat deze tekens als volgt samen:
![]() |
|
| De oud-Ierse muzieknotaties. Links, ziet u het beeld volgens Johannes Wolf (1919) en rechts, een uitsnede van Beauford's citaat in het werk van Walker (1786). | |
In Wolf's Notationkunde wordt eveens een zeer interessante Ierse harptabulatuur besproken, dat op het oog overeenkomsten heeft met de harptabulatuur van het Robert ap Huw- manuscript (zie meer hierover in de volgende paragraaf). Het gaat om een manuscript in het bezit van de Cavanagh-familie, dat volgens William Beauford door een 15e/16e eeuwse monnik voor eigen gebruik is vervaardigd of uit een ander manuscript is overgeschreven. Opvallend is het gebruik van enkele van de bovengenoemde tekens en de merkwaardige overeenkomsten met de symbolen in de Griekse muzieknotatie (Zie: Griekse toonladdertheorieën en modaliteit: notatie). We vinden een meer authentieke tabulatuur terug in Walker's Historical Memoirs of the Irish Bards, alhoewel deze door Walker zelf, als een voorbeeld van een Welshe harpnotatie wordt beschouwd.
![]() |
| De hier beschreven oud-Ierse harptabulatuur, zoals we die tegenkomen in Walker's Historical Memoirs of the Irish Bards, p. 105. Onder de tabulatuur staat een, blijkbaar niet helemaal juiste, transcriptie naar het notenschrift. |
De onderstaande afbeelding is eveneens in Notationskunde opgenomen, waarin de symbolen van de tabulatuur naar het huidige notenschrift zijn getranscribeerd:
![]() |
| De vergelijkende toonschaal in Wolf's 'Notationskunde II', p. 294. Deze informatie is overigens niet volledig uit de bovenstaande tabulatuur te herleiden en is verder niet in Walker's ''Historical Memoirs'' opgenomen. Opvallend zijn de strepen en punten die voor de octavering van de tonen zijn aangewend. Dit laatste zien we ook terug in de notatie in het Robert ap Huw manuscript. |
Wolf verwijst naar Beauford's essay in Walker's Historical Memoirs', doch de tabulatuur bevindt zich niet in dit essay, maar op pag. 105 van Walker's werk. Noch in Beauford's essay, noch op pag. 105 van Walker vinden we iets terug van de bovengenoemde transcriptie. Whittaker vermoedt dat Wolf's informatie afkomstig is uit een andere bron: Fétis, F-J; Histoire Generale de la Musique, IV, 1869-1876; p. 390f (Wolf, 1919)(Whittaker, 1974)(Walker, 1786)
Het volgende citaat is van Beauford in Walker's Historical Memoirs:
Walker bestrijdt Beauford´s datering van het manuscript en gaat uit van een vroegere periode, dat blijkbaar door Dr. Burney wordt gesteund. (Walker, 1786)
"The most ancient specimen of Welsh musical notation now extant, is in the library of the Welsh School, which was established in 1714. The whole of this specimen was published in the Archaiology of Wales, a most valuable work, in three volumes, printed by the patriotic Owen Jones (Myvyr), at an expense of £2,000. The notation occupies about seventy pages of the third volume, of which the following facsimile will give an idea [Vide the Musical World, No. 31, vol. ni.]:
![]() |
"The characters used are those of the ancient Bardic Alphabet; and it is very evident that chords were struck, for three or four letters are placed perpendiculary on above another. The history of the above runs thus: This M.S. purports to have been described by Robert ab Huw, of Bodwigan, in Anglesey, in the reign of Charles I, from a M.S. of William Penllyn, a celibrated minstrel of the preceding century." (Thomas, 1870)
De afbeelding uit het citaat, suggereert een archaïsch beeld, vanwege de veronderstelde bardische tekens. We herkennen hierin zonder al te veel moeite een transcriptie van een fragment uit het Robert ap Huw-manuscript, n.l in de compositie met de titel Caniad Pibau Morfyd :
![]() |
![]() |
| Een fragment uit het Robert ap Huw manuscript (Lbl Addl MS 14905, pagina 92, rij 3, kolom 13-23 en rij 4, kolom 1-6), dat onmiskenbare overeenkomsten heeft met de afbeelding in John Parry's 'The Welsh Harper'. | |
![]() |
| Portret van John Parry (Bardd Alaw), gepubliceerd in 'The Welsh Harper' (1839). Bron: Digital collection of the National Library of Wales. |
Giraldus Cambrensis (Gerald van Wales, Gerald de Barry) (1146-1223) was schrijver, geschiedkundige en geestelijke. Zijn vader, William de Barry behoorde tot de meest machtige edelen in Wales. Gerald studeerde in Parijs en keerde in 1172 terug, waarna hij in dienst kwam van de Aartsbisschop van Canterbury voor het doen van missies in Wales ten dienste van de Kerk. In 1184 vergezelde hij prins John tijdens een expeditie naar Ierland. Hij schreef veel publicaties over Ierland en Wales.
![]() |
|---|
Giraldus noteerde zijn muzikale getuigenissen in Ierland en Wales, in twee in het Latijn geschreven werken, de Topographica Hiberniæ ('De topografie van Ierland') en Descriptio Kambriæ
('De beschrijving van Wales'). In beide boeken beschreef hij zijn
ervaringen gedurende de jaren 1180, waarin hij de kunde van de Ierse
harpeneers en Welshe zangtechniek prijsde.
Zijn verwondering van het
Ierse harpspel, is nogal opmerkelijk, omdat Giraldus een bijzonder lage
dunk had over de sociale status en gedrag van de Ieren. Naast het
harpspel van de Ieren, was hij zeer onder de indruk van de meerstemmige
Welshe en Noord-Engelse zang, die hij als uniek beschouwde en omschreef
als een oude volkskunst.
Voor wat betreft de Ierse en Welshe harp,
gaf hij een beschrijving van de toepassing van harmonieën in de
harpmuziek.
Binnen de context van dit hoofdstuk, is het de moeite waard om het volgende citeren:
In: Descriptio Kambriae. Over de oorsprong van de harpmuziek van Schotland en Wales (boek 1, hfdst 13)
"..Notandum uero quod
Scotia et Wallia, hec propagationis, illa commeationis et affinitatis
gratia, Hiberniam in modulis emula imitari nituntur disciplina.."
"..Het dient te worden opgemerkt, dat Schotland en Wales, de eerste vanwege redenen van afstamming, de laatste vanwege omgang en affiniteit, proberen op een wedijverig manier, Ierland op het gebied van muziek, te imiteren.."
In: Descriptio Kambriae. Over samenzang (boek 1, hfdst 13)
"In musico modulamine non uniformiter ut alibi, sed multipliciter multisque modis et modulis cantilenas emittunt, adeo ut in turba canentium, sic huic genti mos est, quot videas capita tot audias carmina, discriminaque vocum varia, in unam denique sub B mollis dulcedine blanda consonantiam et organicam convenientia melodiam."
"Bij het zingen van hun muziek, zingen zij niet, zoals elders, op dezelfde manier, doch op een meervoudige wijze, met veel verschillende stemmen en melodieën. Daarom zult u bij een groep zangers, zoals het in dit land de gewoonte is, zoveel melodieën horen als men hoofden ziet, en een afzonderlijke variëteit aan stukken, die uiteindelijk samen komen bij de zachte zoetheid van de toon Bes in één samenklank en een georganiseerde gezamelijke melodie."
In: Topographica Hiberniæ, inzake het Ierse spel op de harp (afdeling 3, hfdst 11)
"Mirum, quod in tanta tam praecipiti digitorum rapacitate, musica servatur proportio, et arte per omnia indemni, inter crispatos modulos, organaque multipliciter intricata, tam suavi velocitate, tam dispari paritate, tam discordi concordia, consona redditur et completur melodia, seu Diatesseron, seu Diapente chordæ concrepent, semper tamen a B molli incipiunt, et in idem redeunt, ut cuncta su jucendae sonoritatis dulcedine compleantur."
"Het is wonderbaarlijk dat bij zo'n complexe en snelle vingerbeweging, de muzikale verhoudingen blijven bestaan, en gaandeweg de moeilijke modulaties op hun verschillende instrumenten, is de harmonie met zo'n zoete snelheid compleet, als de snaren samen kwarten en kwinten laten klinken. Ze beginnen vanaf Bes, en keren naar deze terug, zodat het geheel onder de zoetheid van een prettig geluid, compleet wordt."
(Wright, 1894, vert. uit het Engels BGD).Er zijn drie interesssante zaken die, met betrekking tot dit hoofdstuk, in deze citaten opvallen:
Ad. 1 Er is een connectie aangetoond tussen de middeleeuwse snaarmuziek van Ierland en die van Wales (cerdd dant). Dit wordt besproken in het hoofdstuk Cultuur- en muziekhistorisch onderwerpen: Bardische kunst: Het Bardisch Statuut van Gruffud ap Cynan
Ad. 2 Deze opmerking is interessant als we deze tegen het licht houden in verband met de cerdd-dant-stemming van telyn (harp), waarin in plaats van de toon B, de toon Bes wordt aangewend. Zie hiervoor de paragraaf over de stemming van de telyn, naar het model van Greenhill.
Ad. 3 Is interessant tegen de achtergrond van de standaard cerdd-dant-stemming (cywair naturiol) voor de crwth. Namelijk de c- en d-snaren van de crwth, die resp. een kwart en een kwint ten opzichte van de bourdonsnaren g staan gestemd. De stemming van crwth wordt overigens verder besproken in de betreffende paragraaf.
Lees eerst: Harptraditie: De 'Revival' van de Gaelische harp
Edward Bunting (1773-1843) een 19-jarige kerkorganist, was als organisator betrokken bij het beroemde Belfast Harp Festival in 1792. Bewust van de dreigende teloorgang van de muziek en speeltechniek van de cláirseach
(Gaelische harp), heeft hij de muziek, de traditionele speeltechnieken
en oude kennis op schrift vastgelegd, zodat dit alles niet verloren zou gaan voor de volgende generaties.
Edward Bunting publiceerde drie collecties, in de vorm van pianobewerkingen, in 1796 (pdf), 1809 (pdf) en 1840 (pdf) (bron pdf: IMSLP/Petrucci Music Library).
Dat zijn werk voor muziekhistorici van enorm belang is geworden, is
evident. De meeste 'antieke' kennis met betrekking tot de Ierse, c.q.
Schotse Gaelische harp is hierin vastgelegd. De collecties bevatten,
naast muziek uit de 17e en 18e eeuw, waaronder composities van Turlough O'Carolan,
eveneens een aantal anonieme werken, die Bunting zelf classificeerde
als 'very ancient'. Deze kwalificatie, hoewel ongedateerd en zonder
muziekhistorisch bewijs, betrok hij op oude melodieën, waarvan zelfs
een deel afkomstig zou zijn uit de tijd van legendarische bard
Ossianus.
Bunting omschrijft de stemmingen in de vorm van drie kerntoonsoorten in majeur:
"The leading, or next note to the 'response', to the 'sisters', forming the proper key of the harp, being G natural, one sharp"
Hij geeft hiermee de leidtoon f# aan, die vooraf gaat aan de toon g (deze toon is van twee gelijk gestemde snaren, die de 'sisters' worden genoemd).
De stemming van de (dertig) snaren van 'leath glass' is als volgt:
C D E * G A B c d e f# g g a b c1 d1 e1 f#1 g1 a1 b1 c2 d2 e2 f#2 g2 a2 b2 c3 d3
![]() |
| Leath glass of 'Half note', naar Edward Bunting 1840. Klik hier voor een vergroting |
|---|
Volgens de gewoonte is de toon F#
(asterisk!) niet aanwezig. De reden hiervoor is, dat deze toon niet in
de bassen wordt aangewend, omdat de drieklank op deze toon de
verminderde drieklank F#-A-c oplevert.
De toon E wordt 'de gevallen snaar' (Tead leacthea) genoemd. Indien het voor de melodie noodzakelijk is, dan wordt deze toon een halve toon verhoogd naar F en wordt dan 'vallende snaar'(Tead leaguidh) genoemd. Als in dit verband ook alle hogere tonen f#, een halve toon lager worden gestemd naar f, onstaat een nieuwe stemming, die eveneens 'vallende snaar' (Tead leaguidh) wordt genoemd. Hier wordt nog verder op op ingegaan.
Let op de dubbele g in de bas ('two sisters').
Verder meldt Bunting het gebruik van mineur-toonsoorten:
"..the harpers also made use of two ancient minor keys, (neither of them perfect according to the modern scale).."
Hij bedoelt hiermee de parallele (authentieke) mineurtoonsoorten van G- en C-majeur, resp. e- en a-mineur.
Hoewel Bunting the term 'key' gebruikt, hetgeen valt te vertalen als toonsoort, heeft het voorgaande feitelijk betrekking op de stemming van de harp, van waaruit meerdere toonsoorten kunnen worden aangewend. Bunting geeft vanuit de standaardstemming, twee chromatische bijstellingen, namelijk een verlaging: F# → F en een verhoging: C → C#. Voor de standaardstemming van de harp geldt dus dat, naast de toon F#, alle tonen naturel naturel zijn. (Bunting, 1840)
Naast de hierboven genoemde majeur ("perfect in their diatonic intervals") en authentieke mineurtoonsoorten ("imperfect according the modern scale"), worden in het werk van Bunting, eveneens modale tonaliteiten erkend, dus naast ionisch (majeur) en eolisch (authentiek mineur), de dorische en mixolydische tonaliteit. Bunting beschrijft in zijn inleiding van The Ancient Music of Ireland (1840) eveneens de pentatonische (daarmee feitelijk ook een hexatonische) modus als een soms voorkomende, doch karakteristieke eigenschap van de oude Ierse muziek.
Over het gebruik van "d-natural minor" merkt Bunting op:
"..They sometimes made use of D natural minor, which was still more imperfect..".
Zoals gezegd geeft Bunting slechts drie voortekeningen: naturel, 1 kruis (F#), 2 kruizen (F# en C#), zodat 'D natural minor' betrekking moet hebben op de naturel-dorische modus op D (bij D-authentiek mineur wordt een verlaging B♭ aangewend). Gezien de standaard harpstemming in G-majeur (Leath Glass) staat, zou dus een omstemming van Fis naar F moeten hebben plaatsgevonden. Bunting zegt hierover:
"..and the sharp F's, through the instrument being previously lowered a semitone, the key was than called 'Teadleaguidhe', the falling string, or high bass key..".
Naast eerdere vermeldingen van een pentatonische(/hexatonische) modus ("defective in the fourth and seventh"), schrijft Bunting nog het volgende, terwijl met "flat seventh" duidelijk de mixolydische modus wordt bedoeld:
"..There are many hundred genuine Irish airs, some of them defective in the fourth and seventh, some supplying the place of the latter by a flat seventh, and others, again, perfect in all their diatonic intervals......"
De volgende modaliteiten kunnen in Bunting's werk dus worden geresumeerd:
| Modus/toonsoort | Grondtoon | Naam van de harpstemming | Opmerkingen van Bunting. | |
| Ionisch | (Majeur) | C | Fuigheall-beag Teadleaguidhe | Perfect in the diatonic intervals. Supposed to be high bass, or flat key (=F)...the sharp F's, through the instrument being previously lowered a semitone. |
|---|---|---|---|---|
| Ionisch | (Majeur) | G | Leath Glass | Perfect in the diatonic intervals. The proper key of the harp. |
| Ionisch | (Majeur) | G | Uan-fuigheall | One sharp, another name for the key of G. |
| Ionisch | (Majeur) | D | Fuigheall-mor | Formed by raising C-natural to C sharp. Seldom used. |
| Eolisch | (Authentiek mineur) | A | Fuigheall-beag Teadleaguidhe | A-natural. Neither of them perfect according the modern scale. Supposed to be high bass, or flat key (=F). |
| Eolisch | (Authentiek mineur) | E | Leath Glass | E-one sharp. Neither of them perfect according the modern scale. |
| Dorisch | D | Fuigheall-beag Teadleaguidhe | D-natural minor: still more imperfect. Supposed to be high bass, or flat key (=F). | |
| Mixolydisch | G | Fuigheall-beag Teadleaguidhe | Supplying a flat seventh. Supposed to be high bass, or flat key (=F). | |
| Pentatonisch -4-7 (π1) | G | Omission of fourth and seventh tones. Defective in fourth and seventh. | ||
Bunting geeft een vijftiental snaren van de harp aan, die een specifieke naam hebben.
| C | Cronan ioctar-chanus (Lowest note) |
| E | Tead leacthea (Fallen string) |
| F | Tead leagaidh (Falling string) |
| G | Cronan (Drone bass) |
| d | Freagrach tead na feitheolach (Response to the leading sinews) |
| g | Caomhluighe (Lying together, the sisters) |
| a | Guaille caomhluighe (Servant to the sister) |
| b | An dara tead os cionn caomluighe (Second string over the sisters) |
| c1 | An treas tead oc cionn caomhluighe (Third string over the sisters) |
| d1 | Tead na feitheolach (String over the leading sinews, string of melody) |
| e1 | Guaille tead na feitheolach (Servant to the leading sinews) |
| f#1 | Tead a'leithghleas (String of the half note) |
| g1 | Dofhreagrach caomhluighe (Answering) |
| d3 | Uachtar-chanus (Hoogste noot) |
![]() |
| Klik hier voor een vergroting |
|---|
De interpretatie van de cerdd dant-terminologie en de harptabulaturen van het Robert ap Huw manuscript (pdf) is nog steeds een belangrijke bron van studie (bron pdf-bestand: Lindahl, G.; SCA Medieval and Renaissance Music. Tijdens de laatste decennia van deze en vorige eeuw, is door verschillende specialisten research gepleegd, waaronder Paul Whittaker, Peter Crossley-Holland en Peter Greenhill. (Zie ook Bangor Universteit van Wales en het 'Centre for Advanced Welsh Music Studies').
De onderstaande afbeelding geeft een indruk van het beeld in het Robert ap Huw manuscript. Hier wordt de zgn. Odoniaanse nootwaarde toegepast, dit is de 11e-eeuwse notatie van muzikale noten door middel van letters. In tabulatuur zelf, zijn géén accidenties, zoals kruizen of mollen, aanwezig. Onder de horizontale lijn van de tabulatuur staat een vorm van de metrische akkoordenprogressie van cyweirdant en tyniad volgens één van '24 metra van de cerdd dant'. (Lees meer hierover, op deze pagina: Harmonie in de muziek van het RaH-MS. Boven de horizontale lijn is de ornamentale, figurerende melodielijn genoteerd, die de akkoorden met elkaar verbindt. De vertikale golvende lijn geeft de einde van een zin (cainc, kaingk = 'tak', 'melodie' (Eng.: 'strain')) aan.
![]() |
| Een typisch fragment van de harptabulatuur uit het Robert ap Huw manuscript p. 36. Caniad y gwynn bibyd. |
![]() |
| De Odoniaanse notatie in het
handschrift van Robert ap Huw. De basis van het octaaf is de toon G,
dit in tegenstelling met de hedendaagse aanduiding, alwaar de C als
grondtoon voor het octaaf wordt toegepast. Door middel van o.a.
horizontale strepen en punten, worden de noten van de verschillende
octaven van elkaar onderscheiden. Voor meer informatie hierover, zie ook op deze pagina: De stemming van de telyn. |
Hoewel de tabulatuur van het RaH-MS uniek is, zijn door Paul Whittaker een aantal parallellen aangetoond met o.a. continentale tabulatuurnotaties, waaronder:
INTERMEZZOHarmonie in de muziek van het RaH-MSDe harmonie in cerdd dant wordt gevormd door middel van een metrische opeenvolging van discrete contrasterende harmonieën. Deze akkoordenprogressie wordt aangegeven met de term 'metrum' ('mesur', 'measure'). De twee contrasterende harmonieën worden cyweirdant (symbool: I) en tyniad (symbool: O) genoemd. Beide akkoorden vormen feitelijk twee groepen die elkaar functioneel aanvullen. De cyweirdant neemt meestal de vorm aan van een drieklank, die is gebaseerd op het tonale centrum van een muziekstuk, doch beide harmonieën kunnen evenwel toegevoegde dissonante tonen bevatten.Laten we deze functionaliteit eens met eenvoudige voorbeelden toelichten (de meeste stukken zijn in dit opzicht complexer). Deze vinden we o.a. in de oefeningen uit de William Penllyn-sectie van het manuscript, Clymau Cytgerdd. (Whittaker, 1974) Het betreft de eerste oefeneing in het metrum 'mak y mwn hir' (vertaling van Bunting: 'for the country plains') IIII.OOOO.IOIO.IIII.OOOO.IOII. De harmonieën zijn in dit geval tweeledig:
De eerste zin (cainc 1) en de bijbehorende transcriptie luidt:
Het metrum 'mak y mwn hir' is één van 24 wettige metra ('pedwar mesur', 'twenty-four measures') van cerdd dant. Deze en de overige vindt u onderaan deze pagina, in appendix B. Een tweede eenvoudige voorbeeld waarin de contrasten tussen cyweirdant en tyniad goed hoorbaar zijn is cainc 1 van Caniad y Gwyn Bibydd ('Song of the White Piper', pag. 36-37). Metrum: 'tytyr bach' (Bunting: 'tenderly affectionate strain') OOIIOOII:
De afwisseling van cyweirdant en tyniad, zorgt voor een alternerende ('heen-en-weer gaand') harmonisch niveau. |
Eén van de onderwerpen die sinds lang ter discussie staat, is de interpretatie van de betekenis van de z.g.n. cyweiriau (enkelvoud: cywair). Mede vanwege de eeuwenoude traditie van de mondelinge doorgifte van kennis en vaardigheden, valt de werkelijke betekenis van cyweiriau niet eenvoudigweg uit de oude literatuur af te leiden.
Hoewel de term cywair gedurende de laatste driehonderd jaar beschouwd werd als een concrete snaarstemming voor de harp (telyn), modus of toonsoort, blijkt deze betekenis niet geheel met recente bevindingen overeen te komen. In de middeleeuwse eisteddfod-traditie, bestaat de restrictie van de zgn. vijf rechtmatige, gewaarborgde cyweiriau van cerdd dant ("y pum cywair safedig a gwarantedig", AB Peniarth MS 155, p. 79-83, ca. 1561. (Harper, 2007)), die zowel betrekking hebben op de telyn als de crwth. In het RaH-MS, waarin de tabulatuur specifiek voor de harp is bedoeld,
worden drie hiervan bij naam, in verband met muziekstukken genoemd en
de twee andere op de toelichtingspagina's (p. 108/109) van het
manuscript:
| Naam cywair | Betekenis | |
| Is gywair | * | Is: onder, laagste |
| Cras gywair | ** | Cras: wrang, hard, droog, krassend |
| Lleddf gywair | ** | Lleddf: zacht, kalm, teder en vredig |
| Go gywair | * | Go: wat, ongeveer |
| Bragod gywair | * | Een metafoor voor bitter-zoete harmonie, betrekking hebbend op het Engelse braggat, een drankje dat door de ouden werd gemaakt uit een gefermenteerd mengsel van de wort van bier en honing met een bitterzoete smaak. |
| (*)In het RaH-MS vermeld in connectie met bepaalde muziekstukken; (**)Vermeld op de toelichtingspagina's p. 108/109 van het RaH-MS. | ||
| (Whittaker, 1974)(Greenhill, 2000) | ||
Verder wordt in het manuscript met betrekking tot muziekstukken de termen Uwch gywair (Uwch: onderste) en Tro Tant ('gedraaide snaar') genoemd. Verder ziet men op pagina 108/109 van het manuscript een scala aan termen: Cywair ynghywair y wrach, Cywair Ithel, Cywair gwyddelig dieithr, Cywair chwith (diethr), Cywair ynghywair Edwart, Cywair yr Athro Fedd en Cywari dau hanner. In het Hafod 3-manuscript van Robert Peilin wordt melding gemaakt van de termen Dylod gywair, Eglur gywair en Breiniol gywair (Whittaker, 1974). Zie ook Appendix C: Overzicht van de cyweiriau-terminologie
Het woord cywair treft men eveens aan in cyweirdant
(=cywair-dant, 'dant', 'tant' = snaar), een term dat o.a. werd gebruikt om verschillende
snaarnamen aan te duiden (hetgeen hierna nog wordt besproken). Sinds lange tijd werd dit een reden om met cywairiau de toonhoogten van de
individuele snaren van de harp aan te duiden en als zodanig in termen van toonsoort of modus aan te wenden. Tegenwoordig betekent cywair inderdaad toonsoort (vergelijkbaar met het Engelse 'key'). Deze, als vaststaand feit geaccepteerde betekenis voor de telyn, impliceerde feitelijk dat er voortdurend bij het spelen van verschillende muziekstukken, de snaren van dit diatonische instrument moesten worden omgestemd (scordatura). In dit gedachtemodel ging men in principe zo ver, dat men de letternotatie in het RaH-MS, opvatte als verzameling benamingen van snaren en niet van reëele toonhoogten. Met andere woorden, de diverse auteurs hielden het erbij, dat omgestemde snaren niet explicitiet in het RaH-MS werden aangegeven.
Op zich is dit geen vreemde gedachte, want deze praktijk werd eveneens toegepast op het continentale Europa, waaronder het karakteristieke praktijk van Spaanse harpisten, zoals dat door de theoreticus Juan Bermudo (†> 1559) is beschreven (Whittaker, 1974). Bovendien werd men in scordatura-theorie gesterkt, door aan te nemen dat de aantekeningen en diagrammen op de pag. 108/109 van het RaH-MS betrekking hebben op de herstemming van de telyn,
dat echter, zoals uit Greenhill's studie blijkt, slechts voor een heel klein deel klopt.
De cyweiriau volgens dit scordaturamodel voor de telyn hebben, mede door de diverse interpretaties, echter nooit een eenduidig muzikaal toonsysteem opgeleverd. Bij de transcriptie van de tabulaturen van het RaH-MS, ontmoette men een tal van bezwaren, zoals onwenselijke dissonanties (hoewel afhankelijk van een vooringenomen smaak), optreden van de tritonus (verminderde kwint of overmatige kwart), verlies van tonaliteit en muzikale coherentie, zodat ter correctie de ene theorie op de andere werd gestapeld. Na een uitgebreide analyse, maakte een specialist op dit gebied, Paul Whittaker in zijn 1974-essay melding van het onbevredigende resultaat van al deze stemmingsmodellen, doch bleef aanvankelijk hieraan toch vasthouden. De bevindingen van musicoloog en harpist, Peter Greenhill gaf hem redenen genoeg om zijn vroegere interpretaties te herzien, zoals hij in het bijschrift bij de herpublicatie (2007) van zijn 1974-essay op in het internet aangaf (Whittaker, 1974).
Binnen de cerdd dant-traditie bezit de term cywair een subtiele betekenis, en staat daarmee in nauwe relatie tot de harmonie binnen het binair metrische systeem van akkoordenprogressies. Hiermee bedoelt men de metrische opeenvolging van functionele harmonieë, die cyweirdant en tyniad (zie ook op deze pagina: Harmonie in de muziek van het RaH-MS en Appendix B: De 24 metra van cerdd dant).
De betekenis van de term cywair zelf, kan meervoudig worden geïnterpreteerd in diverse, aan elkaar gelieerde betekenissen, zoals instelling, orde, overeenkomst, juiste staat of conditie, fijnregeling, reparatie, herstelling, restauratie, correctie en perfectie.
Deze terminologie kan dus ook een niet-muzikaal betekenis hebben, doch kan in muzikaal opzicht, betrekking hebben op
verschillende zaken, zoals (fijn)stemming, temperering, intonatie, toonhoogte en toonsoort.
Het is overigens wel aannemelijk, dat met cyweiriau, een set van mogelijke stemmingen voor de crwth wordt aangeduid. Hoewel in de literatuur slechts één bij naam wordt genoemd, n.l. cywair naturiol, is het voor de hand liggend dat er inderdaad diverse sets van mogelijke stemmingen voor de crwth bekend waren. Peter Greenhill wijst echter het scordaturamodel voor de telyn af, dat wil zeggen dat de term cywair niet langer, als een bepaalde herstemming voor de harp, beschouwd dient te worden. Met deze theorie doorbreekt hij een heersende denkwijze, die gedurende honderden jaren stand heeft gehouden. Dit kon hij doen na een nieuwe nauwgezette analyse van historische manuscripten met betrekking tot de cerdd dant en de tekst in het RaH-MS, alsmede de empirische benadering vanuit de mechanische mogelijkheden en beperkingen van de harp en de muzikale invalshoek van het harpspel zelf. Dit leidde tot de acceptatie van zijn theorie door diverse specialisten op dit gebied, zoals Peter Crossley-Holland en Paul Whittaker.
Het uitgangspunt van zijn Greenhill's theorie, is in eerste instantie de waarneming, dat de muziek van het RaH-MS slechts op één type stemming van de telyn is gebaseerd, die direct vanuit de tabulaturen valt te destilleren. Dat wil zeggen het RaH-MS gebruik maakt van de Odoniaanse letterwaarden voor de noten, dus: het 'symbool a' komt overeen met de 'noot a'. De enige restrictie die Greenhill in dit verband aangeeft, is dat het symbool 'b', de zgn. b-rotundum voorstelt, dat de toon b-molle of bes symboliseert.
Zo kan in dit verband worden gezegd, dat hoewel slechts één enkele stemming de basis vormt voor het RaH-MS, er enkele uitzonderingen zijn, waarbij chromatische inflecties (chromatische verhogingen of verlagingen) toegepast kon worden. Deze incidentele uitzonderingen blijken echter overigens niet uit de tabulaturen van het RaH-MS.
Greenhill koppelt de term cywair nu op een meer subtiele wijze aan cywair, namelijk door middel van intonatie of temperering (populair gezegd: 'fijnstemming') van de harp, dus zonder de enkelvoudige harpstemming geweld aan te doen. De belangrijkste consequentie van dit model, is het feit dat de tabulatuur-tekst in Robert ap Huw manuscript altijd eenduidig kan worden getranscribeerd, waarbij er vanuit kan worden gegaan, dat de Odoniaanse lettersymboliek voor de werkelijke toonhoogten is gebruikt en niet louter voor de naamgeving van de snaren, waaraan verschillende toonhoogten konden worden toegekend. De moeilijkheden en nadelen, waarbij men de cyweiriau als oude omstemmingsmodellen voor de telyn beschouwde, blijken hiermee te zijn opgelost.
De schaarse literatuur over dit onderwerp is op tweeledige manier te onderscheiden, n.l. bronnen van inheemse Welshe oorsprong en bronnen die de continentaal Europese middeleeuwse muziekleer als basis hebben. Greenhill noemt deze bronnen resp. regionaal en kosmopolitisch. De regionale geschriften staan voornamelijk in het Welsh en soms in het Latijn. De meeste bronnen kunnen als kosmopolitisch worden beschouwd, waarin Latijn, of het Engels, als voertaal is gebruikt. De moeilijk te begrijpen Welshe geschriften kunnen het best worden benaderd worden vanuit deze Latijnse geschriften, waarin de theorie van cantus planus (Engels: plain chant, eenstemmige gezang van de kerk (dat beter bekend staat onder de verzamelnaam, Gregoriaanse zang) wordt beschreven, waarin bepaalde raakvlakken met de cerdd dant zijn aangetroffen. Deze Latijnse geschriften geven bijvoorbeeld de toonschaal volgens Guido van Arezzo's hexachordaal systeem, waarin zowel de b-quadratum als de b-rotundum worden aangetroffen (Zie: Laat-Romeinse en middeleeuwse theorieën: Toonsystemen van de 11e eeuw: Pseudo-Odo en Guido van Arezzo. Doch deze kennis, die betrekking heeft op de middeleeuwse muzikale hoofdstroming van het contintentale Europa, geeft wel wat aanknopingspunten, doch niet automatisch de basis voor het toonsysteem van oorspronkelijk veel oudere, of zelfs archaïsche, cerdd dant-traditie. Vaak gebruikte men de theorie en terminologie van de ecclesiatische cantus planus en die van cerdd dant en de eisteddfod-traditie door elkaar, dat voor menig auteur voor verwarring zorgde.
Zoals in het volgende blijkt, werd naast de Odoniaanse nootwaarden (in combinatie met octaafaanduidingen door middel van strepen en punten), zoals die in het RaH-MS is aangewend, specifieke eigennamen aan snaren toegekend. Dit was het geval voor zowel de telyn als de crwth. Enkele aspecten inzake de snaarstemmingen van de harp vinden we in:
*)Cardiff, Public Libraries
*)Aberystwyth, National Library of Wales
Beschrijft de verlaging met een halve toon van een snaar, die zich twee snaren boven de snaar met de naam y cyweirdant (= 'cywair-dant') bevindt om zo y gogywair te vormen. De laatste term is opvallend genoeg, de naam van één der 'vijf gevestigde' cyweiriau (waarmee men een verband herkende met cywair en stemming). De snaar met de naam y cyweirdant blijkt een verwijzing te zijn naar de vergelijkings-snaar voor het stemmen (Engels: setting string). In dit verband gebruikt Gwyllym Puw de term 'sette string' ), namelijk de laagste toon van de harp. Op basis hiervan is het aannemelijk dat y cyweirdant de toon G is, als we in dit verband een vergelijking maken met laagste toon van het octaaf in het RaH-MS (overigens is de G ook de laagste toon (Γ) van Arezzo's eerste hexachord). Het ligt dus voor de hand dat de genoemde verlaging (tweede snaar boven y cyweirdant) betrekking heeft op die van de toon B naar Bes.
N.B. Het volgende moet duidelijk in ogenschouw worden genomen, namelijk het feit dat gogywair één van de vijf rechtmatige cyweiriau is, door verschillende auteurs werd gezien als bewijs, dat de andere cyweiriau een eigen specifieke stemming voor de telyn gehad zouden moeten hebben. Greenhill interpreteert dit echter als volgt: gogywair gebruikt deze specifieke noten en daarmee een kleine terts (G - B♭), en impliceert daarmee, dat er in principe een andere stemming bestaat, die op deze plaats een grote terts (G - B) gebruikt. Greenhill beargumenteert in zijn essay, dat het absoluut niet is uitgesloten, dat de andere cyweiriau eveneens deze kleine-terts-tonen gebruikten. (Greenhill, 2000)
Uit diverse bronnen blijkt dat Robert Peilin, ondanks zijn titel 'pencerdd' ('meester musicus/dichter'), geen uitvoerder was, en blijkbaar geen specifieke kennis had van het traditionele repertoire van cerdd dant. Ondanks dit gegeven, gebruikte hij wel de typische termen, die aan de kern van de cerdd dant zijn gelieerd. Peilin meldt in een essay, dat hoofdzakelijk de theorie van de cantus planus en de gamut behandelt, een verlaging van een halve toon en een verhoging van resp. de B en de F-snaar. Voor zeven snaren van de harp, wordt als een ezelsbruggetje van namen de tonen binnen het octaaf benoemd (de verwijzingen naar de toon staan vet en onderlijnd):
| gowirdant | G | |
| a chrassdant | droog krassend | A |
| ♮ragodant | gebruik makend van het herstellingsteken ♮ (b-quadratum) voor b | B-naturel |
| ne breiniol gowirdant | bevrijd | Bes |
| C gywirdant | C | |
| dylordant | ?somber | D |
| eglurdant | helder | E |
| ffwythlleddfdant | vruchtbaar zacht | F |
| ne breiniol ddyrchafaeldnt | bevrijd en verhoogd | Fis |
De terminologie van de cerdd dant-traditie vinden we in een aantal namen terug, hoewel gekoppeld vanuit verschillende invalshoeken. Zo zijn cras en bragod termen de gelieerd zijn aan cyweiriau. Gowirdant en C gywirdant zijn samentrekkingen van de letternotatie van de betreffende toon en het woord cyweirdant. Het woord breiniol, heeft betrekking op chromatische inflectie, n.l. een verlaging (B naar Bes), en een verhoging (F naar Fis). De namen dylordant, eglurdant en ffrwthleddfdant, zijn blijkbaar expliciete, als ezelsbruggetje bedoelde namen, om de tonen te onthouden en zijn mogelijk door Peilin zelf uitgevonden (Greenhill, 2000).
Het mag duidelijk zijn dat de benaming gowirdant (samentrekking van G-cyweirdant) en C gywirdant een manier is om beide snaren te benadrukken, daar zij blijkbaar een belangrijke rol spelen bij het vormen van toonladders.
Een ander vergelijkbaar voorbeeld voor het gebruik van cyweirdant komen we tegen in dit manuscript. Het materiaal van dit 18e eeuwse manuscript is onttrokken van materiaal dat veel ouder is. Met betrekking tot de begintonen G, C en F voor de afzonderlijke Guidoniaanse hexachorden wordt de uitdrukking cyweirdannau cryfion (akkoorden met deze begintonen als basis) gebruikt. In dit verband worden eveneens drie stemvoeringen met verschillende toonbereik onderscheiden, namelijk met de termen mên, trebl en byrdwn (cwadrebl) (midden, hoog en bourdon). Vijf van de zeven hexachorden begint met de G of C, waarmee de auteur blijkbaar de termen gowirdant en C gywirdant in Hafod 3 wilde benadrukken.
De verlaging van de B naar B♭ wordt in samenhang met de Guidoniaanse hexachorden besproken, waarbij Latijnse doch verbasterde uitdrukkingen uit de cerdd dant-terminologie worden gebruikt. Zo wordt er gesproken over Begwri (B-durum), Beiniol (B-molle) en Proprgrawmt (naturel, dus geen van beide, vergelijk het Engelse proper chant voor naturel). Deze termen worden in het manuscript tevens geassocieerd met resp. tro'r tant, gogywair en bragod gywair. Het is onmiskenbaar dat de oorspronkelijke auteur een theoretische verhandeling schreef over cantus planus en niet over cerdd dant. Het gebruik van de cerdd dant-terminologie blijkt hier niets anders te zijn dan een geforceerde overeenstemming tussen het Latijn en het Welsh en werd derhalve toegepast waarvoor ze niet zijn bedoeld.
Hoewel, gogywair in combinatie met Bes, beantwoordt aan Hafod 24 (y cyweirdant en de verlaagde toon, twee snaren daarboven), is het feit, dat elders in Hafod 3 (p. 235), gogywair wordt geassocieerd met een verhoging van een snaar (dyrchafael y dant) hiermee in tegenspraak. Peilin meldt dit in Hafod 3 met betrekking tot het verhogen van de B♭ naar B-naturel, alhoewel dit in hetzelfde manuscript op de lijst van snaarnamen met een andere naam is aangeduid (♮ragodant). In deze lijst wordt de term dyrchafael slechts in verband met de verhoging van F aangewend.
| De begintonen waarop een cyweirdant cryfion wordt ontwikkeld: | Naam van het hexachord | identiteit van b |
| G | (hexachordum durum) tro'r tant | Begwri (b-durum)(b) |
|---|---|---|
| C | (hexachordum naturale) bragod gywair | niet aanwezig, naturel |
| F | (hexachordum molle) gogywair | Beiniol (b-molle)(bes) |
![]() |
| Een aanduiding van een chromatische inflectie B ←→ B♭ (H ←→ B) op een afbeelding van een harp, naar Martin Agricola; Musica instrumetalis deudsch; 1528 |
Gwylim Puw beschreef in zijn notitieboek uit 1674, in het Engels, de term cyweiriau als een groep stemmingen voor de harp. Hij deed dit in de vorm van een diagram, dat mogelijk als instructie moest dienen voor de wijze waarop de stemmingen moesten worden uitgevoerd. Dit diagram had betrekking op drie mogelijke stemmingen:
| Naam in het Welsh naar Gwylim Puw | Naam in het Engels naar Gwylim Puw |
| Y Bragod Gywair | The Ordinarie Sette |
| Y Gogywair | The Siarpe Sette |
| Y Braidd Gywair | The Flat Sette |
Het is opvallend dat er slechts twee cerdd dant-termen zijn gebruikt, n.l. 'Bragod gywair' en 'Gogywair', die verder geen samenhang hebben en beschouwd kunnen worden als een poging tot verzoening met de oude Welshe terminologie met de toen gangbare Europese muzikale hoofdstroom. Dit geeft volgens Greenhill aan, dat er geen verwijzing naar de vroegere eisteddfod traditie van de cerdd dant heeft plaatsgevonden, alwaar men over vijf 'rechtmatige' cyweiriau spreekt. Inderdaad, vormen de Engelse termen ''Ordinarie Sette'', ''Siarpe Sette'' en ''Flat Sette'' de enige samenhang hierin. De stemmingen zouden volgens Puw zijn gebaseerd op de toonhoogte van een vergelijkingssnaar ('sette string'). Hoewel dit niet met zekerheid bekend is, zou men er vanuit kunnen gaan dat deze 'sette string' betrekking heeft op G-cyweirdant in Hafod 3. Het is inderdaad aannemelijk dat Puw mogelijk een poging heeft ondernomen om de verlaging van de B, zoals dat in Hafod 3 is beschreven, onder te brengen binnen het systeem van drie diatonische toonsoorten die hierin zijn betrokken. Namelijk die van C, G en F-majeur. Greenhill geeft aan dat deze stemmingen, indien toegepast, op bepaalde punten in het RaH-MS muzikaal onwaarschijnlijk zijn. Als de 'sette string' inderdaad de G is en de B, een Bes in bragod gywair en gogywair, dan is dit overeenkomstig met Hafod 24 en Panton 56 en niet met Hafod 3. (Whittaker, 1974)(Greenhill, 2000)
De hierboven besproken interpretaties met betrekking tot de stemming van de harp volgens Peilin (met Welshe terminologie) en die van Gwilym Puw (met een expliciete Engelse omschrijving), blijken interessante parallelen te bezitten ten opzichte van de Ierse stemming zoals die door Edward Bunting in 1840 werd omschreven.
De parallellen worden overduidelijk indien we de drie beschrijvingen in een tabel samenvoegen:
| Bron | Terminologie | ||||
| Peilin | Welsh | met breiniol gowirdant, B♭ | met ♮ragodant en ffwythlleddfdant, resp. B- en F-naturel | met breiniol ddyrchafaeldant, F♯ | |
| Puw | Engels | Flat Sette | Ordinarie Sette | Siarpe Sette | |
| Bunting | Iers | C, Fuigheall-beg (='Lessser sound') | G, Uan fuigheall (='Single sound') | D, Fuigheall-mor (='Great sound') | |
(Greenhill, 2000)(Whittaker, 1974)(Bunting, 1840)
Naast de aanduiding in de oude literatuur van een specifieke snaar, wordt de term cyweirdant eveneens gebruikt in een harmonische context, hetgeen we al gezien hebben inzake de contrasterende harmonieën: cyweirdant en tyniad. De term cyweirdant blijkt in harmonisch opzicht in verband te kunnen worden gebracht met het begrip 'sterke snaren' (lees: tonen) en tyniad met 'zwakke snaren'. Het AB MS Peniarth 62*) refereert naar een zevental cyweirdannau, waarschijnlijk binnen het octaaf. Hiervan worden er drie principaal of sterk genoemd. Dat wil zeggen vast, onveranderlijk. Vier zijn er aangeduid met zwak (cynnwys dannau, veranderlijk in modus, pedwar a newidian mewn modd).
Sterk of zwak heeft betrekking op harmonie en de wijze van spelen, resp. dat de snaren kunnen blijven doorklinken tot de toon uitsterft of dat zij moeten worden gedempt. Deze tonen zijn overigens nooit geïdentificeerd:
"En dit is van de muziek van Cerdd Dant, over de sterke cyweirdant en hoeveel daarvan sterk zijn. Er zijn totaal zeven, en van de zeven, veranderen er vier van modus, en de andere doen dat niet. Dit is de wijze, waarop zij dit niet doen. Omdat er drie principaal of speciaal zijn, en vier niet. Zij hebben daarvoor een reden, omdat er geen enkel aantal tussen hen zit en dat zij niet van één toestand zijn, en de vier cyweirdannau worden 'bevattende snaren' genoemd [cynnwysdannau]. Op veel plaatsen worden zij tyniadau." (Peniarth 62) (Whittaker, 1974) (Vert. uit Engels: BGD)
Er is in dit verband een mogelijke analogie met Panton 56, p.12., dat hiervoor zojuist is besproken, n.l. dat op de drie genoemde principale Guidoneaanse tonen G, C en F, een individuele cyweirdant cryf (meerv.: cyweirdannau cryfion) kan worden bewerkstelligd.:
"Er zijn drie zaken die op de sterke cyweirddant betrekking hebben: Bécarré, Bémol en Properchant.......Er is een cyweirdant voor Bécarré, en een cyweirdant voor Bémol en een cyweirdant voor Properchant"
"En hoeveel sterke cyweirdannau zijn er in de gamut [toonreeks]? Zeven, namelijk, ut in c fa-ut, ut in f fa-ut, ut in g sol-re-ut in een ruimte, ut in c sol-fa-ut, ut in f fa-ut in g sol-re-ut op de regel: dit zijn de zeven mutaties in de gamut." (Panton 56) (Whittaker, 1974) (Vert. uit Engels: BGD)
In dit verband is er nog een vergelijking mogelijk met de zgn. tannau lleddfon (letterlijk: 'klagende' snaren, waarvan door middel van stemming de toonhoogte kan worden ingesteld') met betrekking tot de vijf hoofd-cyweiriau, zoals vermeld in de z.g.n. Dosbarth-verhandeling**), alhoewel de laatste tekst meer betrekking heeft op de crwth en niet op de telyn. (Harper, 2000)
De term cyweirdant cryf, kan feitelijk worden beschouwd vanuit de componenten van een drieklank***), beschreven als een akkoord met 'drievoudige sterkte' of een 'modificatie' van de drie stemmen mên, trebl en bwrdwn. Hetgeen overeenkomt met een onderdeel in een passage 'Val ir ordeinied kerdd dant' ('Hoe cerdd dant was ontstaan')****), waarin de vertaler een aantekening maakt van de klank van de drie hamers (midden, hoog en bourdon), die samen de sterke cyweirdant van cerdd dant maken:
"En van de stem van de voorhamers van Tubulcain de smid en van de stem van de grootste voorhamer [gordd] werd de bas gezet, en van de tweede voorhamer de middenstem, en van de kleine hamer [mwrthwl] de hoge stem, en aldaar werd voor het eerst midden, hoog en bourdon gezongen, en we kunnen de cyweirdant niet sterk noemen tenzij het de sterkte van alle drie bezit" AB MS 17116B (Gwysaney 28)(Harper, 2007)(vert. uit het Engels door BD)
Overigens is het toepassen van een systeem van vaste cyweirdannau (lees: open snaren) en veranderlijke lleddfonnau (lees: tonen die met een vingergreep op de toets of 'fingerboard' worden verkregen) onvermijdelijk voor het musiceren en de omzetting van de RaH-tabulatuur naar de crwth. Doch hierover later bij de bespreking van de crwth-stemming. (Harper, 2007)(Greenhill, 2000)(Evans, 2004).
*)AB MS Peniarth 62 (Aberystwyth, National Library of Wales), >1582
**)AB Peniarth MS 155 (Lloegr Drigiant), ca. 1561
***)drieklanken zijn akkoorden, die zijn opgebouwd uit een grondtoon (prime), resp. een terts en een kwint boven de grondtoon).
****) AB MS 17116B (Gwysaney 28), ca. 1562-4, fol. 59r-60r
Deze paragraaf beschrijft de cyweiriau als model voor de diverse omstemmingstheorieën voor de telyn. Verschillende voorstellen van de omstemmingstheorie van het einde van de 19e, begin 20e eeuw (Thomas, Dolmetsch) worden besproken, alsmede een aantal recentere voorstellen (Crossley-Holland, Dart, Evans). Zoals eerder gezegd wordt de hier beschreven omstemmingstheorie in Peter Greenhill intonatie-theorie afgewezen.
Manuscriptverwijzingen in deze paragraaf:
In het voorafgaande bespraken we de individuele snaarstemmingen volgens Peilin. Het manuscript vervolgt met de namen van de zeven 'principale' cyweiriau, die blijkbaar duidelijk van de snaarbenamingen zijn afgeleid. Hoewel de term cywair niet nader wordt gedefinieerd, wordt het wel duidelijk gekoppeld aan een muzikale toon. Het is volgens Greenhill duidelijk wat Peilin in gedachte had, namelijk dat cywair blijkbaar zowel een afzonderlijke toon zijn, een melodische finalis, als een scalaire modus (toonladder op basis van een specifieke grondtoon) zijn (Greenhill, 2000)(Whittaker, 1974):
| Peilin's cyweiriau (Hafod 3) | Finalis | Vermeende transpositie naar grondtoon G, naar een interpretatie (noot 1) van Whittaker, 1974) |
| G gywair | G | G - A - B - C - D - E - F♯ - G |
| kras gywair | A | G - A♭ - B♭ - C - D♭ - E♭ - F - G |
| ♮ragod gywair | B-naturel | G - A - B♭ - C - D - E♭ - F - G |
| isgywair | C | G - A - B - C - D - E - F - G |
| dylod gywair | D | G - A - B - C♯ - D - E - F♯ - G |
| eglur gywair | E | G - A♭ - B♭ - C - D - E♭ - F - G |
| ffrwythleddf gywair | F | G - A - B♭ - C - D - E - F - G |
| Een interpretatie van de harpstemming naar Peilin's
cyweiriau (Hafod 3), er vanuit gaande, dat op elke toon
een majeur toonladder wordt gebouwd en na enkele stappen wordt
getransponeerd naar de basistoon van de harp, de G (setting string). Hoe dit gebeurt is te zien in het voorbeeld van de onderstaande afleiding voor kras gywair. Met grondtoon A, zou dit de toonladder van A-majeur opleveren: A B C# D E F# G# A Vervolgens herleid naar: G# A B C# D E F# A G# en gevolgd door een transpositie naar de gebruikelijke basistoon G (setting string): G A♭ B♭ C D♭ E♭ F G | ||
Greenhill is echter van mening, dat
Peilin een onhandige poging heeft gedaan om een soort van
overeenstemming, tussen snaarnamen en de vijf 'rechtmatige' stemmingen
van de eisteddfod-traditie te forceren. Doch het is twijfelachtig, dat hij een juist begrip hiervan had en dat zijn relaas pas na de teloorgang van de cerdd dant dateert. In ieder geval kan men vanuit zijn lijst met tonen met de
prominente Gowirdant (G-cyweirdant) en C-gywirdant en gezien de
beperkte mogelijkheiden van chromatiek (in beide gevallen breiniol
genoemd), n.l. B♭ en F♯, in principe slechts drie majeur toonladders
ontwikkelen. Dit zijn G-majeur (♯), C-majeur (naturel) en F-majeur (♭).
In ieder geval kan uit Peilin's beschrijving zeker niet worden opgemaakt, dat op elke
toon van het octaaf, een majeur toonladder werd gebouwd die als basis
voor een harpstemming diende. Deze relatief moderne benadering is niet
alleen in strijd met het tijdsbeeld waarin de cerdd dant kan
worden geplaatst, alwaar men een vorm van modaliteit zou verwachten.
Doch bovendien mag het duidelijk zijn, dat de verkregen veelvuldigheid
aan chromatiek, zoals we in de bovenstaande tabel kunnen zien, zeer
onwaarschijnlijk is. Dit geldt des te meer, als we dit in het licht van
slechts twee chromatische inflecties beschouwen, namelijk de tonen breiniol gowirdant (B♭) en breiniol ddyrchafaeldant (F♯)
Ondanks dit bezwaar, werd de majeur-basis voor de stemmingen van de harp toch door latere auteurs gehanteerd. (Greenhill, 2000)(Whittaker, 1974)
Aan het einde van 18e eeuw door Edward Jones (Jones, 1808) en gedurende de 19e eeuw door C. Burney (1782), John Thomas (Thomas, 1870)(Thomas, 1878), Owen Pughe en Silvan Evans vond er een herinterpretatie plaats van Peilin's cyweiriau in Hafod 3, en bijgesteld met het gegeven in Hafod 24. Hoewel men heeft nagelaten deze als bron te noemen. Dit keer is het roer omgegaan en werd iedere cywair, opgevat als een specifieke toonsoort/modus. Greenhill geeft deze verzameld als volgt weer in zijn essay (Greenhill, 2000), waar in de meeste gevallen sprake is van een majeur-toonladder:
| Naam van Peilin's stemming | Opmerking | Hergeïnterpreteerd tot de toonsoort: | Kwaliteit |
| G-gywair | Aan deze naam is een andere term toegevoegd: breiniol gywair, naar Peilin's chromatische inflecties | G-majeur | |
| Kras gywair | term gehandhaafd | A-majeur (J. Thomas: G-majeur, E. Jones: D-majeur) | 'sharp key' ('verhoogde toonsoort') |
| ♮ragod gywair | term gehandhaafd, genormaliseerd naar bragod gywair | B-mineur | gemengde of mineur-toonsoort |
| Isgywair | term gehandhaafd | C-majeur | 'low key' ('verlaagde toonsoort') |
| Dylod gywair | term gehandhaafd | D-majeur | |
| Eglurgywair | term gehandhaafd | E-majeur | |
| Ffrwythleddf gywair | term samengetrokken tot lleddf gywair' | F-majeur | beschouwd als afwijkende 'verlaagde toonsoort' ('flat key') |
| Niet in Peilin's lijst: | |||
| Gogywair (Niet in Peilin's lijst) | Naar instructies in Hafod 24. Hierbij is y cyweirdant door Edward Jones geïnterpreteerd als de toon C | C-majeur met verlaagde terts (E♭) | |
| Verder nog: | |||
| Tro tant | Toonsoort van verandering van snaar (key of the change of string) | Bes-majeur | |
![]() |
| De toonsoorten voor de harp volgens John Thomas. Fragment uit Myvyrian Archaiology of Wales (Thomas, 1870) |
![]() |
| Idem als boven naar Edward Jones. Fragment uit Musical and Poetical Relicks of the Welsh Bards. (Jones, 1808) |
Peter Crossley-Holland was van mening dat de majeur toonsoort in het Robert ap Huw manuscript prevaleerde. Het onderstaande citaat meldt dit gegeven. Hierin staat eveneens een verwijzing naar een connectie met Ierland (Crossley-Holland, 1942):
"The most obviously outstanding feature of these pieces is that they all appear to be in modern major keys. The first three are in C major, called Isgywair in Welsh, meaning 'low key'. This was one of the 'five standard and warranted keys' of old Welsh music mentioned in an ancient book not now extant called 'Ceidwadigaeth Cardd Dant' (*) (the 'Preservation of String Music', within three provinces of Wales) quoted in Peniarth MSS. 62 and 147. This book says that the musical science was confirmed in Ireland [!] by Mwrchan at a place called Glyn Achlach(**). Other keys also found amongst the [ap Huw] pieces, such as the 'Key of the Change of String' or B♭, in the song which is so named, 'C[aniad] tro tant'....Tro tant and the five keys already referred probably all correspond as regards the disposition of their notes with our modern major and minor scales." (Crossley-Holland, 1942).
(*)De tekst van 'Cadwedigaeth Cerdd Dannnau'
is gekopieerd in AB MS 17116B (Gwysaney 28), AB Peniarth MS 155, p.
79-83 met vroege recentie in AB MS Peniarth 62 (Harper, 2007)
(**) Glendalough,
graafschap Wicklow (Ierland). In het Robert ap Huw manuscript (p. 104)
staat een stuk genoemd, waarvan de titel 'Kwlwm ymryson fflam achlach'
luidt.
Het idee dat de toepassing van majeur de voorkeur verdiende, werd vooral gesterkt doordat Crossley-Holland wijst op het algemene voorkomen van het majeur en mineur toongeslacht (resp. ionische en eolische modus) in de seculaire (niet kerkelijke) middeleeuwse muziek. Dit met betrekking tot het verbod van deze toongeslachten in de kerkmuziek of cantus planus. De term tro tant ('gedraaide snaar') werd eveneens als een vorm cywair, snaarstemming beschouwd. Hierop wordt nog teruggekomen. Overigens noteert Crossley-Holland twee mollen (B♭ en E♭) voor Caniad Tro Tant.
Overeenkomstig de notatie van Crossley-Holland, geeft Dart de stemming Tro Tant en Is gywair de twee mollen: G-A-B♭-C-D-E♭-F-G
Voor Uwch Gywair (behoort niet tot vijf rechtmatige cyweiriau). Uwch betekent 'hoog' en zou volgens Dart duiden op een verhoging van de B-snaar van B♭ naar B (naturel): G-A-B♭-C-D-E-F-G
Dart suggereert, dat voor Go gywair mogelijk enkele snaren drastisch werden omgestemd:
"There are a number of pieces in tuning B [=go gywair], on the one hand, but the chords on which they are composed do not admit of an unambiguous solution to the problem of how the harp was tuned. One possibility - though it is no more than that - may be that string 5, 12 and 19 were tuned down to E or E♭ from their normal tuning of A." (Dart, 1968)(Whittaker, 1974))
Het is reeds eerder een onderscheid gemaakt tussen de sterke (principale) en zwakke cyweirdannau (Panton 56 en Peniarth 62). De sterke cyweiddannau hebben betrekking op tonen die onveranderlijk zijn. Dat wil zeggen dat hierop geen chromatische verandering zou worden aangewend. De zwakke cyweirdannau (tannau lleddfon) daarentegen, zijn wel aan verandering, dus omstemming, onderhevig, zodat chromatische inflectie hierop kan worden toegepast. Whittaker merkt naar aanleiding van de cywariau van Peilin (Hafod 3) op, dat vier snaren kunnen worden aangewend voor chromatische inflectie en drie tonen onveranderlijk blijven.
De stemmingstheorie van Robert Evans gaat van een gelijksoortige veronderstelling uit, waarbij hij de stemming van de crwth overduidelijk als referentie gebruikt:
g g1 c2 c1 d1 d2
Hij onderscheidt de onveranderlijke tonen gelijk aan de open snaren van de crwth, dus beide g's, c's en d's. Deze tonen overheersen in de cyweirdannau (de akkoorden, die met I zijn aangeduid in het metrische patroon). De overige veranderlijke tonen (lleddfdannau) a, b, e en f, die overwegend in de tyniad (O in de metrisch akkoordenprogressie) voorkomen, zijn alleen door grepen op de toets van de crwth mogelijk.
Evans trekt een parallel met de Griekse muziektheorie, waarin de tonen op de 'hoekpunten' van de tetrachorden (het tetrachord was de eenheid binnen het Griekse toonsysteem) als onveranderlijk worden beschouwd (de z.g.n. hestotes). De twee overige middelste tonen van het tetrachord zijn wel veranderlijk (kinoumenoi). De trillingsgetallen of snaarlengten van de hestotes zijn gezamelijk binnen de intervalverhoudingen 12 : 9 : 8 : 6 (octaaf, kwint, kwart en grote secunde) te vatten. Zie Griekse toonladdertheorieën en modaliteit.
![]() |
| Tetrachorden volgens het model van Robert Evan's herstemmingsmodel. De rode letters symboliseren de vaste, onveranderlijke tonen (cyweirdannau), de zwarte tonen zijn variabel (lleddfdannau). |
Door de schema's van p. 108 en 109 in het RaH-MS als bron te gebruiken, komt Evans tot de reconstructies van de 'rechtmatige' harpstemmingen:
| Is gywair | Lage stemming (lage stemming, lower tuning) | Γ A1 B1 C D E F g a b c d e .. enz. |
| Cras gywair | Wrange stemming (harsh tuning) | Γ A1 A1 C D E E g a a c d e .. |
| Lleddf gywair y Gwyddyl | Ierse herstemming (Irishman's re-tuning) | Γ B1 B1 C D E G G B B c d e .. |
| Go gywair | Verhoogde stemming (sharp tuning) | Γ A1 B1 C D Es F g a b c d es .. |
| Bragod gywair | Gemengde stemming (mingled, flattened tuning) | Γ A1 Bes1 C D Es F g a bes c d es .. |
| Verder: | ||
| Tro tant | Gedraaide snaar (turned string) | Γ A1 Bes1 C D E F g a bes c d e ..enz. |
| (Evans, 2004). Zie ook: Robert Evans; Tunings (ap Huw MS); Bragod website. | ||
De tekst van het RaH-MS bevat in het
totaal 24 symbolen voor de snaren van de telyn. In tegenstelling met de
oude ideeën, waarin men een voortdurende omstemming voor diverse
muziekstukken oppert, stellen deze symbolen volgens het model van Greenhill de stemming, dat wil zeggen de werkelijke tonen, van de telyn voor. De lage toon ee
ontbreekt in het manuscript, hetgeen herkenning oproept met Bunting's stemming voor de
Gaelische harp in het geval van de stemming Tead leaguidh-stemming (stemming met de 'vallende snaar', waarin de E naar F wordt gestemd).
Dat volgens Greenhill de diverse scordaturamodellen verworpen kan worden, is het gevolg van de reeds aanwezige consistentie, samenhang en detail in het complete muzikale beeld van het RaH-MS, zoals dat na jarenlange studie en spelen van de muziek is gebleken.
De stemming volgens het onderstaand schema, dat overeenkomstig de Odoniaanse nootwaarde
is, blijkt muzikaal gezien, volledig te voldoen, zodat de complexiteit
vanwege de verschillende omstemmingsmodellen volledig verdwijnt. De
letters stellen dus niet de snaren voor, zoals menig auteur suggereert,
maar de namen van de werkelijke tonen die op de harp worden geproduceerd. Er blijkt echter één restrictie
noodzakelijk, namelijk dat het symbool voor b, een b-rotundum voorstelt, waarmee de b-molle of de toon bes b♭ wordt bedoeld.
![]() |
Het laatste blijkt gemakkelijk in te zien als men er vanuit gaat, dat de smaak van samenklank ten tijde van cerdd dant
grotendeels overeenkomt met de heersende muzikale opvattingen met
betrekking tot consonantie en dissonnantie in de kunstmuziek van het
Europese vasteland. Men hanteerde, vanuit de Guidoneaanse hexachordiek
één soort chromatische verbuiging, n.l. de verlaging van b naar
bes. Feitelijk was de toon bes niet louter een afgeleide van de toon b,
maar een volkomen gelijkwaardige toon. Dat de bes in cerdd dant boven
b-naturel in gebruik was, blijkt uit het feit dat men zijn best heeft
gedaan om de tritonus
(diabolus in musica, d.w.z. overmatige kwart of verminderde kwint) in
de tabulatuur te vermijden. Uit Greenhill's analyse blijkt, dat van de
harmonische intervallen G-C, A-D, B-E, C-F, D-G, E-A en F-B, inderdaad
één consequent wordt vermeden, n.l B-E. Als men op deze plaats een
tritonus aanvoelde, dan kan dit alleen de overmatige kwart Bes-E zijn
geweest.
Alle andere kwarten komen in vrijwel gelijke mate in het RaH-MS
voor. Het interval E-A is minder gewoon. De E kan als een zwakke noot
worden beschouwd en wordt in tegenstelling met de andere tonen nooit
als drone (bourdontoon) gebuikt. In de aanwezige hexatonische en
pentatonische muziek werd het B- en E-symbool verzwegen, met een
voorkeur om de E te laten vallen. Ter ondersteuning van de aanwezigheid van Bes en de uitsluiting van de tritonus, is het feit dat in het manuscript eveneens, sytematisch harmonische kleine secunden in akkoorden worden gemeden. Van de secunden G-A, A-B, C-D, D-E, E-F em F-G worden de grote secunden G-A, C-D en F-G algemeen toegepast, hoewel D-E wordt gemeden. De volgende intervallen worden altijd gemeden: A-B, B-C en E-F. Met A-B(es), zijn dit kleine secunden. (Greenhill, 2000)
In zijn essay 'Tunings', geeft Greenhill een analyse inzake de modaliteit en tonaliteit van de stukken in het RaH-MS. Om de modaliteit van de verschillende muziekstukken in RaH-MS vast te stellen, is het nodig om vanuit praktisch oogpunt, de tyniad niet bij de analyse te betrekken. Dit is het geval, indien uit passages of secties in de bovenste melodielijn, een duidelijke tonaliteit wordt ervaren. Deze passages worden afgesloten met een 'oplossende toon' (finalis) of cyweirdant. Greenhill heeft daarmee vastgesteld, dat de meeste composities in het RaH-MS binnen bepaalde gedefinieerde modi zijn gecomponeerd. Eveneens komen er enkele stukken voor, waarin een verschuiving in modaliteiten plaatsvindt ('modal shift'). Dit beeld is niet afwijkend ten opzichte van deze van het Europese vasteland uit die tijd.
De meest voorkomende finalis is C, gevolgd door G, die resp. op een mixolydische en dorische modus duidt. Hoewel de ionische en eolische modi minder gangbaar zijn (resp. F en D), komen ze toch voor. Met betrekking tot de diversiteit aan toonladders, kan gezegd worden dat het merendeel aan stukken diatonisch is, dat wil zeggen heptatonische toonladders met hele en halve toonafstanden. Er komt eveneens een aanzienlijk aantal stukken voor, waarvan de toonladders gapingen hebben, dat wil zeggen dat er zowel pentatonische als hexatonische toonreeksen worden toegepast. Eveneens is het niet ongewoon dat er drones (bourdontonen) worden aangewend.
De betekenis van cywair, is meervoudig en kan met subtiele taalkundige verschillen worden uitgelegd, en wel in de betekenissen van:
instelling, orde, overeenkomst, juiste staat of conditie, fijnregeling, reparatie, herstelling, restauratie, correctie en perfectie.
Deze terminologie hoeft dus niet persé een muzikale betekenis te hebben. Muzikaal gezien, kan de betekenis van cywair, betrekking hebben op een tal van zaken, zoals (fijn)stemming, temperering, afwisseling (van akkoorden), toonhoogte en toonsoort.
Naast de vijf 'rechtmatige' hoofd-cyweiriau; bragod gywair, cras gywair, gogywair, lleddf gywair en is gywair, telt men totaal zo'n twintig verschillende cywair-aanduidingen in het RaH-MS. Verder nog een aantal in o.a. Hafod 3 (Peilin) en in NLW4710B (Gwilym Puw). Greenhill geeft terecht aan dat, gezien het beperkte aantal harpstemmingen (met slechts twee typen chromatische inflecties B/B♭ en F/F♯ v.v.) die tijdens de teloorgang van cerdd dant zijn beschreven, het zeer merkwaardig is dat er zo'n twintig verschillende stemmingen mogelijk zouden zijn geweest voor een klein, diatonisch snaarinstrument.
"efe a ddyly wybod cyweiriau telyn a crwth
efe a ddylai wybod cyweiriau telyn, a thyniadau crwth"(Greenhill, 2000)
Zoals we reeds hebben gezien is er een beperkt aantal chromatische bijstellingen in de harpstemming in de literatuur beschreven. We zien dit terug in een specifieke drievoudige terminologie:
In het cerdd-dant-repertoire wordt met name naar de termen dyrchafael en tro tant verwezen.
Deze terminologie heeft, zover men kan zien, betrekking op een beperkt aantal chromatische inflecties, namelijk op B→B♭ en F→F♯ (v.v.)In cerdd-dant-literatuur zijn er slechts drie praktijkvoorbeelden bekend, waarin een connectie tussen scordatura van de harp met cywair wordt aangegeven, n.l.
door Robert ap Huw zelf. Pagina 109 van het manuscript, toont twee schema's die zijn aangeduid met lleddf gower gwyddel en cywair ynghywair y wrach, beiden moeten in het verlengde van de aanwijzingen op p. 108 worden gezien (hetgeen hierna wordt besproken). Volgens Greenhill zijn dit geen snaarstemming-schema's, maar ap Huw laat hier wel een duidelijke aanknopingspunt zien, met betrekking tot een alternatieve stemming. In het schema lleddf gower gwyddel komt de noot ♭| (b-rotundum) voor, waarvan de laatste blijkbaar een halve toon hoger, naar b| (b-quadratum) gestemd kan worden. Dit is kenbaar gemaakt door middel van een kruisteken. Deze omstemming heeft, volgens Greenhill, verder niets te maken met, de reeds genoemde, voorgeschreven 'hoofd'-cyweiriau. De uitdrukking lleddf gower gwyddel, namelijk niet hetzelfde als lleddf gywair. Greenhill acht het aannemelijk, dat ap Huw hier de mogelijkheid van een scordatura ten behoeve van andere harpisten uit een andere traditie, demonstreert. Het woord 'gwyddel' ('Irishman') verwijst naar Ierland, waarmee het aannemelijk is, dat er een Ierse of Hiberno-Noorse vorm bestond, die blijkbaar afweek van die van Wales.
![]() |
| Robert ap Huw: lleddf gower gwyddel, p. 109. Dit schema moet gezien worden in het verlengde van p. 108 van het manuscript. De kruizen (b-quadratum) hebben volgens Greenhill, niets te maken met een bepaalde gangbare cywair. Doch, zou eerder op een aanpassing binnen een andere speeltraditie wijzen. Het woord gwydell, refereert naar Ierland, alwaar de Hiberno-Noorse praktijk mogelijk een andere traditie volgde dan die in Wales.(Greenhill, 2000) |
In Hafod 24 staat een verwijzing naar gogywair, waarbij de terts boven de y cyweirdant (G) wordt verlaagd (B → B♭), hoewel volgens Greenhill niet is aangetoond dat gogywair de enige cywair is met een kleine-terts-stemming, doch dat deze stemming ook voor de andere cyweiriau kan gelden.
Gwilym Puw, wiens snaarstemmingen komen overeen met specifieke toonsoorten. Daar het begrip toonsoort feitelijk geen rol speelde in de cerdd dant-traditie, wijst de aanduiding van Puw op een nieuwere muziektraditie, die ten tijde van de teloorgang van de cerdd dant, zijn intrede had gedaan. Deze rol van de stemming van de harp vinden we ook terug in de stemming van de Gaelische harp volgens Edward Bunting.
![]() |
![]() |
| Pagina's 108 en 109 uit het Robert ap Huw manuscript. Klik voor een vergroting: p. 108 - p. 109. | |
![]() |
![]() |
| Twee pagina's uit The Myvyrian Archaiology of Wales uit 1807, waarin de diagrammen van pag. 108 van het RaH-MS zijn overgenomen. Klik voor een vergroting: links, rechts. |
|
Vanwege de aanname dat pagina 108 zelf-explicerend zou zijn, hield men zich niet bezig met eventuele alternatieven. Greenhill geeft in zijn essay een plausibele verklaring met betrekking tot de harmonie, waarbij hij deze diagrammen als een voorschrift ziet, voor het vaststellen van harmonieën, die blijkbaar aan bepaalde cyweiriau zijn gekoppeld.
Greenhill wijst ten eerste op tegenspraak met de reeds eerder genoemde lleddf gower gwyddel, op pagina 109 waarin de ♭| is omgezet naar b. Op pagina 108 staat eveneens een diagram voor lleddf gower gwyddel, die schijnbaar totaal hiermee in tegenspraak is. De rechterkolom in het betreffende diagram, toont ons deze scordatura juist niet, maar geeft wel 'een omzetting' aan van f| naar g. De rechter reeks van een anderde diagram, 'cywair gwyddelig dyeither' geeft een grotere serie aan lettersymbolen dan links, hetgeen vreemd is als het diagram betrekking zou hebben op een omstemming van hetzelfde instrument. Peter Greenhill meent dat de diagrammen géén omstemmingsdiagrammen zijn, doch een hulpmiddel ter compensatie vanwege het ontbreken van theorische kennis met betrekking tot de harmonie.
Nu het bovenstaande is behandeld, met betrekking tot de snaarstemmingen en harmonie, mag het duidelijk zijn dat de term cywair niet louter een uitdrukking is, die uitsluitend is beperkt tot de stemming van een instrument, doch een veel diepere betekenis heeft tot relatie van het harmonische bouwwerk van cerdd dant.
De wijze hoe de harp gestemd wordt in diverse bronnen beschreven. Dat is het geval bij Glareanus (Dodekachordon, 1547), doch ook door Bunting. Of er nu wel of geen relatie bestaat tussen deze bronnen en cerdd dant, men gaat niet verder in op de aard van een eventuele toegepaste intonatie. Zo is het niet duidelijk of bij de stemming van de harp, b.v. natuurzuivere of getempereerde reine kwinten werden toegepast of een combinatie daarvan. Evenwel is het ondertussen duidelijk geworden, dat cerdd dant wel degelijk met intonatie in verband kan worden gebracht, hoewel dit door diverse auteurs op een andere wijze werd geïnterpreteerd. Feitelijk bleef men in het ongewisse van een dergelijk toonsysteem. Peter Greenhill heeft dit doorbroken na een analyse van de mogelijkheden van intonatie in cerdd dant, waarbij hij zich direct richtte op de muziek zelf, namelijk de tabulaturen in het RaH-MS. Hij onderzocht de vereisten, die voor de diverse composities noodzakelijk waren voor een goed klinkend muzikaal geheel, waarin zowel de melodische, doch vooral de harmonische aspecten van de diverse composities, naar voren kwamen.
![]() | ![]() |
| Een 24-snarige Gothische harp, die is voorzien van
'snaarhaken' ('bray pins'). (Glareanus: Dodekachordon, 1547) | Een (onnauwkeurige) afbeelding van de z.g.n. Ariandlws of Mostyn zilveren harp,
die prijkt op de voorkant van het Robert ap Huw-manuscript. Dit juweel
was de prijs voor de beste harpeneer tijdens de eisteddfodau van
Caerwys van 1523-1567. (Harper, 2007) (Robert ap Huw manuscript, Lbl Addl MS 14905, voorheen: B.M. Addl. MS 14905, 16e eeuw) |
Alvorens met Greenhill's theorie door te gaan, wordt de pythagoreïsche toonschaal als uitgangspuntsen genomen. Hiervan zijn de frequentieverhoudingen ten opzichte van de grondtoon (gekozen is om de toon C als grondtoon te beschouwen) vastgesteld op:
| C | D | E | F | G | A | B | c |
| 1/1 | 9/8 | 81/64 | 4/3 | 3/2 | 27/16 | 243/128 | 2/1 |
De pythagoreïsche stemming, bestaat uit enkele natuurzuivere reine intervallen met frequentieverhoudingen van gehele getallen: 3/2 (kwint), 4/3 (kwart) en 9/8 (grote secunde). Om hierna directe verschillen in de tempereringsmogelijkheden inzichtelijk te maken, worden voor het gemak de gegevens in afgeronde getallen in de akoestische grootheid cents uitgedrukt (noot 2).
| C | D | E | F | G | A | B | c |
| 0 | 204 | 408 | 498 | 702 | 906 | 1110 | 1200 |
Voor de RaH-stemming van de telyn, geldt ter vergelijking derhalve:
| C | D | E | F | G | A | ♭ | c |
| 1/1 | 9/8 | 81/64 | 4/3 | 3/2 | 27/16 | 16/9 | 2/1 |
In cents, die we voor de rest van het verhaal als vergelijkingsreeks gebruiken. We noemen deze stemming van nu af aan 'ongetempereerd':
| C | D | E | F | G | A | ♭ | c |
| 0 | 204 | 408 | 498 | 702 | 906 | 996 | 1200 |
Als we er nu even van uitgaan dat de bovenstaande ongetempereerde pythagoreïsche stemming in cerdd dant wordt toegepast, zou dit grote consequenties voor het klankbeeld opleveren. Dit geldt met name bij het toepassen van natuurzuivere grote intervallen. In tegenstelling tot andere oude muziek, waarin enkelvoudige tonen voor de melodie werden gebruikt, worden deze intervallen nu eveneens, verticaal, dat wil zeggen in een harmonische context aangewend. In het RaH-MS zijn de harmonische intervallen F-G, G-A en C-D vrijwel gemeengoed. De pytharoreïsche stemming levert echter geen natuurzuivere grote en kleine tertsen op (met frequentieverhoudingen van resp. 5/4 en 6/5). Dit betekent, dat deze stemming beperkingen oplevert in een systeem, waarin het niet ongewoon is om drieklanken te gebruiken. Greenhill geeft hiermee aan, dat de muziek van cerdd dant in dit verband verbazingwekkend vooruit loopt ten opzichte van de overige muziek in die tijd. In de praktijk komt het er dus op neer, dat in cerdd dant intonaties noodzakelijk zijn, waarin naast reine kwinten, natuurzuivere tertsen worden toegestaan.
Het volgende citaat in deze, is van Peter Greenhill (Greenhill, 200)
"The rich-harmonic timbre of the harp is especially conducive to harmonic music and to temperament, whith the harp's multitude of open strings where to note produced by every string plucked is supported by sympathetic resonance from other harmonically-related strings....So the early cerdd dant musicians, before and beyond any other instrumentalists, ought to have been particularly highly motivated to temper some or all their 5ths."
Proefondervindelijk is het inderdaad bewezen dat de muziek uit het RaH, met de ongetempereerde pythagoreïsche stemming niet al te best is gediend.
Natuurzuivere tertsen kunnen op verschillende manier worden verkregen:
Als er inderdaad zwaar getempereerde kwinten worden aangewend, dan zijn deze ongeschikt als consonante intervallen. Dit betekent dat er voor een bepaalde compositie minimaal één kwint zou moeten worden uitgesloten. Inderdaad bestaat er een aanzienlijk aantal stukken, waarbij dat inderdaad het geval is. Het ziet er zelfs naar uit dat componisten de stukken zelfs hebben aangepast om bepaalde kwinten uit te sluiten. Als dit inderdaad het geval is, dan zou dit erop kunnen wijzen dat binnen de cerdd-dant-traditie, verschillende variëteiten aan temperamenten mogelijk zijn. In ieder geval laat het ontbreken van bepaalde kwinten in het manuscript toe, dat er natuurzuivere grote tertsen (en enkele 10/9 kleine secunden) kunnen worden toegepast.
Een temperering is onregelmatig in die zin, dat kwinten in de akkoorden natuurzuiver worden gehouden. En andere kwinten die in akkoorden worden vermeden, door middel van een syntonische komma (of didymische komma, 81/80 = 21,5 cents) (noot 3) worden getempereerd.| Nummer | Temperering in cents | Temperering symbolisch | Uitgesloten kwinten | |||||||||||||||
| 1 | 0 | 182 | 386 | 498 | 702 | 884 | 996 | 1200 | D- | E- | A- | G-D | ||||||
| 2 | 0 | 204 | 386 | 520 | 702 | 884 | 1018 | 1200 | E- | F+ | A- | ♭+ | D-A; F-C | |||||
| 3 | 0 | 204 | 386 | 520 | 702 | 906 | 1018 | 1200 | E- | F+ | ♭+ | F-C; A-C | ||||||
| 4 | 0 | 182 | 386 | 498 | 702 | 884 | 1018 | 1200 | D- | E- | A- | ♭+ | G-D; ♭-F | |||||
| 5 | 0 | 204 | 386 | 498 | 702 | 884 | 1018 | 1200 | E- | A- | ♭+ | D-A; ♭-F | ||||||
| 6 | 0 | 182 | 386 | 498 | 681 | 884 | 996 | 1200 | D- | E- | G- | A- | C-G | |||||
| Vergelijk hiermee de ongetempereerde pythagoreïsche toonladder: | ||||||||||||||||||
| 0 | 204 | 408 | 498 | 702 | 906 | 996 | 1200 | |||||||||||
Vijf van de zo verkregen toonschalen worden door Greenhill als volgt verder geïdentificeerd:
Dan resteert nog een merendeel van de composities, die alle zes diatonische kwinten aanwenden en derhalve niet binnen het kader van de onregelmatige tempereringen voldoen. Twee middentoonstemmingen zijn volgens Greenhill hiervoor de meest geschikte kandidaten. Dit zijn zgn. 1/4- en 1/3-komma middentoonstemming (1/4-kms en 1/3-kms), waarin elke kwint iets wordt verminderd door middel van resp. een kwart of een derde van de waarde van syntonische komma (resp. 5 en 7 cents). Omdat beide toonreeksen natuurzuivere tertsen produceren, is de stemming gemakkelijk realiseerbaar. Dat wil zeggen natuurzuivere grote tertsen in geval van een 1/4-kms en natuurzuivere kleine tertsen in geval van een 1/3-kms. Beide stemmingen waren wijd verspreid in de toetsmuziek van de Renaissance, met een voorkeur voor de 1/4-kms.
Uit de muziek van het RaH-MS blijkt dat grote tertsen in de metrische cyweirdant posities zijn geplaatst, en zowel grote als kleine drieklanken in de tyniad-posities. Zodra zo'n 'majeur-mineur'-patroon wordt toegepast, ontstaat er een aanmerkelijke contrast tussen cyweirdant en tyniad bij het aanwenden van de 1/4-kms. In dit geval ervaart men op bij de cyweirdant een rustpunt. De 1/3-kms verzwakt het contrast en zou toegepast kunnen worden indien voornamelijk mineur in zowel de cyweirdant en tyniad worden gebruikt of bij een 'mineur-majeur'-patroon. Toch blijk in het algemeen is de 1/4-kms de meest gangbare te zijn.(Greenhill, 200)
Onderstaande tabel geeft de gegevens van beide middentoonstemmingen:
| Naam van de middentoonstemming | Toonreeks in cents | |||||||
| C | D | E | F | G | A | ♭ | C | |
| 1/4-middentoonstemming | 0 | 193 | 386 | 503 | 697 | 890 | 1007 | 1200 |
| 1/3-middentoonstemming | 0 | 190 | 379 | 505 | 695 | 884 | 1010 | 1200 |
| ongetempereerd | 0 | 204 | 408 | 498 | 702 | 906 | 996 | 1200 |
Greenhill meldt 17 composities, die voor een 1/4-kms in aanmerking komen, waarvan er negen alle zes diatonische kwinten bevatten. Slechs één stuk komt voor een 1/3-kms in aanmerking en één voor een ongetempereerde stemming.(Greenhill, 200)
In het RaH-MS zijn negen composities aanwezig, die alle aanwezige zes diatonische kwinten aanwenden. Dit betekent dat deze in aanmerking komen voor het gebruik van een middentoon- of de ontempereerde stemming. Van deze negen is bekend, dat zeven composities worden gespeeld in bragod gywair, waaronder Caniad y Gwyn Bibydd, Caniad Marwnad Ifan ap y Gof, Caniad Pibau Morfydd en Y Caniad Crych ar y Bragodgywair.
Vervolgens is een lijst met elf composities, waarvan de muziek geen onregelmatige temperering duldt, maar die wel een kwint verzwijgen. Eén draagt een titel, die direct naar bragod gywair verwijst: Caniad Cynwrig Bencerdd ar y bragod gower. Nog eens acht van de elf genoemde composities hebben geen titel of een verwijzing naaar cywair, waarvan Greenhill aangeeft dat deze in bragod gywair gespeeld zijn, waaronder Caniad Llywelyn ab Ifan ap y Gof en Caniad Suwsana, die geïdentificeerd kunnen worden met resp. Caniad Marwnad Llywelyn ab Ifan ap y Gof en Caniad Marwnad Suwsana.
Dan blijven er nog twee van de elf over die volgens de titel in een ander cywair worden gespeeld. Dat zijn Profiad Brido ar isgywair en Profiad Brido ar uwchgywair. De titels van deze stukken tonen duidelijk een contrast aan.
Resumerend komt Greenhill in zijn betoog tot de conclusie dat:
De composities waar het om gaat zijn:
| Compositie | Temperering | Cywair |
| Clymau Cytgerdd | 1 | cras gywair |
| Caniad Cadwgan | 1 of 4 | cras gywair |
| Caniad Bach ar y Gogywair | 2 | go gywair |
| Caniad Tro Tant | 1 of 6 | (tro tant) |
| Caniad San Silin | 2 of 3 | (tro tant) of is gywair |
Zoals reeds in het voorgaande is gemeld, heeft de term tro tant, als onderdeel van de 'inflectiegroep', mogelijk betrekking op een alternatieve stemming voor de harp, met name door de chromatische omzetting B←→B♭. In de oude literatuur wordt tro tant niet als cywair aangeduid, vandaar de haakjes. Bij het stuk Caniad San Silin wordt het volgende aangegeven:
Caniad Tro Tant en Caniad San Silin, zijn moeilijk te plaatsen. Beide stukken hebben geen gemeenschappelijke tonaliteit, doch gezien de opmerking bij de laatste zouden beiden een bepaalde overeenkomst moeten bezitten. Als tro tant wijst op de toon B♭, is het gemakkelijk in te zien dat Caniad Tro Tant daar naar is vernoemd, omdat deze compositie B♭ als tonaliteit heeft en in het laatste gedeelte de B♭-modaliteit, hetgeen een uniek geval in het RaH-MS is.
Greenhill is van mening, dat het voor Caniad San Silin aannemelijk is, dat het invoeren van de toon B♭ de mogelijkheid geeft om de modaliteit van dit stuk naar B♭ om te zetten. De versie in het manuscript staat in G, waarmee de uitvoering in is gywair de voorkeur verdient (lees: ongetempereerd pythagoreïsch).
De aanbeveling om Caniad San Silin ongetempereerd te spelen lijkt vreemd gezien de tempereringen 2 en 3 eveneens in aanmerking komen. Toch is het spelen in de ongetempereerde toonschaal mogelijk. Dit in tegenstelling tot Profiad y Brido ar Isgywair, dat op basis van het voorgaande, wel voor een ongetempereerde toonschaal in aanmerking komt, doch zeker niet voor tempereringen 2 en 3, daar alle zes kwinten dienen te worden aangewend.
Verder meldt Greenhill dat Caniad San Silin, mede vanwege de beperkte toonomvang, archaïsche kenmerken bezit. Het is zou daarom denkbaar zijn, dat het stuk mogelijk opzettelijk in de huidige modus werd geplaatst, om de archaïsche intonatie herkenbaar maken, waarbij de voordelen van tempereringen 2 en 3 daarbij niet over het hoofd werden gezien.
Het manuscript bevat verder nog twee composities die in aanmerking komen voor temperering 3, waarvan het volgens Greenhill te verwachten is, dat deze identificeerbaar is met de vijfde en laatste rechtmatige cywair, lleddf gywair.
Tot slot komt temperering 5 nog in aanmerking voor Cainc Dafydde Broffwyd, doch kan niet als een specifiek cywair worden geïdentificeerd.
Aan de hand van de bovenstaande analyse, concludeert Greenhill dat:
Meerdere tempereringsmogelijkheden voor een stuk zijn aangegeven voor:
In twee bronnen (Peniarth 62*) en Peniarth 147**)) wordt gemeld, dat vier van de vijf rechtmatige cyweiriau, snaren bezitten die met de term tannau lleddfon zijn aangeduid. Dit zijn, zoals eerder is besproken, de vier 'zwakke, veranderbare' snaren. Nu is het de vraag of dit gegeven binnen de intonatietheorie van Greenhill valt te bevestigen.
De aanduidingen cras en lleddf zijn feitelijk elkaars contrasten. Dat wil zeggen, cras betekent 'wrang', 'hard', 'droog', 'dor', 'bitter' , terwijl lleddf de betekenis heeft van 'zacht', 'kalm', 'teder' en 'vredig'. Cras gywair heeft geen tannau lleddfon.
Greenhill geeft twee mogelijkheden aan voor de betekenis vaan tannau lleddfon:
Als het laatste het geval is, dan zou cras gywair als een ongetempereerde toonschaal moeten worden beschouwd. Dit strookt niet met het eerder gevonden resultaat, dat cras gywair met temperering 1 valt te indentificeren.
Ondanks, dat dit erg speculatief is, suggereert Greenhill om temperering nr. 1 als vertrekpunt te kiezen en deze dus te beschouwen als de basis-ongetempereerde stemming. Waarom dit zou moeten zijn is echter onduidelijk, misschien het feit dat deze de meest antieke toonschaal vormt (?)
| Vertrekpunt is temperering 1, dus: | C | D | E | F | G | A | ♭ | C | (cras gywair) |
| temperering 2 wordt derhalve: | C | D+ | E | F+ | G | A | ♭+ | C | (go gywair) |
| en temperering 3: | C | D+ | E | F+ | G | A+ | ♭+ | C | (lleddf gywair) |
In dit schema wordt het contrast tussen cras en lleddf in stand gehouden, namelijk dat cras gywair dus geen temperering heeft en lleddf gywair de meeste. 'Go' betekent 'ongeveer', 'nogal', 'wat', hetgeen kan duiden op een gemiddelde temperering. Minder dan voor lleddf gywair.
*)AB MS Peniarth 62, p.18 (Aberystwyth, National Library of Wales)
**)AB MS Peniarth 147, p.200 (Aberystwyth, National Library of Wales) (Greenhill, 2000)
![]() |
| Een 19e eeuwse crwth (Foto: A. Praefcke, Bron: Wikipedia (EN) |
De crwth kan worden beschouwd als een lierachtig instrument dat kan worden getokkeld of gestreken. Het is voorzien van een fretloze toets ('fingerboard'), waarmee door middel van een vingerzetting, evenals bij b.v. de viool, de tonen kunnen worden geïntoneerd. De zes-snarige crwth is, naast de vier snaren boven de toets, eveneens voorzien van twee voorgestemde, drone- of bourdonsnaren. Er bestaat nog een eenvoudiger uitvoering van het instrument met drie snaren, met de naam crwth trithan, doch de meest professionele spelers maakten gebruik van de zessnarige uitvoering.
Tot nu toe zijn hier de diverse invalshoeken besproken met betrekking tot de stemming van de harp en de interpretatie van de cyweiriau. Het is door Greenhill bewezen, dat het RaH-MS één vastgestelde stemming voor de telyn heeft, doch waar ruimte aanwezig is voor het toepassen van enkele chromatische inflecties. De vijf rechtmatige hoofdcyweiriau voor de harp zijn geïdentificeerd als een set intonaties, die door middel van temperering van de snaren, binnen het kader van één enkele vaste stemming, kunnen worden bewerkstelligd.
Op één of andere manier moet de muziek van de harptabulatuur van het RaH-MS, speelbaar zijn met de crwth (of timp´), een instrument met een beperkt aantal snaren. Dit is af te leiden uit bronnen met lijsten waarop composities voor zowel de crwth- (crythorion) als de harpspelers (telynorion) bijeen zijn gebracht. Dit laatste is slechts mogelijk als de crythor de mogelijkheid heeft tot scordatura of het omstemmen van de snaren.
Er bestaat echter geen bestaat geen specifieke naamgeving voor de diverse mogelijkheden om crwth te stemmen, of het moet de term cywair of cyweiriau zijn!
Zo komen we ontegenzeggelijk op een andere benadering voor deze terminologie, dan die voor de harp is toegepast. Als de vijf rechtmatige cyweiriau aanvankelijk op de crwth zijn betrokken, dan is het voor de telynior niet perse nodig om voor ieder stuk de cywair te kennen. Tenslotte kunnen alle composities in de 1/4-komma middentoonstemming worden gespeeld, omdat deze zowel goed klinkende tertsen, als kwinten oplevert. Het specifieke gebruik van cywair-terminologie voor de stemming van de crwth, zou volgens Greenhill, aanvankelijk voor het gebruik van instrumenten met een beperkt aantal snaren, zijn aangewend. Doch niet voor de harp, die veel open snaren heeft. Het is zelfs aannemelijk dat in vroegere perioden de cerdd dant-terminologie meer aan crwth was gerelateerd dan aan de harp, waarbij het cyweirdant/tyniad-systeem mogelijk reeds op een vroeger instrument, bijv. een lier met de mogelijkheden van vingergrepen bespeeld werd (Greenhill, 2000).
Het mag duidelijk zijn, dat gezien de coherentie, de muziek van het RaH-MS zich niet leent voor een herziening, waarmee het geschikt gemaakt zou moeten worden om het op de crwth te kunnen spelen. Alternatieve stemmingen van de crwth geven echter wel de vereiste mogelijkheden voor de speelbaarheid, zowel met het oogmerk op intonatie bij de vingerzetting, als op de snaarstemming zelf. Greenhill zegt het volgende hierover:
"Nevertheless, crwth tunings do bear indirectly on the principles of reconstruction, because 'cywair' is expressly related not only to crwth fingering but to crwth tuning as well" (Greenhill, 2000)
De speel- en greeptechniek voor de crwth is geheel anders, dan dat we gewend zijn bij de viool. Dat wil zeggen, anders dan het zgn. organum-fiddling (d.i. tweestemmig bij een greep waarbij één vinger op twee snaren staat) of het enkelvoudige melodiespel. De crwth-techniek bij cerdd dant is een zgn. 'alternate-stopping'-techniek, dat wil zeggen, dat tijdens het strijkspel, de klank van de open snaren wordt afgewisseld met die door een vingergreep op de toets. Door middel van deze alternate-stoppings, zouden zowel de melodische figuraties als de akkoordenprogressie moeten worden uitgevoerd. Zo wordt in de cerdd dant-literatuur, het spel van de cyweirdant in verband gebracht met de open snaren en de tyniad met de vingergrepen op de 'toets'-snaren.
Er zijn de literatuur slechts twee stemmingen voor de crwth expliciet beschreven:
Uit de passage in BL Add. MS 15020 is, is deze stemming met de aanduiding cywair naturiol ('ei Gowair naturiol') te herleiden (Bron: Greenhill, 2000):
| Snaar 1: | Y crasdant | de vergelijkings-snaar |
| Snaar 2: | ai Fyrdwn | octaaf onder y crasdant |
| Snaar 3: | Byrdon y Llwfrdant | octaaf onder y llwfrdant |
| Snaar 4: | y Llwfrdant | secunde onder y crasdant |
| Snaar 5: | y Cyweirdant | kwint onder y crasdant |
| Snaar 6: | ai Fyrdon | octaaf onder y cyweirdant |
| De snaren van de crwth, waarop William Jones de toonhoogten g g1 c2 c1 d1 d2 toepaste. | ||
![]() |
| Een schematische reconstructie van de auteur van de stemming van de crwth, naar een ruwe schets van William Jones, Llangadfan (ca. 1787). |
De set van zes snaren van de crwth, bestaat uit drie banen. Iedere baan op zich weer samengesteld uit gelijknamige twee snaren, waarvan er één is verdubbeld in de onderoctaaf, de byrdwn. Voor de Jones-Barringon-stemming geldt dat de buitenste snarenpaar (1 en 2), die over de toets loopt, een kwint boven de open bourdonsnaren (5 en 6) staat. De binnenste snarenpaar over de toets (3 en 4) staat een kwart boven de bourdonsnaren.
Bij de Bingley-stemming staat de buitenste 'boven-de-toets'-paar een none boven de 'bourdon-paar' en de binnenste een kwint boven de 'bourdon-paar'. Als we deze stemming hetzelfde vertrekpunt geven als die van de cywair naturiol, dan wordt deze stemming g g1 d1 d2 a1 a2(Greenhill, 2000)
Beide stemmingen zijn authentiek, gezien de overeenkomsten en de keuze van intervallen. Doch zij kunnen niet elkaars alternatieven zijn voor één en hetzelfde instrument. Met andere woorden het zijn geen scordatura's omdat het toonbereik van de één, ten opzichte van de andere, practische en mechanische problemen opleveren bij het stemmen. Het is daarom aannemelijk, dat beide stemmingen vanuit verschillende tradities zijn ontstaan.
Vanwege de afwezigheid van de nodige gegevens, zoals muzieknotaties voor crwth, gegevens over de speeltechniek en de diverse mogelijkheden, die voor de crwth-stemming werden aangewend, zal er empirische onderzoek nodig zijn. Het experiment zal uitsluitsel moeten geven over de wijze, waarop de speeltechniek en stemming optimaal aan elkaar gerelateerd zijn. Totdat zo'n uitgebreid onderzoek de nodige resultaten oplevert, dient men de vaak raadselachtige verwijzingen in de oude literatuur als leidraad te gebruiken. Echter, indien de mogelijke alternatieve stemmingen nauwkeurig bekend worden, dan is nog maar de vraag dit ook het geval zal zijn voor de bijkomende naamgeving.
Het mag duidelijk zijn, dat de term cyweir naturiol het bestaan van andere stemmingen, dat wil zeggen cyweiriau, impliceert. Hoewel de term zelf, geen juiste benaming in het Welsh is. Als in dit verband één van de namen van de vijf rechtmatige cyweiriau hieraan werd gegeven, b.v. bragod gywair, dan was direct het bewijs geleverd, dat de de vijf cyweirau, specifieke crwth-stemmingen vertegenwoordigden. In ieder geval ligt het uit praktisch oogpunt voor de hand, om de voorkeur te geven aan de cywair naturiol als een geschikt stemming voor cerdd dant. De reden hiervoor is het feit, dat hierin de twee banen met de 'toets-snaren' ('stopped strings') een secunde (c - d) van elkaar verschillen, hetgeen essentieel is voor de 'alternate-stopping' techniek. Om deze techniek van de 'double tonic', die zowel in de melodielijn als de begeleidingslijn voorkomt, te bewerkstelligen, kan dezelfde vingerzetting, afwisselend van de ene baan snaren, naar de andere verplaatst worden. Hierbij vindt dan steeds een verschuiving van een hele toon plaats. Als op de ene baan een vingergreep wordt toegapast, zijn de snaren van de naastliggende baan open, en omgekeerd, zodat tegelijkertijd de geschikte begeleiding kan worden gespeeld. De tonen, die op de twee verschillene banen worden uitgevoerd, veranderen dus voortdurend van rol, zodat de nodige afwisseling in de 'mesur' wordt aangewend. Terwijl dit bij de telyn, kleine 'pakketjes' in de vingertechniek voorstelt, is dit bij de crwth een wisseling van de vingerzetting van de ene baan met snaren naar de andere.
Als we de Bingley-stemming beschouwen, kunnen we rustig stellen dat deze meer geschikt is in de zin van de tonica-dominant afwisseling, zoals dat in de conventionele Westerse muziek plaats vindt. Mogelijk is de Bingley-stemming, die reeds laat is gepresenteerd (1801), ontstaan na beïvloeding door de standaardstemming van de viool. Het is dus duidelijk dat de muziek voor de laatste stemming, buiten de traditie van de cerdd dant valt.
Wat zijn zoal de randvoorwaarden waaraan een alternatieve stemmingen van de crwth verder zou moeten of kunnnen voldoen?
Zoals hiervoor is gesproken is de cywair naturiol een geschikt vertrekpunt voor de stemming van de crwth, en zal een centrale rol hierin hebben vervuld. Hierbij kan men zich afvragen hoe, met betrekking tot de cywair naturiol, de alternatieve stemmingen werden genoemd. Omdat het een en ander te valt te zeggen over de snaarnamen zelf, kunnen we een paar zaken op een rij zetten.
"Er zijn vier lleddf-snaren: de lleddf-snaren van de bragod gywair; de lleddf snaren van de is gywair; de lleddf snaren van de go gywair, en de lleddf snaren van de lleddf gywair waar de naam afkomstig is." AB MS 155**) (Harper, 2007) (Vert. uit Engels: BGD)
Deze zin is interpreteerbaar als vier verschillende mogelijkheden voor de lleddf-snaren, hetgeen in verband kan worden gebracht met de llwf-snaren van cywair naturiol.
![]() |
| Beschrijving van de stemming van crwth, in Edward Jones Musical and Poetical Relicks of the Welsh Bards (1808), p. 115 |
![]() |
![]() |
![]() |
|
| De metingen van A.J. Ellis, omschreven door Collinson (Collinson, 1966) | Intervallen naar A.J. Ellis (Ellis, 1895) | De mixolydische schaal volgens de evenredig zwevende temperatuur | |
High A G F E D C B Low A |
hele toon ¾ van een hele toon (=halve toon + de helft) ¾ van een hele toon (=halve toon + de helft) hele toon ¾ van een hele toon (=halve toon + de helft) ¾ van een hele toon (=halve toon + de helft) hele toon | 1200 (cents) 1009 853 703 495 341 197 0 | 1200 (cents) 1000 900 700 500 400 200 0 |
| De temperering van de toonschaal van de GHB naar A. J. Ellis (1885) (Collinson, 1966). | |||
| Naar Lenihan en MacNeill | De mixolydische schaal volgens de evenredig zwevende temperatuur | De mixolydische schaal volgens de reine stemming | |
High A G F E D C B Low A Low G | 1200 (cents) 1018 884 702 520 386 204 0 -204 | 1200 (cents) 1000 900 700 500 400 200 0 (-200) | 1200 (cents) 996 884 702 498 386 204 0 -204 |
| De temperering van de toonschaal van de GHB naar Lenihan en MacNeill (1968), in vergelijking met de reine stemming en evenredig zwevende temperatuur(Collinson, 1966). | |||
Belangrijk bij deze intonatie zijn allicht de welluidendheid van de diverse intervallen ten opzichte van de droneklanken. Deze temperering is reeds in de vorige paragraaf besproken, inzake de stemming en intonatie voor de harp voor de cerdd dant van Wales. Met deze temperering werd de intonatie met de aanduiding gogywair geïdentificeerd. De eigenschap hiervan zijn de natuurzuivere grote tertsen en een beperkt aantal goedklinkende reine kwinten.
| Toegepaste toonreeksen | Verdeling halve en hele toonafstanden | Modus | Bronson-aanduiding | Percentage van het totaal aantal stukken |
| A B C(#) - E F(#) - A | 1 - 1 - 1½ - 1 - 1½ | pentatonisch | A-π1 | 23 % |
| G A B - D E - G | 1 - 1 - 1½ - 1 - 1½ | pentatonisch | G-π1 | 7 % |
| A B - D E F(#) - A | 1 - 1½ - 1 - 1 - 1½ | pentatonisch | A-π2 | 18 % |
| A B C(#) D E F(#) - A | 1 - 1 - ½ - 1 - 1 - 1½ | hexatonisch ('Gaelisch') | A-I/M -7 | 4 % |
| A B - D E F(#) G A | 1 - 1½ - 1 - 1 - ½ -1 | hexatonisch ('Gaelisch') | A-M/D -3 | 14 % |
| modaal | - | - | - | 5 % |
| onregelmatig | - | - | - | 16 % |
| niet determineerbaar, met gapingen van F, G en/of A |
- | - | - | 13 % |
De oudste Keltische geschriften die op de Britse eilanden en Ierland zijn gevonden dateren op z'n vroegst uit de 3e eeuw. Dit schrift wordt ogham en wordt direct in verband gebracht met de druïdenorde als bewaarder van de mythen en verhalen. De ogham werd aanvankelijk vervaardigd door het in steen te kerven ('ogham-stones'), waarbij de diverse tekens woorden vormen die in het algemeen worden toegeschreven aan het oud-Gaelisch. Naast de oghamstenen treft men het schrift eveneens aan op andere materialen, zoals hout, goud, zilver, lood, kristallen, been, ivoor etc. Tot op heden zijn er 369 oghams ontdekt. Ze zijn allemaal rond het gebied van de Ierse zee aangetroffen in Ierland, Wales, Eiland Man en Schotland. Terwijl sommigen christelijke teksten bevatten, is het grootste gedeelte 'voor-christelijk'. Er wordt vaak geloofd dat St. Patrick het schrift naar Ierland bracht, maar het staat vast dat het oghamschrift ouder is, dan het Romeinse alfabet. Evenmin is ogham daarvan, noch van het Germaanse runenschrift afgeleid.
Het dus zeker dat de Keltische volkeren op de Britse Eilanden, lang voor de komst van St. Patrick een literair volk was. Na de 6e eeuw werd het oud-Iers geschreven in het Romeinse alfabet. De meeste kennis van ogham is verkregen uit het hoofdstuk Auraicept na n-Éces in het 15e-eeuwse Boek van Ballymote (Leabhar Bhaile an Mhóta), dat eveneens geneologieën, mythologie, en historische zaken van Ierland bevat. (Meer info over ogham in het 'Boek van Ballymote': Fell, B; The Ogam Scales from the Book of Ballymote)
De oghamletters zijn opgedeeld in vier hoofdgroepen, die ieder vijf letters bevatten. De letters hebben afzonderlijk de namen van struiken en bomen.
![]() |
| De vier hoofdgroepen van de twintig oghamletters |
Het volgende overzicht toont de '24 metra', genoteerd voor de telyn, zoals dit is gepubliceerd in het RaH-MS. (Harper, 2007)
| Llyma/r/pedwar mesur arhigain kerdd dant 'Hier zijn de vierentwintig metra van cerdd dant' |
|
| mak y mwn hir korffiniwr korsgoleff Rhiniart koraldan tresi heli wnsach kor dia tutlach korfinfaen korwrgog karsi brath yn ysgol fflamgwr gwran mak y mwn byrr kalchan bryt odidog trwsgwl mawr tytyr bach mak y mynfaen toddf hatyr bach* mak y delgi alban hyfaidd alfarch |
IIII OOOO IOIO IIII OOOO IOII IIOOIOII.IIOOIOII IIOIIOOIOII IOOI.IOOII IIIOIOOIOOOI IOOOIIIOOOIOII IIIIOOOI IOIIOOOIIOOIIII IOIIOII.IOIIOII IOOIOIIOII IOOOIOII.IOOOIOII IOIIOIOOIOIIOIOOIOII IOII.IOIIOOIIOOII IIOOIIII IIOOIIIIOI OOIO.OOIO.IIOI.IIOI OOOOIIIIOOOOIOII OOIIOOII OOIIOO.OOIIOOIII OIIOOOII OOIOII.OOIOII OIIIOII IOII.OIOO.OIOO.IOII OOOOOOOO IIIIIIII |
| terfyn y pedwar mesur arhigain kerdd dant 'het einde van de vierentwintig metra van cerdd dant' |
|
| *Abusievelijk vaak hatyr, genoemd. Hatyr is een metrum dat niet onder 24 voorgeschreven uitvoeringen valt: 001011.001011.00001111.00001011 (met dank aan Peter Greenhill). | |
De terminologie, naar huidig inzicht, inzake cyweiriau die men in de cerdd dant-literatuur tegenkomt (Whittaker, 1974)(Greenhill, 2000).
| Genoemd in verband met muziekstukken in het Robert ap Huw-manuscript: | |
| Uwch gywair | Identificeerbaar als intonatie van de harp. |
| Tro tant | 'Gedraaide snaar', genoemd met betrekking tot een snaar, die chromatisch kan worden bijgesteld B→B♭ v.v. (Geen cywair.) |
| Is gywair*) | Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth. |
| Go gywair*) | Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth. |
| Bragod gywair*) | Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth. |
| Cyweiriau, die worden genoemd op pag. 108/109 van het Robert ap Huw-manuscript: | |
| Cras gywair*) | Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth. Op p. 108 genoemd in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp. |
| Lleddf gywair*) | Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth. |
| Lleddf gywair y Gwyddyl | Niet identificeerbaar als stemming, doch mogelijk genoemd in verband met een aanwijzing voor toepassing van harmonie, zoals het schema op pag. 108. Doch met een restrictie dat de ♭ wordt verhoogd naar b (♭#). De verwijzing naar Ierland (gwyddyl = 'Irishman') heeft blijkbaar betrekking op een alternatieve stemming in de Ierse/Hiberno-Ierse cultuur. |
| Cywair ynghywair y wrach | ('cywair' = 'stemming/intonatie', 'yn' = in of op, 'ghywair' = 'stemming/intonatie', wrach = van 'gwrach' 'oude vrouw' of mogelijk 'bray pin' Niet identificeerbaar als stemming, doch mogelijk genoemd in verband met een aanwijzing voor toepassing van harmonie, zoals het schema op pag. 108. De term 'wrach' blijkt op een of andere manier een connectie te hebben met het spel op een harp met zgn. 'bray pins'. |
| Cywair Ithel | Genoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp. |
| Cywair gwyddelig dieithr | Genoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp. |
| Cywair chwith = cywair diethr | Genoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp. |
| Cywair ynghywair Edwart | Genoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp. |
| Cywair yr Athro Fedd | Genoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp. |
| Cywair dau hanner | Cywair 'van twee helften' (?). Niet identificeerbaar. |
| Cywair tro tant | Cywair 'van de gedraaide snaar' (?). Niet identificeerbaar. |
| Door Peilin in Hafod 3: | |
| G-gywair/Breiniol gywair | Mogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis G. | Breiniol gywair | Als G-gywair. |
| Kras gywair*) | Mogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis A. |
| ♮ragod gywair*) | Genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis B. |
| Isgywair*) | Mogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis C. |
| Dylod gywair | Mogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis D. |
| Eglur gywair | Mogelijke genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis E. |
| Ffrwythleddf gywair | Mogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis F. |
| Gwylim Puw beschreef in zijn notitieboek uit 1674 eveneens: | |
| Bragod gywair*) | Genoemd als type harpstemming (Ordinary Sette). |
| Gogywair*) | Genoemd als type harpstemming (Siarpe Sette). |
| Braidd Gywair | Genoemd als type harpstemming (Flat Sette). |
| Evan Evans in Panton 56 | |
| Tro'r tant | In termen van cantus planus: Guidoneaanse hexachordum durum op G |
| Bragod gywair*) | In termen van cantus planus: Guidoneaanse hexachordum naturale op C |
| Go gywair*) | In termen van cantus planus: Guidoneaanse hexachordum molle op F |
| Lbl Add. MS 15020:1 en AB MS 168:6 | |
| Cyweir naturiol | Identificeerbaar als een stemming voor de crwth |
Het aantal cents van een interval is een handige rekenhulpmiddel voor het berekenen van andere intervallen. Het getal geeft namelijk een maat voor de toonafstand, zoals het menselijk gehoor dat waarneemt. Voor degenen, met voldoende wiskundig ondergrond: het aantal cents kan men berekenen door middel van een logaritmische formule:
![]() |
Hierin is n, het getal in cents, a/b de frequentie verhouding van het betreffende interval. Het getal 1200 is een evenredigheidsfactor, indien de logaritme voor het grondgetal 2 wordt gebruikt. Bij het gebruik van een rekenmachine is het handig om de formule ter herschrijven voor een logaritme voor het grondgetal 10. De evenredigheidsfactor bedraagt dan ≈3.986,3137:
![]() |
Per definitie geldt derhalve:
![]() |
Het octaaf t.o.v. de grondtoon bedraagt, in cents uit gedrukt, per definitie 1200, de reine prime per definitie 0. Het aantal cents is positief als a > b en negatief als b < a. Dit laatste volgt uit de wiskundige eigenschap van de logartitme.