[Home][Auteur: Ben Dijkhuis][Volledig revisie en laatste update: 29-12-2014][Hoofdstuk: Toonsystematiek][Gebruiksvoorwaarden]

Oude toonsystemen, stemmingen en muzieknotaties van Ierland, Schotland en Wales

INHOUD van deze pagina (verberg)

  1. 1. Inzake oud-Ierse en Welshe muzieknotatie
    1. 1.1 Ogham-fantasie
    2. 1.2 Oud-Ierse muzikale tekens
    3. 1.3 Het Cavanagh-manuscript
    4. 1.4 Gefantaseerde 'bardische tekens
  2. 2. De harp in Ierland, naar Edward Bunting
    1. 2.1 De rol van Edward Bunting
    2. 2.2 Snaarstemmingen van de harp en modaliteit
  3. 3. Het toonsysteem en de instrumentstemming voor de middeleeuwse snaarmuziek van Wales
    1. 3.1 Inleiding
    2. 3.2 De enkelvoudige stemming van de harp naar Greenhill
    3. 3.3 Harmonie in cerdd dant
    4. 3.4 Cyweiriau
    5. 3.5 Cyweiriau als tempereringen voor de harp
  4. 4. Het ontstaan van misconcepties inzake de cyweiriau
    1. 4.1 De snaarstemming van de telyn in de oude cerdd dant-bronnen
    2. 4.2 Cyweiriau en het ontstaan van de scordaturatheorie
    3. 4.3 Wederom cyweiriau
    4. 4.4 Interpretaties van diagrammen in het RaH-ms
  5. 5. De stemming van de crwth
  6. 6. Het toonsysteem van de Schotse pipe-muziek
    1. 6.1 De stemming en temperering van de Great Highland Bagpipe (GHB)
    2. 6.2 Modaliteit en tonaliteit
  7. 7. Appendices
    1. 7.1 Appendix A: Ogham
    2. 7.2 Appendix B: Overzicht van de vierentwintig mesurau van cerdd dant
    3. 7.3  Appendix C: Overzicht van de cyweiriau-terminologie
  8. 8. Annotaties en bronnen
    1. 8.1 Voetnoten
    2. 8.2 Geraadpleegde bronnen
  9. 9. Aanvullende informatie
    1. 9.1 Externe links
    2. 9.2 Manuscripten op het internet

1. Inzake oud-Ierse en Welshe muzieknotatie

1.1 Ogham-fantasie

De oudste Keltische geschriften die op de Britse eilanden en Ierland zijn gevonden, dateren op z'n vroegst uit de 3e eeuw. Dit schrift wordt ogham en wordt direct in verband gebracht met de druïdenorde als bewaarder van de mythen en verhalen. De ogham werd aanvankelijk vervaardigd door het in steen te kerven ('ogham-stones'), waarbij de diverse tekens woorden vormen die in het algemeen worden toegeschreven aan het oud-Gaelisch. (Lees verder in Appendix A: Ogham).
William Grattan Flood meldt in zijn A History of Irish Music, naar aanleiding van een artikel van W. Williams in zijn Ogham Readings (Journal R.S.A.; 1857; p. 328), dat bepaalde ogham-inscripties uit de 3e eeuw mogelijk betrekking hebben op muzieknotatie. De 9e-eeuwse 'Bressay Steen' (Shetland, zie: Shetlopedia - The Shetland Encyclopaedia - Bressay Stone) zou daar een voorbeeld van zijn. Williams beweert, dat deze een aantal eigenaardige inscripties blijkt te bevatten, die betrekking zouden hebben op muzikale symbolen, namelijk enkele knopvormige uiteinden aan bepaalde streepfiguren, alsmede het aanwenden van de tekens (con) en (ceod). De onderzoeksresultaten van Williams, die overduidelijk met een flinke dosis aan fantasie tot stand zijn gekomen, worden door Johannes Wolf in zijn Handbuch der Notationskunde II, sterk in twijfel getrokken, alsmede Williams vermeende etymologie voor het woord ogham, o = muziek cum of cam = vorm. Overigens schrijft Flood in dit verband verder, over een zgn. houten 'muzikale staf' zonder knop, dat als hulpmiddel diende voor muziek-studenten en dichters, die hierop hun muziek konden schrijven (d.w.z. 'kerven'):

"The music pupils in pre-Christian Irish schools had their music staves; and O'Curry describes for us the Headless Staves of the Poets, i.e. squared staves, used for walking (or purposes of defence), when closed, and for writing on, when open, in the shape of fans."

Hoewel Wolf dit wel een aanlokkende gedachte vindt, uit hij hierbij eveneens zijn sterke twijfels:

"Das Bild des vorchristlichen irischen Musikschülers mit dem Musikstabe in der Hand, wie es Flood malt, ist verlockend, aber vorläufig noch in phantastisches Dunkel gehüllt."

(Flood, 1905)(Wolf, 1919).

1.2 Oud-Ierse muzikale tekens

Meer duidelijke aanknopingspunten voor wat betreft de oude Ierse muzieknotatie, meldt Wolf (Wolf, 1919) aan de hand van een essay van William Beauford in Joseph Walker's Historical Memoirs of the Irish Bards (Walker, 1786). Deze handelt over een manuscript in het Oud-Iers en gebrekkig Engels, die volgens Beauford uit de tijd van Elizabeth I zou dateren, hoewel hij opmerkt dat de inhoud eigenlijk aan de 'oude Ierse Barden' toegeschreven zou moeten worden. (Klik hier voor een pdf-bestand van dit essay).
De tekens in het manuscript, blijken zowel een gelijkenis met Grieks-Romeinse accentnotatie als een verwantschap met ogham te hebben. (N.B. Het wordt overigens aangenomen, dat dit Grieks-Romeinse accentsschrift model heeft gestaan voor de ecclessiastische neumen-notatie (Zie: Ecclesiastische modaliteit: Notatie: neumenschrift)). We zien een symboliek, waarmee een centrale toon, stijgende en dalende intervallen worden aangeduid, alsmede mensuurtekens (waarmee de relatieve tijdsduur van noten wordt weergegeven).

Wolf vat deze tekens als volgt samen:

De oud-Ierse muzieknotaties. Links, ziet u het beeld volgens Johannes Wolf (1919) en rechts, een uitsnede van Beauford's citaat in het werk van Walker (1786).

1.3 Het Cavanagh-manuscript

In Wolf's Notationkunde wordt eveens een zeer interessante Ierse harptabulatuur besproken, dat op het oog overeenkomsten heeft met de harptabulatuur van het Robert ap Huw- manuscript (zie meer hierover in de volgende paragraaf). Het gaat om een manuscript in het bezit van de Cavanagh-familie, dat volgens William Beauford door een 15e/16e eeuwse monnik voor eigen gebruik is vervaardigd of uit een ander manuscript is overgeschreven. Opvallend is het gebruik van enkele van de bovengenoemde tekens en de merkwaardige overeenkomsten met de symbolen in de Griekse muzieknotatie (Zie: Griekse toonladdertheorieën en modaliteit: notatie). We vinden een meer authentieke tabulatuur terug in Walker's Historical Memoirs of the Irish Bards, alhoewel deze door Walker zelf, als een voorbeeld van een Welshe harpnotatie wordt beschouwd.

De hier beschreven oud-Ierse harptabulatuur, zoals we die tegenkomen in Walker's Historical Memoirs of the Irish Bards, p. 105. Onder de tabulatuur staat een, blijkbaar niet helemaal juiste, transcriptie naar het notenschrift.

De onderstaande afbeelding is eveneens in Notationskunde opgenomen, waarin de symbolen van de tabulatuur naar het huidige notenschrift zijn getranscribeerd:

De vergelijkende toonschaal in Wolf's 'Notationskunde II', p. 294. Deze informatie is overigens niet volledig uit de bovenstaande tabulatuur te herleiden en is verder niet in Walker's ''Historical Memoirs'' opgenomen. Opvallend zijn de strepen en punten die voor de octavering van de tonen zijn aangewend. Dit laatste zien we ook terug in de notatie in het Robert ap Huw manuscript.

Wolf verwijst naar Beauford's essay in Walker's Historical Memoirs', doch de tabulatuur bevindt zich niet in dit essay, maar op pag. 105 van Walker's werk. Noch in Beauford's essay, noch op pag. 105 van Walker vinden we iets terug van de bovengenoemde transcriptie. Whittaker vermoedt dat Wolf's informatie afkomstig is uit een andere bron: Fétis, F-J; Histoire Generale de la Musique, IV, 1869-1876; p. 390f (Wolf, 1919)(Whittaker, 1974)(Walker, 1786)

Het volgende citaat is van Beauford in Walker's Historical Memoirs:

"This is evidently set for the Cruit (or Psaltery, as the name imports), and appears to be psalm tune. The characters in which it is written, are the Latin or Etruscan of the middle ages, found at this day on a number of sepulchral monuments in Britain and Ireland; and were used in this island in the 16th century, as appears from a variety of inscriptions on tombs, &c. The musical notation therefore before us, can probably claim no higher antiquity than the 15th or 16th centuries, and might, perhaps, be a species of nation used by some Monk in his private hymns. Nor doth the Welsh notation given by Dr. Burney [dit is een verwijzing naar zogenaamde Robert ap Huw-manuscript, die hierna wordt besproken? (BGD)] to be older; and neither of them are the aboriganal characters of the Bards."

Walker bestrijdt Beauford“s datering van het manuscript en gaat uit van een vroegere periode, dat blijkbaar door Dr. Burney wordt gesteund. (Walker, 1786).

1.4 Gefantaseerde 'bardische tekens'

Het Robert ap Huw-manuscript (Lbl Addl MS 14905) (meer hierover op deze pagina: toonsysteem en instrumentstemming van de cerdd dant) wordt besproken in een artikel met de titel Musical Notation, van John Thomas in Myvyrian Archaiology of Wales (Thomas, 1870). Hierin werd gemeld, dat het manuscript bij Dr. Burney, Owen Pughe, Edward Jones (Bardd y Brenin) en John Parry (Bardd Alaw), bekend was.
De laatste ('Bardd Alaw') (1776-1851) was een gevierd 18e eeuws Welsh musicus, componist, dirigent, verzamelaar van Welshe muziek en auteur. Hij schreef in de inleiding van zijn boek The Welsh Harper (I, 1839) het volgende:

"The most ancient specimen of Welsh musical notation now extant, is in the library of the Welsh School, which was established in 1714. The whole of this specimen was published in the Archaiology of Wales, a most valuable work, in three volumes, printed by the patriotic Owen Jones (Myvyr), at an expense of £2,000. The notation occupies about seventy pages of the third volume, of which the following facsimile will give an idea [Vide the Musical World, No. 31, vol. ni.]:

"The characters used are those of the ancient Bardic Alphabet; and it is very evident that chords were struck, for three or four letters are placed perpendiculary on above another. The history of the above runs thus: This M.S. purports to have been described by Robert ab Huw, of Bodwigan, in Anglesey, in the reign of Charles I, from a M.S. of William Penllyn, a celibrated minstrel of the preceding century." (Thomas, 1870)

De afbeelding uit het citaat, toont het resultaat van een archaïsch beeld, met bardische tekens. We herkennen hierin zonder al te veel moeite een transcriptie van een fragment uit het Robert ap Huw-manuscript, n.l in de compositie met de titel Caniad Pibau Morfyd :

Een fragment uit het Robert ap Huw manuscript (Lbl Addl MS 14905, pagina 92, rij 3, kolom 13-23 en rij 4, kolom 1-6), dat onmiskenbare overeenkomsten heeft met de afbeelding in John Parry's 'The Welsh Harper'.

Portret van John Parry (Bardd Alaw), gepubliceerd in 'The Welsh Harper' (1839).
Bron: Digital collection of the National Library of Wales.
Het is bekend, dat John Parry het betreffende fragment voor zijn 'The Welsh Harper', heeft overgeschreven, waarbij hij de feitelijke letterwaarden voor de noten, uit het ap Huw-manuscript, naar eigen fantasie, heeft vervalst naar een schrift met een 'Grieks' uiterlijk. Blijkbaar deed hij dit, om de oude bardische muziektabulatuur, op deze wijze een esoterisch of archaïsch uiterlijk te geven (deze kennis kreeg ik, na mededeling van de Welshe musicoloog en musicus Peter Greenhill. Mijn dank hiervoor [BGD]).
Let wel.

2. De harp in Ierland, naar Edward Bunting

Lees eerst: Harptraditie: De 'Revival' van de harp in Ierland

2.1 De rol van Edward Bunting

Edward Bunting (1773-1843) een 19-jarige kerkorganist, was als muzieknotulist betrokken bij het beroemde Belfast Harp Festival in 1792. Bewust van de dreigende teloorgang van de muziek en speeltechniek van de cláirseach (Gaelische harp), heeft hij de muziek, de traditionele speeltechnieken en oude kennis op schrift vastgelegd, zodat dit alles niet verloren zou gaan voor de volgende generaties.
Edward Bunting publiceerde drie collecties, in de vorm van pianobewerkingen, in 1796 (pdf), 1809 (pdf) en 1840 (pdf) (bron pdf: IMSLP/Petrucci Music Library). Dat zijn werk voor muziekhistorici van enorm belang is geworden, is evident. De meeste 'antieke' kennis met betrekking tot de Ierse, c.q. Schotse Gaelische harp is hierin vastgelegd. De collecties bevatten, naast muziek uit de 17e en 18e eeuw, waaronder composities van Turlough O'Carolan, eveneens een aantal anonieme werken, die Bunting zelf classificeerde als 'very ancient'. De vraag is wel van, hoe oud is erg oud? Deze speculatieve kwalificatie, van de ongedateerde werken en zonder muziekhistorisch bewijs, werden op deze melodieën betrokken, waarvan zelfs werd beweerd dat een deel afkomstig zou zijn uit de tijd van legendarische bard Ossianus.

Naar boven

2.2 Snaarstemmingen van de harp en modaliteit

Bunting omschrijft de stemmingen in de vorm van drie kerntoonsoorten in majeur:

Verder meldt Bunting het gebruik van mineur-toonsoorten:

"..the harpers also made use of two ancient minor keys, (neither of them perfect according to the modern scale).."

Hij bedoelt hiermee de parallele (authentieke) mineurtoonsoorten van G- en C-majeur, resp. e- en a-mineur.

Hoewel Bunting the term 'key' gebruikt, hetgeen valt te vertalen als toonsoort, heeft het voorgaande feitelijk betrekking op de stemming van de harp, van waaruit meerdere toonsoorten kunnen worden aangewend. Bunting geeft vanuit de standaardstemming, twee chromatische bijstellingen, namelijk een verlaging: F# → F en een verhoging: C → C#. Voor de standaardstemming van de harp geldt dus dat, naast de toon F#, alle tonen naturel naturel zijn. (Bunting, 1840)

Naar boven

Modaliteit

Naast de hierboven genoemde majeur ("perfect in their diatonic intervals") en authentieke mineurtoonsoorten ("imperfect according the modern scale"), worden in het werk van Bunting, eveneens modale tonaliteiten erkend, dus naast ionisch (majeur) en eolisch (authentiek mineur), de dorische en mixolydische tonaliteit. Bunting beschrijft in zijn inleiding van The Ancient Music of Ireland (1840) eveneens de pentatonische (daarmee feitelijk ook een hexatonische) modus als een soms voorkomende, doch karakteristieke eigenschap van de oude Ierse muziek.

Over het gebruik van "d-natural minor" merkt Bunting op:

"..They sometimes made use of D natural minor, which was still more imperfect..".

Zoals gezegd geeft Bunting slechts drie voortekeningen: naturel, 1 kruis (F#), 2 kruizen (F# en C#), zodat 'D natural minor' betrekking moet hebben op de naturel-dorische modus op D (bij D-authentiek mineur wordt een verlaging B♭ aangewend). Gezien de standaard harpstemming in G-majeur (Leath Glass) staat, zou dus een omstemming van Fis naar F moeten hebben plaatsgevonden. Bunting zegt hierover:

"..and the sharp F's, through the instrument being previously lowered a semitone, the key was than called 'Teadleaguidhe', the falling string, or high bass key..".

Naast eerdere vermeldingen van een pentatonische(/hexatonische) modus ("defective in the fourth and seventh"), schrijft Bunting nog het volgende, terwijl met "flat seventh" duidelijk de mixolydische modus wordt bedoeld:

"..There are many hundred genuine Irish airs, some of them defective in the fourth and seventh, some supplying the place of the latter by a flat seventh, and others, again, perfect in all their diatonic intervals......"

De volgende modaliteiten kunnen in Bunting's werk dus worden geresumeerd:

Modus/toonsoortGrondtoonNaam van de harpstemmingOpmerkingen van Bunting.
Ionisch(Majeur)CFuigheall-beag
Teadleaguidhe
Perfect in the diatonic intervals. Supposed to be high bass, or flat key (=F)...the sharp F's, through the instrument being previously lowered a semitone.
Ionisch(Majeur)GLeath GlassPerfect in the diatonic intervals. The proper key of the harp.
Ionisch(Majeur)GUan-fuigheallOne sharp, another name for the key of G.
Ionisch(Majeur)DFuigheall-morFormed by raising C-natural to C sharp. Seldom used.
Eolisch(Authentiek mineur)AFuigheall-beag
Teadleaguidhe
A-natural. Neither of them perfect according the modern scale. Supposed to be high bass, or flat key (=F).
Eolisch(Authentiek mineur)ELeath GlassE-one sharp. Neither of them perfect according the modern scale.
DorischDFuigheall-beag
Teadleaguidhe
D-natural minor: still more imperfect. Supposed to be high bass, or flat key (=F).
MixolydischGFuigheall-beag
Teadleaguidhe
Supplying a flat seventh. Supposed to be high bass, or flat key (=F).
Pentatonisch -4-7 (π1)G Omission of fourth and seventh tones. Defective in fourth and seventh.

De namen van de harpsnaren

Bunting geeft een vijftiental snaren van de harp aan, die een specifieke naam hebben:

CCronan ioctar-chanus (Lowest note)
ETead leacthea (Fallen string)
FTead leagaidh (Falling string)
GCronan (Drone bass)
dFreagrach tead na feitheolach (Response to the leading sinews)
gCaomhluighe (Lying together, the sisters)
aGuaille caomhluighe (Servant to the sister)
bAn dara tead os cionn caomluighe (Second string over the sisters)
c1 An treas tead oc cionn caomhluighe (Third string over the sisters)
d1 Tead na feitheolach (String over the leading sinews, string of melody)
e1 Guaille tead na feitheolach (Servant to the leading sinews)
f#1 Tead a'leithghleas (String of the half note)
g1 Dofhreagrach caomhluighe (Answering)
d3 Uachtar-chanus (Hoogste noot)

Klik hier voor een vergroting

Naar boven

3. Het toonsysteem en de instrumentstemming voor de middeleeuwse snaarmuziek van Wales

Veel gedetailleerder en meer uitgewerkte informatie over dit onderwerp vind u in het hoofdstuk: Vormen, technieken en idioom:
Cerdd dant: Deel 1, Cerdd dant: Deel 2 en Cerdd dant: Deel 3

3.1 Inleiding

De algemeen aanvaardde vertaling die men voor de oud-Welshe term cerdd dant toepast is 'kunst der snaren'. In het Engels spreekt men dan van 'craft of the strings'. In letterlijk zin valt het te vertalen als 'snaarmuziek'. Het betreft hier een kenmerkende inheemse seculaire muziektraditie van Wales, die zich volledig onafhankelijk van continentale invloeden heeft ontwikkeld. Geheel met een eigen kenmerkend harmonisch systeem van akkoorden, lang voordat de akkoordenharmonie in het continentale Europa zijn opwachting maakte. Peter Crossley-Holland gebruikte in dit verband de term, die het dichtst bij dit harmonisch systeem benaderde, maar de lading niet helemaal dekt: 'secular homophony' (Crossley-Holland, 1942).

Het beeld van het Robert ap Huw manuscript (RaH-MS)

De belangrijkste bron met betrekking tot de muzieknotatie van cerdd dant zijn de harptabulaturen van het Robert ap Huw manuscript, dat tot op heden nog steeds een belangrijke bron van studie is.
[Het manuscript is in zijn geheel te downloaden op de website: Lindahl, G.; SCA Medieval and Renaissance Music].
Tijdens de laatste decennia van de vorige eeuw, is door verschillende specialisten research gepleegd, waaronder Paul Whittaker, Peter Crossley-Holland en Peter Greenhill. [Zie ook Bangor Universteit van Wales en het 'Centre for Advanced Welsh Music Studies'].

De onderstaande afbeelding geeft een indruk van het beeld in het Robert ap Huw manuscript. Hier wordt de zgn. odoniaanse nootwaarde toegepast, dat is de 11e-eeuwse notatie van muzieknoten door middel van lettersymbolen. In de tabulatuur zelf, zijn géén accidenties, zoals kruizen of mollen, aanwezig. Onder de horizontale lijn van de tabulatuur staat een vorm van de metrische akkoordenprogressie van cyweirdant en tyniad volgens één van '24 metra van de cerdd dant'. Zie ook de paragraaf: Harmonie in de muziek van het RaH-MS. Boven de horizontale lijn is de figurerende melodielijn genoteerd, die de onderste akkoorden met elkaar verbindt. De muziekstukken bestaan uit verschillende secties, waarbij een vertikale golvende lijn het einde van zo'n sectie aangeeft. De zogenaamde caniadau zijn in het algemeen opgebouwd uit een cainc of kaingk = 'tak', 'melodie' (Eng.: 'strain'), die wordt afgesloten door een diwedd = 'afsluiting in de vorm van een soor refrein') aan.

Een typisch fragment van de harptabulatuur uit het Robert ap Huw manuscript p. 36. Caniad y gwynn bibyd.
De odoniaanse notatie in het handschrift van Robert ap Huw. De basis van het octaaf is de toon G, dit in tegenstelling met de hedendaagse aanduiding, alwaar de C als grondtoon voor het octaaf wordt toegepast. Door middel van o.a. horizontale strepen en punten, worden de noten van de verschillende octaven van elkaar onderscheiden.

Naar boven

3.2 De enkelvoudige stemming van de harp naar Greenhill

De tekst van het RaH-MS bevat in het totaal 24 symbolen voor de snaren van de harp (telyn). In tegenstelling tot verouderde, maar nog steeds hardnekkige omstemmingstheorieë, waarin men binnen het manuscript een steeds wisselende scordatura voor de diverse muziekstukken oppert, stellen deze symbolen volgens het model van Greenhill juist een eenduidige notenbeeld voor, die niet veranderd hoeft te worden. De laagste toon E ontbreekt, hetgeen herkenning oproept met Bunting's stemming voor de Ierse harp in het geval van de stemming Tead leaguidh-stemming (stemming met de 'vallende snaar', waarin de E naar F wordt gestemd). Dat volgens Greenhill de diverse omstemming- of scordaturamodellen verworpen kunnen worden, is het gevolg van de reeds aanwezige consistentie in de bestaande notatie, de muzikale samenhang en de detail in het complete muzikale beeld van het RaH-MS, zoals dat na jarenlange studie en spelen van de muziek is gebleken. Hoe de misconcepties met betrekking tot de scordaturatheorieë van de harp in Wales zijn ontstaan, wordt nog verderop besproken in de paragrafen 3.4 en 4.

De stemming volgens het onderstaande schema blijkt in muzikaal opzicht, volledig te voldoen, zodat de complexiteit die vanwege de verschillende omstemmingsmodellen volledig is verdwenen. De letters stellen dus niet de fysieke aanduiding van de snaren voor, zoals menig auteur suggereerde, maar de namen van de werkelijke tonen die op de harp worden geproduceerd. Er blijkt echter één restrictie noodzakelijk, namelijk dat het symbool voor b, een b-rotundum voorstelt, waarmee de b-molle of de toon bes, b wordt bedoeld.

Het laatste blijkt gemakkelijk in te zien als men er vanuit gaat, dat de smaak van samenklank ten tijde van cerdd dant grotendeels overeenkomt met de heersende muzikale opvattingen met betrekking tot consonantie en dissonnantie in de kunstmuziek van het Europese vasteland. Men hanteerde, vanuit de Guidoneaanse hexachordiek één soort chromatische verbuiging, n.l. de verlaging van b naar b. Feitelijk was de toon b niet louter een afgeleide van de toon b, maar een volkomen gelijkwaardige toon. Dat de b in cerdd dant boven b-naturel in gebruik was, blijkt uit het feit dat men zijn best heeft gedaan om de tritonus (diabolus in musica, d.w.z. overmatige kwart of verminderde kwint) in de tabulatuur te vermijden. Uit Greenhill's analyse blijkt, dat van de harmonische intervallen G-C, A-D, 'B'-E, C-F, D-G, E-A en F-'B', inderdaad één consequent wordt vermeden, n.l 'B'-E. Als men op deze plaats een tritonus aanvoelde, dan kan dit alleen de overmatige kwart B♭-E zijn geweest.
Alle andere kwarten komen in vrijwel gelijke mate in het RaH-ms voor. Het interval E-A is minder gewoon. De E kan als een zwakke noot worden beschouwd en wordt in tegenstelling met de andere tonen nooit als drone (bourdontoon) gebuikt. In de aanwezige hexatonische en pentatonische muziek werd het 'B'- en E-symbool verzwegen, met een voorkeur om de E te laten vallen. Ter ondersteuning van de aanwezigheid van B♭ en de uitsluiting van de tritonus, is het feit dat in het manuscript eveneens, sytematisch harmonische kleine secunden in akkoorden worden gemeden. Van de secunden G-A, A-'B', C-D, D-E, E-F en F-G worden de grote secunden G-A, C-D en F-G algemeen toegepast, hoewel D-E wordt gemeden. De volgende intervallen worden altijd gemeden: A-'B', 'B'-C en E-F, met de kleine secunden A-'B' en E-F. (Greenhill, 2000)

Naar boven

Modaliteit in de muziek van het RaH-MS

In zijn essay 'Tunings', geeft Greenhill een analyse inzake de modaliteit en tonaliteit van de stukken in het RaH-MS. Deze is gebaseerd op de bovenpartij van de tabulatuur. Deze passages worden afgesloten met een 'oplossende toon' (finalis) of cyweirdant. Greenhill heeft daarmee vastgesteld, dat de meeste composities in het RaH-MS binnen bepaalde gedefinieerde modi zijn gecomponeerd. Eveneens komen er enkele stukken voor, waarin een verschuiving in modaliteiten plaatsvindt ('modal shift'). Alhoewel cerdd dant een inheemse muzieksoort was, met unieke harmonische kenmerken, blijkt de melodische modaliteit van de stukken niet afwijkend te zijn ten opzichte van deze van het Europese vasteland uit die tijd.
De meest voorkomende finalis is C, gevolgd door G, die resp. op een mixolydische en dorische modus duidt. Hoewel de ionische en eolische modi minder gangbaar zijn (resp. F en D), komen ze toch voor. Met betrekking tot de diversiteit aan toonladders, kan gezegd worden dat het merendeel aan stukken diatonisch is, dat wil zeggen heptatonische toonladders met hele en halve toonafstanden. Er komt eveneens een aanzienlijk aantal stukken voor, waarvan de toonladders gapingen hebben, dat wil zeggen dat er zowel pentatonische als hexatonische toonreeksen worden toegepast. Eveneens is het niet ongewoon dat er drones (bourdontonen) worden aangewend.

3.3 Harmonie in cerdd dant

De harmonie in cerdd dant is een vroege inheemse vorm van harmonie, dat zich vanuit een geografisch geïsoleerde positie heeft kunnen ontwikkelen. Het opvallende hierin is dat het geen connecties heeft met de conventionele tonica-dominant-harmonie. Het is enigzins vergelijkbaar met een homofone vorm als compositietechniek, maar daar houdt het dan ook wel mee op.
Het systeem wordt gevormd door middel van een, min of meer, alternerende opeenvolging van twee discrete contrasterende harmonieën. Deze akkoordenopeenvolging, heeft daarnaast ook nog eens een metrische functie en wordt aangeduid met het Welshe woord mesur (meervoud: mesurau, vergelijk het Engelse woord: 'measure'). De twee contrasterende harmonieën hebben een eigen natuur en worden cyweirdant (symbool: 1) en tyniad (symbool: 0) genoemd. Beide akkoorden vormen feitelijk twee groepen die elkaar functioneel aanvullen. De cyweirdant neemt meestal de vorm aan van een drieklank, die is gebaseerd op het tonale centrum van een muziekstuk, doch beide harmonieën kunnen evenwel toegevoegde dissonante tonen bevatten en zelfs elkaars plaats innemen.
Laten we deze functionaliteit eens met eenvoudige voorbeelden toelichten (de meeste stukken zijn in dit opzicht complexer). Deze vinden we o.a. in de oefeningen uit de zogenaamde clymau cytgerdd-sectie van het RaH-ms.
Het betreft de eerste oefening in het mesur 'mak y mwn hir' 1111.0000.1010.1111.0000.1011:

De eerste zin (cainc 1) en de bijbehorende transcriptie luidt:

midi
Een korte passage uit het RaH-MS op pagina 23. Een handige aanduiding is: 23.1-2.1-52, d.i. pagina 23, regel 1-2, kolom 1-52. Dit betreft cainc 1 van de eerste oefening uit de William Penllyn-sectie, de Clymau Cytgerdd (pag. 23-34). De transcriptie (niet helemaal corrrect, maar als illustratie geschikt) is gebaseerd op (Whittaker, 1974). Klik hier voor vergrotingen van de afbeeldingen: facsimile of transcriptie. Voor een midi-uitvoering, klik dan rechts in de tabel.

Het metrum 'mak y mwn hir' is één van de zogenaamde 24 toegelaten mesurau ('pedwar mesur ar hugain cerdd dant', 'twenty-four measures') van cerdd dant. Deze en overige mesurau, zoals ze in het RaH-ms zijn opgegeschreven, vindt u onderaan deze pagina, in appendix B.

Een tweede eenvoudige voorbeeld waarin de contrasten tussen cyweirdant en tyniad goed hoorbaar zijn is cainc 1 van Caniad y Gwyn Bibydd ('Song of the White Piper', pag. 36-37). Metrum: 'tytyr bach' 00110011:

midi
Een korte passage uit het RaH-MS, cainc 1 van Caniad y Gwyn Bibydd (p.36-37). Aanduiding: 36.1.1-15. De transcriptie (niet helemaal correct, maar ter illustratie geschikt), is gebaseerd op (Whittaker, 1974)). Klik hier voor vergrotingen van de afbeeldingen: facsimile of transcriptie. Voor een midi-uitvoering, klik dan rechts in de tabel.

Met betrekking tot de afwisseling van de harmonische niveau's in cerdd dant, refereert men naar het zgn. 'double tonic'-principe, een compositietechniek die men vooral in de oude muziek van Britse eilanden tegenkomt. Dit harmonisch en melodisch principe ontstaat door een niveau-afwisseling tussen akkoorden en/of melodische frasen, die in grote lijnen, onderling een secunde van elkaar verschillen. Naast dat het zowel vroeger als tegenwoordig in de Ierse en Schotse muziek veelvuldig werd en wordt aangewend, is het double-tonic principe eveneens herkenbaar in veel oude Engelse hornpipes van Lancashire, Chesire en Northumberland.
Even over de term 'double tonic' zelf. Deze werd voor het eerst gemeld en gedefinieerd*) door de Schotse musicoloog en piper, Francis Collinson (Collinson, 1966), met betrekking tot de Schotse pipe-muziek.

(*)Pas op voor de onjuiste definitie op Wikipedia, alwaar ook andere intervallen dan de secunde voor de double tonic worden gesuggereerd).

Whittaker verwijst derhalve naar de z.g.n. 'Wechselklank' die reeds in een 13e eeuws traktaat is beschreven als een belangrijk Engels principe voor opeenvolging van klanken. Verder merkt Whittaker op, dat in de 14e en 15e eeuw, dit soort afwisselende patronen wel vaker voorkwamen, zowel op de Britse eilanden als op het continent.
De Schotse musicoloog en musicus, Barnaby Brown, refereert eveneens naar de afwisseling van een 'melodisch centrum' in de traditionele muziek van geïsoleerde gebieden, waaronder het Griekse eiland Karpathos en die van het Italiaanse eiland Sardinië ('a tenores'-zang). Eveneens maakt hij een vergelijking, niet louter met de Welshe contrasterende cyweirdant/tyniad afwisseling ('binary measures'), maar eveneens met de afwisselende frasen, die ten opzichte van de drones van de pipes, optreden. Dit doet zich zowel voor bij de Schotse lichte pipemuziek (ceòl beag), als de meer geavanceerde kunstmuziek voor de Schotse Highland Bagpipe, de piobaireachd (ceòl mòr). Doch Brown heeft moeite met de term 'double tonic', juist omdat met name de grondtoon (drones) niet veranderd. Termen zoals 'licht' en 'schaduw' zijn volgens hem meer op z'n plaats. Bij het optreden van de contrastrerende harmonieën, vormt de ene frase samen met de drones, de 'licht'-harmonie, terwijl de andere een dissonante 'schaduwrol' vervult. (Whittaker, 1974)(Brown, 2007)(Brown, 2009).

Naar boven

3.4 Cyweiriau

Eén van de onderwerpen die sinds lang ter discussie staat, is de interpretatie van de betekenis van de z.g.n. cyweiriau (enkelvoud: cywair). Een term die uiteindelijk tot de scordaturatheorieë voor de harp heeft geleid en zeker ruim 200 jaar lang, ook nu nog door sommigen, hardnekkig stand heeft gehouden. De misconcepties die hieraan ten grondslag liggen worden hierna nog besproken. Men moet zich daarbij realiseren dat mede vanwege de eeuwenoude traditie van de mondelinge doorgifte van kennis en vaardigheden, de werkelijke betekenis van cywair niet eenvoudigweg uit de oude literatuur valt af te leiden.
Het is daarom wel begrijpelijk dat de term cywair gedurende de laatste tweehonderd jaar beschouwd werd als een concrete snaarstemming voor de harp (telyn), modus of toonsoort. In de middeleeuwse eisteddfod-traditie, bestaat de restrictie van de zgn. vijf rechtmatige, gewaarborgde cyweiriau van cerdd dant ("y pum cywair safedig a gwarantedig", AB Peniarth MS 155, p. 79-83, ca. 1561. (Harper, 2007)), die zowel betrekking hebben op de harp als de crwth. In het RaH-ms, waarin de tabulatuur specifiek voor de harp is bedoeld, worden drie hiervan in de naam van muziekstukken genoemd en de twee andere op de toelichtingspagina's (p. 108/109) van het manuscript:

Naam cywairBetekenis
Is gywair*Is: onder, laagste
Cras gywair**Cras: wrang, hard, droog, krassend
Lleddf gywair**Lleddf: zacht, kalm, teder en vredig
Go gywair*Go: wat, ongeveer
Bragod gywair*Een metafoor voor bitter-zoete harmonie, betrekking hebbend op het Engelse braggat, een drankje
dat door de ouden werd gemaakt uit een gefermenteerd mengsel
van de wort van bier en honing met een bitterzoete smaak.
(*)In het RaH-MS vermeld in connectie met bepaalde muziekstukken;
(**)Vermeld op de toelichtingspagina's p. 108/109 van het RaH-MS.
(Whittaker, 1974)(Greenhill, 2000)

Verder wordt in het RaH-ms met betrekking tot muziekstukken de termen Uwch gywair (Uwch: onderste) en Tro Tant ('gedraaide snaar') genoemd. Verder ziet men op pagina 108/109 van het manuscript een scala aan termen: Cywair ynghywair y wrach, Cywair Ithel, Cywair gwyddelig dieithr, Cywair chwith (diethr), Cywair ynghywair Edwart, Cywair yr Athro Fedd en Cywari dau hanner. In het Hafod 3-manuscript van Robert Peilin wordt melding gemaakt van de termen Dylod gywair, Eglur gywair en Breiniol gywair (Whittaker, 1974). Zie ook Appendix C: Overzicht van de cyweiriau-terminologie

Het woord cywair treft men eveens aan in cyweirdant (=cywair-dant, 'dant', 'tant' = snaar), een term dat o.a. werd gebruikt om verschillende snaarnamen aan te duiden (hetgeen hierna nog wordt besproken). Dit was een reden om met cywair de toonhoogten van de individuele snaren van de harp aan te duiden en als zodanig in termen van toonsoort of modus aan te wenden. Tegenwoordig betekent cywair inderdaad toonsoort (vergelijkbaar met het Engelse 'key'). Deze, als vaststaand feit geaccepteerde betekenis voor de harp, impliceerde feitelijk dat er voortdurend bij het spelen van verschillende muziekstukken, de snaren van dit diatonische instrument moesten worden omgestemd. In dit gedachtemodel ging men in principe zo ver, dat men de letternotatie in het RaH-MS, opvatte als verzameling benamingen van snaren en niet van reëele toonhoogten. Met andere woorden, de diverse auteurs hielden het erbij, dat omgestemde snaren niet explicitiet in het RaH-MS werden aangegeven.

Naar boven

3.5 Cyweiriau als tempereringen voor de harp

Na een uitgebreide analysestudie van het toonmateriaal in het RaH-MS, en uitgaande van één vastgestelde stemming van de harp, stelt Peter Greenhill vast, dat het overtuigender is om, ondanks dat er nog enkele onbeantwoorde vragen zijn, de term cywair ondermeer als een aanduiding voor intonatie te beschouwen, dus geen scordatura of omstemming van de harp. In ieder geval blijkt uit deze in deze theorie, dat:

De identificatie vindt plaats op basis van de 'ongetempereerde' pythagoreïsche stemming, de welbekende de 1/3- en 1/4-komma middentoonstemming en zes afwijkende tempereringen, die door Greenhill als volgt met nummers 1 tot en met 6 zijn aangemerkt:

Naam van de middentoonstemming Toonreeks in cents (noot 2)
CDEFGAC
1/4-middentoonstemming019338650369789010071200
1/3-middentoonstemming019037950569588410101200
ongetempereerd (pythagoreïsch)0 204 408 498 702 906 996 1200

Nummer Temperering in cents (noot 2) Temperering symbolisch Uitgesloten kwinten
1 01823864987028849961200 D-E- A- G-D
2 020438652070288410181200 E-F+ A-+ D-A; F-C
3 020438652070290610181200 E-F+ + F-C; A-E
4 018238649870288410181200 D-E- A-+ G-D; -F
5 020438649870288410181200 E- A-+ D-A; -F
6 01823864986818849961200 D-E- G-A- C-G
Vergelijk hiermee de ongetempereerde pythagoreïsche toonladder:
02044084987029069961200

Resumerend komt Greenhill in zijn betoog tot de conclusie dat (Greenhill, 2000):

Voor meer details en verklaringen verwijs ik naar het hoofdstuk Vormen en technieken: Cerdd dant. Deel 2. Het Robert-ap-Huw-manuscript: de stemming, temperering en speeltechniek: sectie 3. Stemming en intonatie

Naar boven

4. Het ontstaan van misconcepties inzake de cyweiriau

4.1 De snaarstemming van de telyn in de oude cerdd dant-bronnen

De schaarse literatuur over dit onderwerp is op tweeledige manier te onderscheiden, n.l. bronnen van inheemse Welshe oorsprong en bronnen die de continentaal Europese middeleeuwse muziekleer als basis hebben. Greenhill noemt deze bronnen resp. regionaal en kosmopolitisch.
De regionale geschriften staan voornamelijk in het Welsh en soms in het Latijn. De meeste bronnen kunnen echter als kosmopolitisch worden beschouwd, waarin Latijn, of het Engels, als voertaal is gebruikt. De moeilijk begrijpbare Welshe geschriften kunnen het best worden benaderd worden vanuit deze Latijnse geschriften, waarin de theorie van de cantus planus*) (Engels: plain chant), wordt beschreven, waarin bepaalde raakvlakken met cerdd dant zijn aangetroffen.
[*)De Engelse term 'plain chant' of het Latijnse 'cantus planus' laat zich moeilijk in het Nederlands te vertalen, men spreekt dan van eenstemmige kerkgezang, dat beter bekend staat onder de verzamelnaam, Gregoriaanse zang)].

De Latijnse geschriften geven bijvoorbeeld de toonschaal volgens Guido van Arezzo's hexachordaal systeem, waarin zowel de b-quadratum als de b-rotundum worden aangetroffen. (De verwijzing naar het volgende artikel is waardevol: Laat-Romeinse en middeleeuwse theorieën: Toonsystemen van de 11e eeuw: Pseudo-Odo, Guido van Arezzo en Musica ficta. Ondanks dat cerdd dant een regionale muziektraditie is, geeft de kennis, die betrekking heeft op de middeleeuwse muzikale hoofdstroming van het contintentale Europa, een aantal nuttige aanknopingspunten. Het vormt echter niet automatisch de basis voor het toonsysteem van oorspronkelijk veel oudere, of zelfs archaïsche, cerdd dant-traditie. Vaak gebruikte men de theorie en terminologie van de ecclesiatische cantus planus en die van cerdd dant en de eisteddfod-traditie door elkaar, dat voor menig onderzoeker en auteur voor veel verwarring zorgde.

Zoals in het volgende blijkt, werd naast de odoniaanse nootwaarden (in combinatie met octaafaanduidingen door middel van strepen en punten), zoals die in het RaH-MS is aangewend, specifieke eigennamen aan snaren toegekend. Dit was het geval voor zowel de telyn als de crwth. Enkele gegevens inzake de snaarstemmingen van de harp vinden we in:

*)Cardiff, Public Libraries
**)Aberystwyth, National Library of Wales

Hafod 24 (p. 810)

'Kyweiro y gogowair ar y delyn'. Beschrijft de stemming van de tweede snaar boven de y cyweirdant (= 'cywair-dant'), die als y gogywair is aangemerkt. De laatste term is opvallend genoeg, de naam van één der 'vijf gevestigde' cyweiriau (waarmee men een connectie tussen 'cywair' en snaarstemming meende te herkennen). De snaar met de naam y cyweirdant blijkt een verwijzing te zijn naar de vergelijkings-snaar voor het stemmen (Engels: setting string, Gwyllym Puw: 'sette string' ), namelijk de laagste toon van de gamut van de harp. Op basis hiervan is het aannemelijk dat y cyweirdant de toon G is, als we een vergelijking mogen maken met laagste toon van het octaaf in het RaH-MS. Het eerste hexachord van d'Arezzo begint eveneens met een G als laagste toon (Γ), met als derde toon B♭ (b-rotundum). Mede op basis hiervan ligt het volgens Greenhill voor de hand dat deze stemming feitelijk betrekking heeft op een verlaagde tweede snaar boven y cyweirdant, namelijk de B♭.

Het volgende moet duidelijk in ogenschouw worden genomen, namelijk het feit dat gogywair één van de vijf rechtmatige cyweiriau is, die door verschillende auteurs werd gezien als bewijs, dat de andere cyweiriau eveneens specifieke stemmingen voor de harp waren. Greenhill interpreteert dit echter als volgt: de term gogywair is hier gebruikt om de noten voor een kleine terts aan te duiden (G - B♭), hetgeen met de juiste stemming van de harp overeenkomt. Greenhill beargumenteert in zijn essay, dat het overigens niet is uitgesloten, dat deze kleine terts-tonen ook op de andere cyweiriau toepasbaar waren. De tekst van Hafod 24 zegt namelijk niets over eventuele afwijkende intervallen, die op andere cyweiriau toepasbaar zouden zijn.(Greenhill, 2000)

Hafod 3 (p. 135-138)

Dit betreft een uitgebreide stamboom voor 'Robeart peilin telynior' aan het einde van Peilins muzikaal Jossffüs-essay: 'Llyma Jach Robeart Pelin gwas y Breinin - Iago I' ('De stamboom van Robert Peilin, dienaar van de koning - James I'). Peter Greenhill refereert naar diverse bronnen waaruit blijkt dat Robert Peilin, ondanks zijn titel 'pencerdd' ('meester musicus/dichter'), geen uitvoerder was, en blijkbaar geen specifieke kennis had van het traditionele repertoire van cerdd dant. Ondanks dit gegeven, gebruikte hij wel de typische termen, die aan de kern van de cerdd dant zijn gelieerd. Peilin meldt in een essay, dat hoofdzakelijk de theorie van de cantus planus en de gamut (musica ficta) behandelt, resulterend in een chromatische verlaging en verhoging van resp. de B en de F-snaar. Voor zeven snaren van de harp, wordt als een ezelsbruggetje van namen de tonen binnen het octaaf benoemd (de verwijzingen naar de toon staan vet en onderlijnd):

gowirdant G
a chrassdantdroog krassendA
ragodantgebruik makend van het herstellingsteken ♮ (b-quadratum) voor bB-naturel
ne breiniol gowirdantbevrijdB♭
C gywirdant C
dylordant?somberD
eglurdanthelderE
ffwythlleddfdantvruchtbaar zachtF
ne breiniol ddyrchafaeldntbevrijd en verhoogdFis

De terminologie van de cerdd dant-traditie vinden we in een aantal namen terug, hoewel gekoppeld vanuit verschillende invalshoeken. Zo zijn cras en bragod termen de gelieerd zijn aan cyweiriau. Gowirdant en C gywirdant zijn samentrekkingen van de letternotatie van de betreffende toon en het woord cyweirdant. Het woord breiniol, heeft betrekking op chromatische inflecties, n.l. een verlaging (B naar B♭), en een verhoging (F naar Fis). De namen dylordant, eglurdant en ffrwthleddfdant, zijn blijkbaar expliciete, als ezelsbruggetje bedoelde namen, om de tonen te onthouden en zijn mogelijk door Peilin zelf uitgevonden (Greenhill, 2000).

Het mag duidelijk zijn dat de benaming gowirdant (samentrekking van G-cyweirdant) en C gywirdant een manier is om beide snaren te benadrukken, daar zij blijkbaar een belangrijke rol spelen bij het vormen van toonladders.

Panton 56

Een ander vergelijkbaar voorbeeld voor het gebruik van cyweirdant komen we tegen in dit manuscript. Het materiaal van dit 18e eeuwse manuscript is onttrokken van materiaal dat veel ouder is. Met betrekking tot de begintonen G, C en F voor de afzonderlijke Guidoniaanse hexachorden wordt de uitdrukking cyweirdannau cryfion (akkoorden met deze begintonen als basis) gebruikt. In dit verband worden eveneens drie stemvoeringen met verschillende toonbereik onderscheiden, namelijk met de termen mên, trebl en byrdwn (cwadrebl) (midden, hoog en bourdon). Vijf van de zeven hexachorden begint met de G of C, waarmee de auteur blijkbaar de termen gowirdant en C gywirdant in Hafod 3 wilde benadrukken.

De verlaging van de B naar B♭ wordt in samenhang met de Guidoniaanse hexachorden besproken, waarbij Latijnse doch verbasterde uitdrukkingen uit de cerdd dant-terminologie worden gebruikt. Zo wordt er gesproken over Begwri (B-durum), Beiniol (B-molle) en Proprgrawmt (naturel, dus geen van beide, vergelijk het Engelse proper chant voor naturel). Deze termen worden in het manuscript tevens geassocieerd met resp. tro'r tant, gogywair en bragod gywair. Het is onmiskenbaar dat de oorspronkelijke auteur een theoretische verhandeling schreef over cantus planus en niet over cerdd dant. Het gebruik van de cerdd dant-terminologie blijkt hier niets anders te zijn dan een geforceerde overeenstemming tussen het Latijn en het Welsh en werd derhalve toegepast waarvoor ze niet zijn bedoeld.

De term gogywair met betrekking met de kleine terts (G-B♭) volgens Hafod 24 (y cyweirdant en de verlaagde toon, twee snaren daarboven), wordt elders tegengesproken, namelijk in Hafod 3 (p. 235). Hierin wordt gogywair geassocieerd met een verhoging van een snaar (dyrchafael y dant). Peilin meldt dit in Hafod 3 juist met betrekking tot het verhogen van de B♭ naar B-naturel. Desondanks dat in hetzelfde manuscript op de lijst van snaarnamen de B-naturel weer met een andere naam is aangeduid, namelijk ♮ragodant. In deze lijst wordt de term dyrchafael alleen in verband met de verhoging van F aangewend.

De begintonen waarop
een cyweirdant cryfion wordt
ontwikkeld:
Naam van het
hexachord
identiteit van b
G(hexachordum durum)
tro'r tant
Begwri
(b-durum)(b)
C(hexachordum naturale)
bragod gywair
niet aanwezig, naturel
F(hexachordum molle)
gogywair
Beiniol
(b-molle)(bes)

Naar boven

Cerdd dant terminologie inzake chromatische inflectie

Door middel van het bovenstaande is het in ieder geval af te leiden dat er een cerdd-dant-terminologie bestaat, die betrekking heeft op de chromatische omstemming van snaren, waarvan we zullen zien dat deze uiteindelijk geen connectie met de cyweiriau heeft.

Een aanduiding van een chromatische inflectie B ←→ B♭ (H ←→ B) op een afbeelding van een harp, naar Martin Agricola; Musica instrumetalis deudsch; 1528
Hoe het ook mag zijn, deze drie termen dyrchafael, tro tant en breiniol geven in ieder geval aan, dat er niet meer dan twee snaren binnen dit stelsel van snaarstemmingen chromatisch hoeven te worden bijgesteld. Dit verschijnsel is volledig in overeenstemming met de toenmalige hoofdstroming van de Europese muziek, dat van een veel latere datum is dan die van cerdd dant (de oudst bekende bron inzake de stemming van de harp in het continentale Europa dateert uit 1529 door Martin Agricola)(Greenhill, 2000). [Vergelijk in dit verband het artikel: Laat Romeinse en middeleeuwse muziektheorie: 5.2 Guido d'Arezzo, b-rotundum/b- en 5.3 Musica ficta].
Nu is het volgens Greenhill bijzonder twijfelachtig of de cyweriau-terminologie voor hetzelfde doel werd gebruikt als de hier beschreven specifieke snaarstemmingen. De groep termen dyrchafael-tro tant-breiniol (door Greenhill inflectie-groep genoemd) heeft in de oude literatuur nooit de toevoeging cywair gekregen. Anderzijds werden de cyweiriau-termen nooit gebruikt in verband met het lager of hoger stemmen van snaren. Dat laatste is nogal vreemd als de veronderstelling zou kloppen, dat de cyweiriau betrokken zouden zijn op een diversiteit aan snaarstemmingen. Greenhill wijst daarmee op het het bestaan van een afzonderlijke terminologie, namelijk voor de inflectiegroep en de cyweiriaugroep, hetgeen een hogere orde voor de cyweiriau impliceert.

Uit het bovenstaande volgt dat het stemmen van de harp betrekking heeft op de natuurlijke tonen van het octaaf, met de mogelijkheid tot een alternatieve stemmingen met inflecties van B ⇔ B♭, en F ⇔ F♯. Dit zou inderdaad betekenen dat de harpstemming niet ingewikkelder was, dan hetgeen dat in de middeleeuwse modale muziek vereist was. Met andere woorden dat zo verkregen toonladders niet complexer waren, dan dat bij cantus planus het geval was.

Naar boven

Gwylim Puw

Gwylim Puw beschreef in zijn notitieboek uit 1674, in het Engels, de term cyweiriau als een groep stemmingen voor de harp. Hij deed dit in de vorm van een diagram, dat mogelijk als instructie moest dienen voor de wijze waarop de stemmingen moesten worden uitgevoerd. Dit diagram had betrekking op drie mogelijke stemmingen:

Naam in het Welsh naar Gwylim PuwNaam in het Engels naar Gwylim Puw
Y Bragod GywairThe Ordinarie Sette
Y GogywairThe Siarpe Sette
Y Braidd GywairThe Flat Sette

Het is opvallend dat er slechts twee cerdd dant-termen zijn gebruikt, n.l. 'Bragod gywair' en 'Gogywair', die verder geen samenhang hebben en beschouwd kunnen worden als een poging tot verzoening met de oude Welshe terminologie met de toen gangbare Europese muzikale hoofdstroom. Dit geeft volgens Greenhill aan, dat er geen verwijzing naar de vroegere eisteddfod traditie van de cerdd dant heeft plaatsgevonden, alwaar men over vijf 'rechtmatige' cyweiriau spreekt. Inderdaad, vormen de Engelse termen ''Ordinarie Sette'', ''Siarpe Sette'' en ''Flat Sette'' de enige samenhang hierin. De stemmingen zouden volgens Puw zijn gebaseerd op de toonhoogte van een vergelijkingssnaar ('sette string'). Hoewel dit niet met zekerheid bekend is, zou men er vanuit kunnen gaan dat deze 'sette string' betrekking heeft op G-cyweirdant in Hafod 3. Het is inderdaad aannemelijk dat Puw mogelijk een poging heeft ondernomen om de verlaging van de B, zoals dat in Hafod 3 is beschreven, onder te brengen binnen het systeem van drie diatonische toonsoorten die hierin zijn betrokken. Namelijk die van C, G en F-majeur. Greenhill geeft aan dat deze stemmingen, indien toegepast, op bepaalde punten in het RaH-MS muzikaal onwaarschijnlijk zijn. Als de 'sette string' inderdaad de G is en de 'B', een B♭ in bragod gywair ('ordinarie sette') en gogywair ('kleine terts boven de G'), dan is dit overeenkomstig met Hafod 24 en Panton 56 en niet met Hafod 3 (♮ragodant). (Whittaker, 1974)(Greenhill, 2000)

Een Welshe, Ierse en Engelse connectie

De hierboven besproken interpretaties met betrekking tot de stemming van de harp volgens Peilin (met Welshe terminologie) en die van Gwilym Puw (met een expliciete Engelse omschrijving), blijken interessante parallelen te bezitten ten opzichte van de Ierse stemming zoals die door Edward Bunting in 1840 werd omschreven.

De parallellen worden overduidelijk indien we de drie beschrijvingen in een tabel samenvoegen:

BronTerminologie
PeilinWelshmet breiniol gowirdant, B♭met ♮ragodant en ffwythlleddfdant, resp. B- en F-naturelmet breiniol ddyrchafaeldant, F♯
PuwEngelsFlat SetteOrdinarie SetteSiarpe Sette
BuntingIersC, Fuigheall-beg
(='Lessser sound')
G, Uan fuigheall
(='Single sound')
D, Fuigheall-mor
(='Great sound')

(Greenhill, 2000)(Whittaker, 1974)(Bunting, 1840)

'Sterke' en 'zwakke' snaren

Naast de aanduiding in de oude literatuur van een specifieke snaar, wordt de term cyweirdant eveneens gebruikt in een harmonische context, hetgeen we al gezien hebben inzake de contrasterende harmonieën: cyweirdant en tyniad. De term cyweirdant blijkt in harmonisch opzicht in verband te kunnen worden gebracht met het begrip 'sterke snaren' (lees: tonen) en tyniad met 'zwakke snaren'. Het AB MS Peniarth 62*) refereert naar een zevental cyweirdannau, waarschijnlijk binnen het octaaf. Hiervan worden er drie principaal of sterk genoemd. Dat wil zeggen vast, onveranderlijk. Vier zijn er aangeduid met zwak (cynnwys dannau, veranderlijk in modus, pedwar a newidian mewn modd).
Sterk of zwak heeft betrekking op harmonie en de wijze van spelen, resp. dat de snaren kunnen blijven doorklinken tot de toon uitsterft of dat zij moeten worden gedempt. Deze tonen zijn overigens nooit geïdentificeerd:

"En dit is van de muziek van Cerdd Dant, over de sterke cyweirdant en hoeveel daarvan sterk zijn. Er zijn totaal zeven, en van de zeven, veranderen er vier van modus, en de andere doen dat niet. Dit is de wijze, waarop zij dit niet doen. Omdat er drie principaal of speciaal zijn, en vier niet. Zij hebben daarvoor een reden, omdat er geen enkel aantal tussen hen zit en dat zij niet van één toestand zijn, en de vier cyweirdannau worden 'bevattende snaren' genoemd [cynnwysdannau]. Op veel plaatsen worden zij tyniadau." (Peniarth 62) (Whittaker, 1974) (Vert. uit Engels: BGD)

Er is in dit verband een mogelijke analogie met Panton 56, p.12., dat hiervoor zojuist is besproken, n.l. dat op de drie genoemde principale Guidoneaanse tonen G, C en F, een individuele cyweirdant cryf (meerv.: cyweirdannau cryfion) kan worden bewerkstelligd.:

"Er zijn drie zaken die op de sterke cyweirddant betrekking hebben: Bécarré, Bémol en Properchant.......Er is een cyweirdant voor Bécarré, en een cyweirdant voor Bémol en een cyweirdant voor Properchant"

"En hoeveel sterke cyweirdannau zijn er in de gamut [toonreeks]? Zeven, namelijk, ut in c fa-ut, ut in f fa-ut, ut in g sol-re-ut in een ruimte, ut in c sol-fa-ut, ut in f fa-ut in g sol-re-ut op de regel: dit zijn de zeven mutaties in de gamut."
(Panton 56) (Whittaker, 1974) (Vert. uit Engels: BGD)

Panton 56 refereert dan eveneens naar de 'zwakke' cyweirdannau, waaruit volgt dat de tonen A, B, D en E daarvoor in aanmerking komen (Harper, 2000).

In dit verband is er nog een vergelijking mogelijk met de zgn. tannau lleddfon (letterlijk: 'klagende' snaren, waarvan door middel van stemming de toonhoogte kan worden ingesteld') met betrekking tot de vijf hoofd-cyweiriau, zoals vermeld in de z.g.n. Dosbarth-verhandeling**), alhoewel de laatste tekst meer betrekking heeft op de crwth en niet op de telyn. (Harper, 2000)

De term cyweirdant cryf, kan feitelijk worden beschouwd vanuit de componenten van een drieklank***), beschreven als een akkoord met 'drievoudige sterkte' of een 'modificatie' van de drie stemmen mên, trebl en bwrdwn. Hetgeen overeenkomt met een onderdeel in een passage 'Val ir ordeinied kerdd dant' ('Hoe cerdd dant was ontstaan')****), waarin de vertaler een aantekening maakt van de klank van de drie hamers (midden, hoog en bourdon), die samen de sterke cyweirdant van cerdd dant maken:

"En van de stem van de voorhamers van Tubulcain de smid en van de stem van de grootste voorhamer [gordd] werd de bas gezet, en van de tweede voorhamer de middenstem, en van de kleine hamer [mwrthwl] de hoge stem, en aldaar werd voor het eerst midden, hoog en bourdon gezongen, en we kunnen de cyweirdant niet sterk noemen tenzij het de sterkte van alle drie bezit" AB MS 17116B (Gwysaney 28)(Harper, 2007)(vert. uit het Engels door BD)

Overigens is het toepassen van een systeem van vaste cyweirdannau (lees: open snaren) en veranderlijke lleddfonnau (lees: tonen die met een vingergreep op de toets of 'fingerboard' worden verkregen) onvermijdelijk voor het musiceren en de omzetting van de RaH-tabulatuur naar de crwth. Doch hierover later bij de bespreking van de crwth-stemming. (Harper, 2007)(Greenhill, 2000)(Evans, 2004).

*)AB MS Peniarth 62 (Aberystwyth, National Library of Wales), >1582
**)AB Peniarth MS 155 (Lloegr Drigiant), ca. 1561
***)drieklanken zijn akkoorden, die zijn opgebouwd uit een grondtoon (prime), resp. een terts en een kwint boven de grondtoon).
****) AB MS 17116B (Gwysaney 28), ca. 1562-4, fol. 59r-60r

Naar boven

4.2 Cyweiriau en het ontstaan van de scordaturatheorie

Deze paragraaf beschrijft de cyweiriau als model voor de diverse omstemmingstheorieën voor de harp. Verschillende voorstellen van de omstemmingstheorie van het einde van de 19e, begin 20e eeuw (Thomas, Dolmetsch) worden besproken, alsmede een aantal recentere voorstellen (Crossley-Holland, Dart, Evans).

Manuscriptverwijzingen in deze paragraaf:

Hafod 3

In het voorafgaande bespraken we de individuele snaarstemmingen volgens Peilin. Het manuscript vervolgt met de namen van de zeven 'principale' cyweiriau, die blijkbaar duidelijk van de snaarbenamingen zijn afgeleid. Hoewel de term cywair niet nader wordt gedefinieerd, wordt het wel duidelijk gekoppeld aan een muzikale toon. Het is volgens Greenhill duidelijk wat Peilin in gedachte had, namelijk dat cywair blijkbaar zowel een afzonderlijke toon zijn, een melodische finalis, als een scalaire modus (toonladder op basis van een specifieke grondtoon) zijn (Greenhill, 2000)(Whittaker, 1974):

Peilin's cyweiriau
(Hafod 3)
FinalisVermeende transpositie naar grondtoon G,
naar een interpretatie (noot 1) van Whittaker, 1974)
G gywairGG - A - B - C - D - E - F♯ - G
kras gywairAG - A♭ - B♭ - C - D♭ - E♭ - F - G
♮ragod gywairB-naturelG - A - B♭ - C - D - E♭ - F - G
isgywairCG - A - B - C - D - E - F - G
dylod gywairDG - A - B - C♯ - D - E - F♯ - G
eglur gywairEG - A♭ - B♭ - C - D - E♭ - F - G
ffrwythleddf gywairFG - A - B♭ - C - D - E - F - G
Een interpretatie van de harpstemming naar Peilin's cyweiriau (Hafod 3), er vanuit gaande, dat op elke toon een majeur toonladder wordt gebouwd en na enkele stappen wordt getransponeerd naar de basistoon van de harp, de G (setting string). Hoe dit gebeurt is te zien in het voorbeeld van de onderstaande afleiding voor

kras gywair. Met grondtoon A, zou dit de toonladder van A-majeur opleveren:
A B C# D E F# G# A

Vervolgens herleid, door de tonen in een andere volgorde te schrijven, naar:
G# A B C# D E F# G#

en gevolgd door een transpositie naar de veronderstelde basistoon G ('setting string'):
G A♭ B♭ C D♭ E♭ F G

Greenhill is echter van mening, dat Peilin een onhandige poging heeft gedaan om een soort van overeenstemming, tussen snaarnamen en de vijf 'rechtmatige' stemmingen van de eisteddfod-traditie te forceren. Doch het is twijfelachtig, dat hij een juist begrip hiervan had en dat zijn relaas kennelijk pas na de teloorgang van de cerdd dant dateert. In ieder geval kan men vanuit zijn lijst met tonen met de prominente Gowirdant (G-cyweirdant) en C-gywirdant en gezien de beperkte mogelijkheiden van chromatiek (in beide gevallen breiniol genoemd), n.l. B♭ en F♯, in principe slechts drie majeur toonladders ontwikkelen. Dit zijn G-majeur (♯), C-majeur (naturel) en F-majeur (♭).
In ieder geval kan uit Peilin's beschrijving zeker niet worden opgemaakt, dat op elke toon van het octaaf, een majeur toonladder werd gebouwd die als basis voor een harpstemming diende. De relatief 'moderne' benadering van diverse auteurs waar de verschillende toonschalen werden aangewend als stemming voor de harp, waarin een veelheid aan mollen en kruizen worden toegepast is dus niet alleen in strijd met het tijdsbeeld waarin de cerdd dant kan worden geplaatst, omdat het duidelijk mag zijn, dat de verkregen veelvuldigheid aan chromatiek hierin, zoals we in de bovenstaande tabel kunnen zien, zeer onwaarschijnlijk is. Dit geldt des te meer, omdat in dit verband slechts twee chromatische inflecties bekend zijn, namelijk de tonen breiniol gowirdant (B♭) en breiniol ddyrchafaeldant (F♯)

Ondanks dit bezwaar, werden door de moderne auteurs,diverse majeur-stemmingen voor de harp gehanteerd. (Greenhill, 2000)(Whittaker, 1974)

Naar boven

Herinterpretaties van Peilin's cyweiriau

Men kan zich afvragen hoe de misconcepties door verkeerde uitgangspunten, de scordaturatheorie zich zo heeft kunnen voortzetten. Het is zelfs minstens zo opmerkzaam dat er nog steeds auteurs zijn, die dit hardnekkig ondersteunen.
Aan het einde van 18e eeuw/begin 19e eeuw vond door Edward Jones (Jones, 1808) en C. Burney (1782), John Thomas (Thomas, 1870)(Thomas, 1878), Owen Pughe en Silvan Evans een herinterpretatie plaats van Peilin's cyweiriau in Hafod 3. Deze werd bovendien bijgesteld met het gegeven in Hafod 24, hoewel men heeft nagelaten de laatste als bron te noemen. Dit keer is het roer omgegaan en werd iedere cywair, opgevat als een specifieke toonsoort/modus. Greenhill geeft deze als volgt weer in zijn essay (Greenhill, 2000), waar in de meeste gevallen sprake is van een majeur-toonladder:

Naam van Peilin's stemmingOpmerkingHergeïnterpreteerd tot de toonsoort:Kwaliteit
G-gywairAan deze naam is een andere term toegevoegd: breiniol gywair, naar Peilin's chromatische inflectiesG-majeur 
Kras gywairterm gehandhaafdA-majeur (J. Thomas: G-majeur, E. Jones: D-majeur)'sharp key' ('verhoogde toonsoort')
♮ragod gywairterm gehandhaafd, genormaliseerd naar bragod gywairB-mineurgemengde of mineur-toonsoort
Isgywairterm gehandhaafdC-majeur'low key' ('verlaagde toonsoort')
Dylod gywairterm gehandhaafdD-majeur 
Eglurgywairterm gehandhaafdE-majeur 
Ffrwythleddf gywairterm samengetrokken tot lleddf gywair'F-majeurbeschouwd als afwijkende 'verlaagde toonsoort' ('flat key')
Niet in Peilin's lijst:
Gogywair (Niet in Peilin's lijst)Naar instructies in Hafod 24. Hierbij is y cyweirdant door Edward Jones geïnterpreteerd als de toon CC-majeur met verlaagde terts (E♭) 
Verder nog:
Tro tantToonsoort van verandering van snaar (key of the change of string)Bes-majeur 

De toonsoorten voor de harp volgens John Thomas. Fragment uit Myvyrian Archaiology of Wales (Thomas, 1870)

Idem als boven naar Edward Jones. Fragment uit Musical and Poetical Relicks of the Welsh Bards. (Jones, 1808)

Moderne herstemmingstheorieën voor de harp

Hier volgt een overzicht van de diverse scordaturaschema's zoals zij door verschillende auteurs zijn voorgesteld.
Arnold Dolmetsch
Arnold Dolmetsch publiceerde in twee werken (Dolmetsch, 1934, 1937) een interpretatie van de stemmingen/toonsoorten, die hij direct van zijn voorgangers Burney en Thomas had overgenomen. Dat wil zeggen, dat waar mogelijk, de majeur toonsoort werd toegepast:

Peter Crossley-Holland

Peter Crossley-Holland was van mening dat de majeur toonsoort in het Robert ap Huw manuscript prevaleerde. Het onderstaande citaat meldt dit gegeven. Hierin staat eveneens een verwijzing naar een connectie met Ierland (Crossley-Holland, 1942):

"The most obviously outstanding feature of these pieces is that they all appear to be in modern major keys. The first three are in C major, called Isgywair in Welsh, meaning 'low key'. This was one of the 'five standard and warranted keys' of old Welsh music mentioned in an ancient book not now extant called 'Ceidwadigaeth Cardd Dant' (*) (the 'Preservation of String Music', within three provinces of Wales) quoted in Peniarth MSS. 62 and 147. This book says that the musical science was confirmed in Ireland [!] by Mwrchan at a place called Glyn Achlach(**). Other keys also found amongst the [ap Huw] pieces, such as the 'Key of the Change of String' or B♭, in the song which is so named, 'C[aniad] tro tant'....Tro tant and the five keys already referred probably all correspond as regards the disposition of their notes with our modern major and minor scales." (Crossley-Holland, 1942).

(*)De tekst van 'Cadwedigaeth Cerdd Dannnau' is gekopieerd in AB MS 17116B (Gwysaney 28), AB Peniarth MS 155, p. 79-83 met vroege recentie in AB MS Peniarth 62 (Harper, 2007)
(**) Glendalough, graafschap Wicklow (Ierland). In het Robert ap Huw manuscript (p. 104) staat een stuk genoemd, waarvan de titel 'Kwlwm ymryson fflam achlach' luidt.

Het idee dat de toepassing van majeur de voorkeur verdiende, werd vooral gesterkt doordat Crossley-Holland wijst op het algemene voorkomen van het majeur en mineur toongeslacht (resp. ionische en eolische modus) in de seculaire (niet kerkelijke) middeleeuwse muziek. Dit met betrekking tot het verbod van deze toongeslachten in de kerkmuziek of cantus planus. De term tro tant ('gedraaide snaar') werd eveneens als een vorm cywair, snaarstemming beschouwd. Hierop wordt nog teruggekomen. Overigens noteert Crossley-Holland twee mollen (B♭ en E♭) voor Caniad Tro Tant.

Naar boven

Thurston Dart
Thurston Dart (1968) gaat uit van een basis-stemming bragod gywair, hetgeen volgens hem een modificatie is van Bunting's 'proper key of the harp', n.l. de G-majeur stemming: G-A-B-C-D-E-F#-G. Vanuit verschillende bronnen (RaH-MS, Bunting, Prętorius, Valente, Maione en Trabaci) leidde hij de volgende stemming voor bragod gywair af: G-A-B♭-C-D-E-F-G.
Dart merkt op dat laagste E-snaar nooit voorkomt in de RaH's tabulatuur, hetgeen men eveneens aantreft in Bunting's harpstemming. In het geval laatste geval van de 'vallende snaar'(Tead leaguidh), alwaar de toon E naar F wordt gestemd.

Overeenkomstig de notatie van Crossley-Holland, geeft Dart de stemming Tro Tant en Is gywair de twee mollen: G-A-B♭-C-D-E♭-F-G

Voor Uwch Gywair (behoort niet tot vijf rechtmatige cyweiriau). Uwch betekent 'hoog' en zou volgens Dart duiden op een verhoging van de B-snaar van B♭ naar B (naturel): G-A-B♭-C-D-E-F-G

Dart suggereert, dat voor Go gywair mogelijk enkele snaren drastisch werden omgestemd:

"There are a number of pieces in tuning B [=go gywair], on the one hand, but the chords on which they are composed do not admit of an unambiguous solution to the problem of how the harp was tuned. One possibility - though it is no more than that - may be that string 5, 12 and 19 were tuned down to E or E♭ from their normal tuning of A." (Dart, 1968)(Whittaker, 1974))

Verder kent Dart aan alle genoemde cyweiriau (namelijk die van p. 108 en 109) die in het RapH-ms voorkomen, een bepaalde snaarstemming toe. Gebaseerd op G, A en F-toonladders met chromatische inflecties op de B en E. Tro tant schakelt hij bovendien gelijk aan is gower (Dart, 1968) .
Robert Evans

Het is reeds eerder een onderscheid gemaakt tussen de sterke (principale) en zwakke cyweirdannau (Panton 56 en Peniarth 62). De sterke cyweiddannau hebben betrekking op tonen die onveranderlijk zijn. Dat wil zeggen dat hierop geen chromatische verandering zou worden aangewend. De zwakke cyweirdannau (tannau lleddfon) daarentegen, zijn wel aan verandering, dus omstemming, onderhevig, zodat chromatische inflectie hierop kan worden toegepast. Whittaker merkt naar aanleiding van de cywariau van Peilin (Hafod 3) op, dat vier snaren kunnen worden aangewend voor chromatische inflectie en drie tonen onveranderlijk blijven.

De scordaturatheorie van Robert Evans gaat van een gelijksoortige veronderstelling uit, waarbij hij de stemming van de crwth overduidelijk als referentie gebruikt:

g g1 c2 c1 d1 d2

Hij onderscheidt de onveranderlijke tonen gelijk aan de open snaren van de crwth, dus beide g's, c's en d's. Deze tonen overheersen in de cyweirdannau (de akkoorden, die met I zijn aangeduid in het metrische patroon). De overige veranderlijke tonen (lleddfdannau) a, b, e en f, die overwegend in de tyniad (O in de metrisch akkoordenprogressie) voorkomen, zijn alleen door grepen op de toets van de crwth mogelijk.

Evans trekt een parallel met de Griekse muziektheorie, waarin de tonen op de 'hoekpunten' van de tetrachorden (het tetrachord was de eenheid binnen het Griekse toonsysteem) als onveranderlijk worden beschouwd (de z.g.n. hestotes). De twee overige middelste tonen van het tetrachord zijn wel veranderlijk (kinoumenoi). De trillingsgetallen of snaarlengten van de hestotes zijn gezamelijk binnen de intervalverhoudingen 12 : 9 : 8 : 6 (octaaf, kwint, kwart en grote secunde) te vatten. Zie Griekse toonladdertheorieën en modaliteit.

Tetrachorden volgens het model van Robert Evan's herstemmingsmodel. De rode letters symboliseren de vaste, onveranderlijke tonen (cyweirdannau), de zwarte tonen zijn variabel (lleddfdannau).

Door de ook schema's van p. 108 en 109 in het RaH-MS abusievelijk als bron te gebruiken, komt Evans tot de reconstructies van de 'rechtmatige' harpstemmingen:

Is gywairLage stemming (lage stemming, lower tuning) G1 A1 B1 C D E F g a b c d e .. enz.
Cras gywairWrange stemming (harsh tuning) G1 A1 A1 C D E E g a a c d e ..
Lleddf gywair y GwyddylIerse herstemming (Irishman's re-tuning) G1 B1 B1 C D E G G B B c d e ..
Go gywairVerhoogde stemming (sharp tuning) G1 A1 B1 C D Es F g a b c d es ..
Bragod gywairGemengde stemming (mingled, flattened tuning) G1 A1 Bes1 C D Es F g a bes c d es ..

Verder:
Tro tantGedraaide snaar (turned string) G1 A1 Bes1 C D E F g a bes c d e ..enz.
(Evans, 2004). Zie ook: Robert Evans; Tunings (ap Huw MS); Bragod website.

(Evans, 2004)(Evans, 1999)

Naar boven

4.3 Wederom cyweiriau

Betekenissen van cywair

De betekenis van cywair, is meervoudig en kan met subtiele taalkundige verschillen worden uitgelegd, en wel in de betekenissen van:
instelling, orde, overeenkomst, juiste staat of conditie, fijnregeling, reparatie, herstelling, restauratie, correctie en perfectie. Deze terminologie hoeft dus niet persé een muzikale betekenis te hebben. Muzikaal gezien, kan de betekenis van cywair, betrekking hebben op een tal van zaken, zoals (fijn)stemming, temperering, afwisseling (van akkoorden), toonhoogte en toonsoort.

Naast de vijf 'rechtmatige' hoofd-cyweiriau; bragod gywair, cras gywair, gogywair, lleddf gywair en is gywair, telt men totaal zo'n twintig verschillende cywair-aanduidingen in het RaH-MS. Verder nog een aantal in o.a. Hafod 3 (Peilin) en in NLW4710B (Gwilym Puw). Greenhill geeft terecht aan dat, gezien het beperkte aantal harpstemmingen (met slechts twee typen chromatische inflecties B/B♭ en F/F♯ v.v.) die tijdens de teloorgang van cerdd dant zijn beschreven, het zeer merkwaardig is dat er zo'n twintig verschillende stemmingen mogelijk zouden zijn geweest voor een klein, diatonisch snaarinstrument.

Cywair als term voor stemming

Overigens blijkt, dat de algemene oorspronkelijke betekenis van cywair, het stemmen van snaarinstrumenten naar een bepaalde basisstemming was. Dit had betrekking op de voorgeschreven vaardigheden van de datgeiniad (reciteerder/musicus). Men maakte een onderscheid tussen het stemmen van de snaren van de harp en de crwth ('open snaren', 'cyweiriau') enerzijds en het zetten van de vingergrepen ('tyniadau', Eng.: 'stopping a string') op de toets of 'fretboard' van de crwth. Deze twee moeilijke vaardigheden, waren de noodzakelijke vereisten voor de vaardigheden. We zien hier dat deze termen kennelijk verband houden met de harmonische termen cyweirdant en tyniad.

Inderdaad is voor de crwth een stemming bekend waaraaan de term cyweir is gekoppeld, deze heet cywair naturiol

Cywair en scordatura

Zoals we reeds hebben gezien is er een beperkt aantal chromatische bijstellingen in de harpstemming in de literatuur beschreven. We zien dit terug in een specifieke drievoudige terminologie:

In het cerdd-dant-repertoire wordt met name naar de termen dyrchafael en tro tant verwezen.

Deze terminologie heeft, zover men kan zien, betrekking op een beperkt aantal chromatische inflecties, namelijk op B→B♭ en F→F♯ (v.v.)

In cerdd-dant-literatuur zijn er slechts drie praktijkvoorbeelden bekend, waarin een connectie tussen scordatura van de harp met cywair wordt aangegeven, n.l.

  1. door Robert ap Huw zelf. Pagina 109 van het manuscript, toont twee schema's die zijn aangeduid met lleddf gower gwyddel en cywair ynghywair y wrach, beiden moeten in het verlengde van de aanwijzingen op p. 108 worden gezien (hetgeen hierna wordt besproken). Volgens Greenhill zijn dit geen snaarstemming-schema's, maar ap Huw laat hier wel een duidelijke aanknopingspunt zien, met betrekking tot een alternatieve stemming. In het schema lleddf gower gwyddel komt de noot | (b-rotundum) voor, waarvan de laatste blijkbaar een halve toon hoger, naar b| (b-quadratum) gestemd kan worden. Dit is kenbaar gemaakt door middel van een kruisteken. Deze omstemming heeft, volgens Greenhill, verder niets te maken met, de reeds genoemde, voorgeschreven 'hoofd'-cyweiriau. De uitdrukking lleddf gower gwyddel, namelijk niet hetzelfde als lleddf gywair. Greenhill acht het aannemelijk, dat ap Huw hier de mogelijkheid van een scordatura ten behoeve van andere harpisten uit een andere traditie, demonstreert. Het woord 'gwyddel' ('Irishman') verwijst naar Ierland, waarmee het aannemelijk is, dat er een Ierse of Hiberno-Noorse vorm bestond, die blijkbaar afweek van die van Wales.

    Robert ap Huw: lleddf gower gwyddel, p. 109. Dit schema moet gezien worden in het verlengde van p. 108 van het manuscript. De kruizen (b-quadratum) hebben volgens Greenhill, niets te maken met een bepaalde gangbare cywair. Doch, zou eerder op een aanpassing binnen een andere speeltraditie wijzen. Het woord gwydell, refereert naar Ierland, alwaar de Hiberno-Noorse praktijk mogelijk een andere traditie volgde dan die in Wales.(Greenhill, 2000)

  2. In Hafod 24 staat een verwijzing naar gogywair, waarbij de terts boven de y cyweirdant (G) wordt verlaagd (B → B♭), hoewel volgens Greenhill niet is aangetoond dat gogywair de enige cywair is met een kleine-terts-stemming, doch dat deze stemming ook voor de andere cyweiriau kan gelden.

  3. Gwilym Puw, wiens snaarstemmingen komen overeen met specifieke toonsoorten. Daar het begrip toonsoort feitelijk geen rol speelde in de cerdd dant-traditie, wijst de aanduiding van Puw op een nieuwere muziektraditie, die ten tijde van de teloorgang van de cerdd dant, zijn intrede had gedaan. Deze rol van de stemming van de harp vinden we ook terug in de stemming van de Gaelische harp volgens Edward Bunting.

Naar boven

4.4 Interpretaties van diagrammen in het RaH-ms

In het voorgaande bespraken we reeds, dat diverse auteurs hebben gemeend, dat de pagina's 108 en 109 van het RaH-MS aanwijzingen geven, op welke wijze de snaren van de harp kunnen worden omgestemd. Doch een nadere beschouwing laat zien, dat er ook andere interpretaties mogelijk zijn (Greenhill, 2000).
Pagina's 108 en 109 uit het Robert ap Huw manuscript. Klik voor een vergroting: p. 108 - p. 109.
Pagina 108 van het RaH-MS toont een zevental diagrammen, elk bestaande uit twee rijen met diagonale letterreeksen, die onderling iets van elkaar verschillen. Door het feit dat Robert ap Huw geen instructies gaf, en de benaming van diverse cyweiriau die naast deze diagrammen waren geplaatst, zagen de diverse auteurs deze pagina's als zelf-explicerende aanwijzingen voor het omstemmen van de telyn. Men veronderstelde dat de linker kolommen de snaren van harp uitbeeldden en rechter kolommen de bijbehorende noten van de snaren die werden omgestemd.
De onderstaande afbeeldingen tonen deze diagrammen nogmaals, zoals ze zijn overgenomen in The Myvyrian Archaiology of Wales (Vol 3, 1807) (Jones, 1807)
Twee pagina's uit The Myvyrian Archaiology of Wales uit 1807, waarin de diagrammen van pag. 108 van het RaH-MS zijn overgenomen.
Klik voor een vergroting: links, rechts.

Vanwege de aanname dat pagina 108 zelf-explicerend zou zijn, hield men zich niet bezig met eventuele alternatieven. Greenhill geeft in zijn essay een plausibele verklaring met betrekking tot de harmonie, waarbij hij deze diagrammen als een voorschrift ziet, voor het vaststellen van harmonieën, die blijkbaar aan bepaalde cyweiriau zijn gekoppeld.
Greenhill wijst ten eerste op tegenspraak met de reeds eerder genoemde lleddf gower gwyddel, op pagina 109 waarin de ♭| is omgezet naar b. Op pagina 108 staat eveneens een diagram voor lleddf gower gwyddel, die schijnbaar totaal hiermee in tegenspraak is. De rechterkolom in het betreffende diagram, toont ons deze vermeende scordatura juist niet, maar geeft wel 'een omzetting' aan van f| naar g. De rechter reeks van een anderde diagram, 'cywair gwyddelig dyeither' geeft een grotere serie aan lettersymbolen dan links, hetgeen vreemd is als het diagram betrekking zou hebben op een omstemming van hetzelfde instrument. Peter Greenhill meent dat de diagrammen géén omstemmingsdiagrammen zijn, doch een hulpmiddel ter compensatie vanwege het ontbreken van theorische kennis met betrekking tot de harmonie.

De diagrammen vertegenwoordigen volgens Greenhill schema's waarmee de harmonische functies, cyweirdant en tyniad met betrekking tot een bepaalde cywair zijn voorgeschreven. Links staan feitelijk de tonen van de harp voor de cyweirdant en rechts de tonen die men nodig heeft voor het spelen van de tyniad. De mogelijkheden hierin zijn

Alle drie mogelijkheden blijken in deze diagrammen aanwezig te zijn. Uit de tabulatuur is het bekend dat er veel van dit soort overgangen (Greenhill: 'voice shift') tussen cyweirdant en tyniad bestaan. De overgang van de ene stem ('voice') naar de andere impliceert in alle gevallen overgangen, die naar bovengenoemde typen snaarverplaatsingen zijn te herleiden. Greenhill resumeert dat er feitelijk twee typen leidraden bestaan voor de functionaliteit in de cerdd dant-harmonie. Dat zijn:


Greenhill veronderstelt in dit verband, dat men bij verwijzingen naar cywair in de oude literatuur, eerder details met betrekking tot akkoordenprogressie verwacht, dan tot de stemming van de harp. Helaas is cras gywair de enige van de rechtmatige cyweiriau, die zich tussen de diagrammen op pag. 108 bevindt, zodat een verdere toetsing van het voorgaande, aan de hand van de tabulatuur helaas niet mogelijk is. Daardoor wordt dit ook voor een exacte interpratie van pag. 108 moeilijk. In ieder geval heeft Greenhill op empirische gronden, en vanuit de mechanische beperkingen van harp aangetoond, dat de ooit veronderstelde omstemmingen op pagina 108, niet of nauwelijks realiseerbaar zijn.

Nu het bovenstaande is behandeld, met betrekking tot de snaarstemmingen en harmonie, mag het duidelijk zijn dat de term cywair niet louter een uitdrukking is, die uitsluitend is beperkt tot de stemming van een instrument, doch een veel diepere betekenis heeft tot relatie van het harmonische bouwwerk van cerdd dant. Appendix C geeft een overzicht van de toegepaste cyweiriau-terminologie

Naar boven

5. De stemming van de crwth

Een 19e eeuwse crwth
(Foto: A. Praefcke, Bron: Wikipedia (EN)

De crwth kan worden beschouwd als een lierachtig instrument dat kan worden getokkeld of gestreken. Het is voorzien van een fretloze toets ('fingerboard'), waarmee door middel van een vingerzetting, evenals bij b.v. de viool, de tonen kunnen worden geïntoneerd. De zes-snarige crwth is, naast de vier snaren boven de toets, eveneens voorzien van twee voorgestemde, drone- of bourdonsnaren. Er bestaat nog een eenvoudiger uitvoering van het instrument met drie snaren, met de naam crwth trithan, doch de meest professionele spelers maakten gebruik van de zessnarige uitvoering.

Tot nu toe zijn hier de diverse invalshoeken besproken met betrekking tot de stemming van de harp en de interpretatie van de cyweiriau. Het is door Greenhill bewezen, dat het RaH-MS één vastgestelde stemming voor de telyn heeft, doch waar ruimte aanwezig is voor het toepassen van enkele chromatische inflecties. De vijf rechtmatige hoofdcyweiriau voor de harp zijn geïdentificeerd als een set intonaties, die door middel van temperering van de snaren, binnen het kader van één enkele vaste stemming, kunnen worden bewerkstelligd.

Op één of andere manier moet de muziek van de harptabulatuur van het RaH-MS, speelbaar zijn met de crwth (of timp´), een instrument met een beperkt aantal snaren. Dit is af te leiden uit bronnen met lijsten waarop composities voor zowel de crwth- (crythorion) als de harpspelers (telynorion) bijeen zijn gebracht. Dit laatste is slechts mogelijk als de crythor de mogelijkheid heeft tot scordatura of het omstemmen van de snaren.

Er bestaat echter geen bestaat geen specifieke naamgeving voor de diverse mogelijkheden om crwth te stemmen, of het moet de term cywair of cyweiriau zijn!
Zo komen we ontegenzeggelijk op een andere benadering voor deze terminologie, dan die voor de harp is toegepast. Als de vijf rechtmatige cyweiriau aanvankelijk op de crwth zijn betrokken, dan is het voor de telynior niet perse nodig om voor ieder stuk de cywair te kennen. Tenslotte kunnen alle composities in de 1/4-komma middentoonstemming worden gespeeld, omdat deze zowel goed klinkende tertsen, als kwinten oplevert. Het specifieke gebruik van cywair-terminologie voor de stemming van de crwth, zou volgens Greenhill, aanvankelijk voor het gebruik van instrumenten met een beperkt aantal snaren, zijn aangewend. Doch niet voor de harp, die veel open snaren heeft. Het is zelfs aannemelijk dat in vroegere perioden de cerdd dant-terminologie meer aan crwth was gerelateerd dan aan de harp, waarbij het cyweirdant/tyniad-systeem mogelijk reeds op een vroeger instrument, bijv. een lier met de mogelijkheden van vingergrepen bespeeld werd (Greenhill, 2000).

Het mag duidelijk zijn, dat gezien de coherentie, de muziek van het RaH-MS zich niet leent voor een herziening, waarmee het geschikt gemaakt zou moeten worden om het op de crwth te kunnen spelen. Alternatieve stemmingen van de crwth geven echter wel de vereiste mogelijkheden voor de speelbaarheid, zowel met het oogmerk op intonatie bij de vingerzetting, als op de snaarstemming zelf. Greenhill zegt het volgende hierover:

"Nevertheless, crwth tunings do bear indirectly on the principles of reconstruction, because 'cywair' is expressly related not only to crwth fingering but to crwth tuning as well" (Greenhill, 2000)

De speel- en greeptechniek voor de crwth is geheel anders, dan dat we gewend zijn bij de viool. Dat wil zeggen, anders dan het zgn. organum-fiddling (d.i. tweestemmig bij een greep waarbij één vinger op twee snaren staat) of het enkelvoudige melodiespel. De crwth-techniek bij cerdd dant is een zgn. 'alternate-stopping'-techniek, dat wil zeggen, dat tijdens het strijkspel, de klank van de open snaren wordt afgewisseld met die door een vingergreep op de toets. Door middel van deze alternate-stoppings, zouden zowel de melodische figuraties als de akkoordenprogressie moeten worden uitgevoerd. Zo wordt in de cerdd dant-literatuur, het spel van de cyweirdant in verband gebracht met de open snaren en de tyniad met de vingergrepen op de 'toets'-snaren.

Er zijn de literatuur slechts twee stemmingen voor de crwth expliciet beschreven:

  1. Naar William Bingley in A Tour Round North Wales. Naar een interview met een crwth-speler in 1801:
    a a1 e1 e2 b1 b2 .
  2. Naar William Jones, Llangadfan (ca. 1787) en Sir Daines Barrington (ca. 1770), vermoedelijk naar een passage uit het manuscript van de British Library Add. MS 15020:91:
    g g1 c2 c1 d1 d2 , waarin de twee g's als de drone-snaren fungeren.

    Uit de passage in BL Add. MS 15020 is, is deze stemming met de aanduiding cywair naturiol ('ei Gowair naturiol') te herleiden (Bron: Greenhill, 2000):

    Snaar 1:Y crasdantde vergelijkings-snaar
    Snaar 2:ai Fyrdwnoctaaf onder y crasdant
    Snaar 3:Byrdon y Llwfrdantoctaaf onder y llwfrdant
    Snaar 4:y Llwfrdantsecunde onder y crasdant
    Snaar 5:y Cyweirdantkwint onder y crasdant
    Snaar 6:ai Fyrdonoctaaf onder y cyweirdant
    De snaren van de crwth, waarop William Jones de toonhoogten g g1 c2 c1 d1 d2 toepaste.
    Een schematische reconstructie van de auteur van de stemming van de crwth, naar een ruwe schets van William Jones, Llangadfan (ca. 1787).

De set van zes snaren van de dubbelkorige crwth, bestaat uit drie snaarparen. Ieder paar op zich weer samengesteld uit gelijknamige twee snaren, waarvan er één is verdubbeld in de onderoctaaf, de byrdwn. Voor de Jones-Barringon-stemming geldt dat de buitenste snarenpaar (1 en 2), die over de toets loopt, een kwint boven de open bourdonsnaren (5 en 6) staat. De binnenste snarenpaar over de toets (3 en 4) staat een kwart boven de bourdonsnaren.
Bij de Bingley-stemming staat de buitenste 'boven-de-toets'-paar een none boven de 'bourdon-paar' en de binnenste een kwint boven de 'bourdon-paar'. Als we deze stemming hetzelfde vertrekpunt geven als die van de cywair naturiol, dan wordt deze stemming g g1 d1 d2 a1 a2(Greenhill, 2000)
Beide stemmingen zijn authentiek, gezien de overeenkomsten en de keuze van intervallen. Doch zij kunnen niet elkaars alternatieven zijn voor één en hetzelfde instrument. Met andere woorden het zijn geen scordatura's omdat het toonbereik van de één, ten opzichte van de andere, practische en mechanische problemen opleveren bij het stemmen. Het is daarom aannemelijk, dat beide stemmingen vanuit verschillende tradities zijn ontstaan.

Vanwege de afwezigheid van de nodige gegevens, zoals muzieknotaties voor crwth, gegevens over de speeltechniek en de diverse mogelijkheden, die voor de crwth-stemming werden aangewend, zal er empirische onderzoek nodig zijn. Het experiment zal uitsluitsel moeten geven over de wijze, waarop de speeltechniek en stemming optimaal aan elkaar gerelateerd zijn. Totdat zo'n uitgebreid onderzoek de nodige resultaten oplevert, dient men de vaak raadselachtige verwijzingen in de oude literatuur als leidraad te gebruiken. Echter, indien de mogelijke alternatieve stemmingen nauwkeurig bekend worden, dan is nog maar de vraag dit ook het geval zal zijn voor de bijkomende naamgeving.

Het mag duidelijk zijn, dat de term cyweir naturiol het bestaan van andere stemmingen, dat wil zeggen cyweiriau, impliceert. Hoewel de term zelf, geen juiste benaming in het Welsh is. Als in dit verband één van de namen van de vijf rechtmatige cyweiriau hieraan werd gegeven, b.v. bragod gywair, dan was direct het bewijs geleverd, dat de de vijf cyweirau, specifieke crwth-stemmingen vertegenwoordigden. In ieder geval ligt het uit praktisch oogpunt voor de hand, om de voorkeur te geven aan de cywair naturiol als een geschikt stemming voor cerdd dant. De reden hiervoor is het feit, dat hierin de twee banen met de 'toets-snaren' ('stopped strings') een secunde (c - d) van elkaar verschillen, hetgeen essentieel is voor de 'alternate-stopping' techniek. Om deze techniek van de 'double tonic', die zowel in de melodielijn als de begeleidingslijn voorkomt, te bewerkstelligen, kan dezelfde vingerzetting, afwisselend van de ene baan snaren, naar de andere verplaatst worden. Hierbij vindt dan steeds een verschuiving van een hele toon plaats. Als op de ene baan een vingergreep wordt toegapast, zijn de snaren van de naastliggende baan open, en omgekeerd, zodat tegelijkertijd de geschikte begeleiding kan worden gespeeld. De tonen, die op de twee verschillene banen worden uitgevoerd, veranderen dus voortdurend van rol, zodat de nodige afwisseling in de 'mesur' wordt aangewend. Terwijl dit bij de telyn, kleine 'pakketjes' in de vingertechniek voorstelt, is dit bij de crwth een wisseling van de vingerzetting van de ene baan met snaren naar de andere.
Als we de Bingley-stemming beschouwen, kunnen we rustig stellen dat deze meer geschikt is in de zin van de tonica-dominant afwisseling, zoals dat in de conventionele Westerse muziek plaats vindt. Mogelijk is de Bingley-stemming, die reeds laat is gepresenteerd (1801), ontstaan na beïvloeding door de standaardstemming van de viool. Het is dus duidelijk dat de muziek voor de laatste stemming, buiten de traditie van de cerdd dant valt.

Naar boven

Wat zijn zoal de randvoorwaarden waaraan een alternatieve stemmingen van de crwth verder zou moeten of kunnnen voldoen?

  1. Naast de het toepassen van de 'double tonic' in de melodielijn, zijn er ook tal van andere mogelijkheden. Zo kunnen naast de eerder genoemde afwisseling tussen secunden, ook andere intervallen worden toegepast. Dit geldt ook voor het begeleidingsdeel, waarin tussen de cyweirdant-tyniad-verschuiving andere intervallen dan de secunde worden aangewend. Er bestaan bijvoorbeeld ook frasen, waarin het niet noodzakelijk is, dat de twee banen van toets-snaren een secunde verschillen, maar dat het bijvoorbeeld praktischer is, dat beide gelijk gestemd zijn.
  2. De mogelijkheid van scordatura van de buitenste open snaren (5 en 6), waaraan de kwalificatie van drone-snaren is toegekend, zou een reëe optie kunnen zijn. Het is aangetoond, dat in de muziek in het RaH-MS, verschillende bourdon- of drone-tonen worden toepast. Doch een specifieke drone, zal bepaalde beperkingen in de muziek met zich meebrengen. Een andere optie is, dat de open snaren geen drone-snaren zijn, en bovendien met de duim kunnen worden gespeeld, hoewel dit laatste in akoestisch opzicht niet echt overtuigend zal zijn.
    Dit neemt niet weg, dat er geen absolute zekerheid bestaat of de open snaren werkelijk als drones zijn gebruikt. Er bestaan tevens nog andere mogelijkheden voor het aanwenden van andere technieken, zoals het dempen met de duim of met de duimnagel afperken van de snaarlengte, zodat er een andere toon ontstaat.
  3. De mogelijkheid bestaat, dat de betekenis van cywair naturiol, louter betrekking heeft op de stemming van binnenste twee van de zes snaren (3 en 4) en dat in dit specifieke geval de octaaf-instelling tussen die twee snaren, slechts een van de vele opties is.

Zoals hiervoor is gesproken is de cywair naturiol een geschikt vertrekpunt voor de stemming van de crwth, en zal een centrale rol hierin hebben vervuld. Hierbij kan men zich afvragen hoe, met betrekking tot de cywair naturiol, de alternatieve stemmingen werden genoemd. Omdat het een en ander te valt te zeggen over de snaarnamen zelf, kunnen we een paar zaken op een rij zetten.

Beschrijving van de stemming van crwth, in Edward Jones Musical and Poetical Relicks of the Welsh Bards (1808), p. 115

Naar boven

6. Het toonsysteem van de Schotse pipe-muziek

Lees ook: Vormen en technieken: Piobaireachd

6.1 De stemming en temperering van de Great Highland Bagpipe (GHB)

De negen tonen, die door middel van de chanter van de GHB of pìob mhór tot klinken worden gebracht, worden in de pipe- en piobaireachd-terminologie aangeduid met:

'Low G - Low A - B - C - D - E - F - High G - High A'


Als deze schaal op de conventionele wijze wordt uitgeschreven, verkrijgt deze een voortekening van twee kruizen, hetgeen neerkomt op de mixolydische toonladder van A, met een toegevoegde lage G:

g1 - a1 - b1 - c#2 - d2 - e2 - f#2 - g2 - a2


De huidige GHB is voorzien van drie dronepijpen, de 'Bass drone' en twee 'Tenor drones', die bovenop hun grondtonen resp. A en a, sterke harmonische boventonen produceren, die als een fundamentele tonen van de drones worden ervaren. Een en ander wordt geresumeerd in de onderstaande afbeeldingen.

Nu de notatie en terminologie voor de GHB, bekend zijn is het nodig om de stemming van het instrument zelf eens onder de loep te nemen. De toonschaal van GHB wijkt in twee belangrijke opzichten af van de gangbare stemming, die tegenwoordig in de westerse muziek wordt aangewend. Het gevolg hiervan is, dat het derhalve niet mogelijk om met andere 'standaard' muziekinstrumenten met de GHB mee te spelen.
Deze afwijkingen of deviaties zijn het gevolg van:

Toonhoogte of 'Pitch'

Laten we eerst de toonhoogte van de basistoon Low A (a1) GHB in ogenschouw nemen. Voor het eerst is daar, tussen 1954 en 1961 serieus onderzoek naar gedaan door de medicus J.M.A. Lenihan en natuurfilosoof Seumas McNeill. Zij voerden een tal van electronische metingen uit door middel van een dubbelstraal-oscillograaf voor achttien verschillende pipe-spelers, hetgeen een teleurstellende resultaat opleverde met een grote spreiding. Tussen twee uitersten van dezelfde toon, werd zelfs een verschil van 22 cents gevonden. Voor de Low A, werd een gemiddelde frequentie gemeten van 459 Hz, een getal dat overigens in het algemeen werd geaccepteerd. Deze frequentie wijkt sterk af van de standaard a1 van 440 Hz en komt daarbij in de buurt van standaard A# of B van 466 Hz (Collinson, 1966). In de loop der tijd, zelfs van tientallen jaren, is toon van de Low A geleidelijk verder omhoog gebracht. Tegenwoordig bevindt deze zich tussen de 470-480 Hz, hetgeen zelfs hoger is dan de A#!

Temperering

Er zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de stemming van de GHB. Het eerste onderzoek is van A.J. Ellis, die hij in 1875 publiceerde als aanvulling op zijn vertaling On the Sensations of Tone (Die Lehre von den Tonempfindungen, 1863) van de Duitse medicus/natuurkundige Hermann von Helmholz. (Ellis, 1895)(Blom/Groves, 1961)(Collinson, 1966) Zijn resultaten, waarin hij overigens de 'Low G' negeerde, worden tegenwoordig als incorrect beschouwd:

De metingen van A.J. Ellis, omschreven door Collinson (Collinson, 1966)Intervallen naar A.J. Ellis (Ellis, 1895)De mixolydische schaal volgens de evenredig zwevende temperatuur

High A

G

F

E

D

C

B

Low A

hele toon

¾ van een hele toon (=halve toon + de helft)

¾ van een hele toon (=halve toon + de helft)

hele toon

¾ van een hele toon (=halve toon + de helft)

¾ van een hele toon (=halve toon + de helft)

hele toon

1200 (cents)

1009

853

703

495

341

197

0

1200 (cents)

1000

900

700

500

400

200

0
De temperering van de toonschaal van de GHB naar A. J. Ellis (1885) (Collinson, 1966).

Het onderzoek van Lenihan en McNeill, leverde de onderstaande, tegenwoordig gangbare temperering op:

Naar Lenihan en MacNeillDe mixolydische schaal volgens de evenredig zwevende temperatuurDe mixolydische schaal volgens de reine stemming

High A

G

F

E

D

C

B

Low A

Low G

1200 (cents)

1018

884

702

520

386

204

0

-204

1200 (cents)

1000

900

700

500

400

200

0

(-200)

1200 (cents)

996

884

702

498

386

204

0

-204
De temperering van de toonschaal van de GHB naar Lenihan en MacNeill (1968), in vergelijking met de reine stemming en evenredig zwevende temperatuur(Collinson, 1966).

Belangrijk bij deze intonatie zijn allicht de welluidendheid van de diverse intervallen ten opzichte van de droneklanken. Deze temperering is reeds in de vorige paragraaf besproken, inzake de stemming en intonatie voor de harp voor de cerdd dant van Wales. Met deze temperering werd de intonatie met de aanduiding gogywair geïdentificeerd. De eigenschap hiervan zijn de natuurzuivere grote tertsen en een beperkt aantal goedklinkende reine kwinten.

6.2 Modaliteit en tonaliteit

Vanuit de stemming van de GHB, zijn in principe de volgende modaliteiten of afgeleiden daarvan op het instrument speelbaar: A-mixolydisch, B-eolisch (B-authentiek mineur), D-ionisch (D-majeur) en E-dorisch. Voorbeelden van Ceòl-Beagh zijn in dit verband: Amazing Grace, Highland Cathedral (D-ionisch), Mist-Covered Mountains (B-eolisch) en Scotland the Brave (A-mixolydisch), The Little Cascade (E-dorisch).
Voor de piobaireachd blijkt het aanwenden van pentatonische en hexatonische ('Gaelisch') modi van primair belang. MacLeod (MacLeod, 2009) geeft op zijn website een indeling voor de 118 titels uit het Kilberry Book of Ceol Mor (Archibald Campbell, Piobaireachd Society, 1948). Deze zijn in de onderstaande tabel verzameld in combinatie met de Bronson-aanduidingen:

Toegepaste toonreeksen Verdeling halve en hele toonafstanden Modus Bronson-aanduiding Percentage van het totaal aantal stukken
A B C(#) - E F(#) - A 1 - 1 - 1½ - 1 - 1½ pentatonisch A-π1 23 %
G A B - D E - G 1 - 1 - 1½ - 1 - 1½ pentatonisch G-π1 7 %
A B - D E F(#) - A 1 - 1½ - 1 - 1 - 1½ pentatonisch A-π2 18 %
A B C(#) D E F(#) - A 1 - 1 - ½ - 1 - 1 - 1½ hexatonisch ('Gaelisch') A-I/M -7 4 %
A B - D E F(#) G A 1 - 1½ - 1 - 1 - ½ -1 hexatonisch ('Gaelisch') A-M/D -3 14 %
modaal - - - 5 %
onregelmatig - - - 16 %
niet determineerbaar,
met gapingen van F, G en/of A
- - - 13 %

De tonaliteit wordt bij de Schotse GHB niet echter niet bepaald door de grondtoon de toegepaste toonreeks of toonladder, met name door het feit dat de drone-pijpen, in tegenstelling tot de Ierse uilleann pipes, niet 'uitgezet' kunnen worden. De drones klinken altijd mee en zorgen daarmee voor een gefixeerde toon A als basis. Dit betekent dat er een verschil kan bestaan tussen de tonaliteit van de melodie op zich en de tonaliteit van het totale harmonische perceptie. Dit gegeven wijkt sterk af van de westerse musicologische benadering, waarbij de tonaliteit van zowel de melodie als de harmonie samen zijn concipieerd.
Als voorbeeld, de Schotse air 'The Highland Cathedral', kan beschouwd worden als een hexatonische melodie, die van D-ionisch is afgeleid. De perceptie van de melodie met betrekking tot grondtoon D, waaraan de tonaliteit vanuit een zuiver melodisch opzicht is gelieerd, vormt echter een contrast met de harmonie zodra de drones meeklinken. De grondtoon A van de drones wordt dan de harmonische spil van de tonaliteit.

Bagpiper speelt hier Highland Cathedral, gevolgd door andere stukken waaronder Scotland the Brave en Skyeboat Song.

7. Appendices

7.1 Appendix A: Ogham

De oudste Keltische geschriften die op de Britse eilanden en Ierland zijn gevonden dateren op z'n vroegst uit de 3e eeuw. Dit schrift wordt ogham en wordt direct in verband gebracht met de druïdenorde als bewaarder van de mythen en verhalen. De ogham werd aanvankelijk vervaardigd door het in steen te kerven ('ogham-stones'), waarbij de diverse tekens woorden vormen die in het algemeen worden toegeschreven aan het oud-Gaelisch. Naast de oghamstenen treft men het schrift eveneens aan op andere materialen, zoals hout, goud, zilver, lood, kristallen, been, ivoor etc. Tot op heden zijn er 369 oghams ontdekt. Ze zijn allemaal rond het gebied van de Ierse zee aangetroffen in Ierland, Wales, Eiland Man en Schotland. Terwijl sommigen christelijke teksten bevatten, is het grootste gedeelte 'voor-christelijk'. Er wordt vaak geloofd dat St. Patrick het schrift naar Ierland bracht, maar het staat vast dat het oghamschrift ouder is, dan het Romeinse alfabet. Evenmin is ogham daarvan, noch van het Germaanse runenschrift afgeleid.

Het dus zeker dat de Keltische volkeren op de Britse Eilanden, lang voor de komst van St. Patrick een literair volk was. Na de 6e eeuw werd het oud-Iers geschreven in het Romeinse alfabet. De meeste kennis van ogham is verkregen uit het hoofdstuk Auraicept na n-Éces in het 15e-eeuwse Boek van Ballymote (Leabhar Bhaile an Mhóta), dat eveneens geneologieën, mythologie, en historische zaken van Ierland bevat. (Meer info over ogham in het 'Boek van Ballymote': Fell, B; The Ogam Scales from the Book of Ballymote)

De oghamletters zijn opgedeeld in vier hoofdgroepen, die ieder vijf letters bevatten. De letters hebben afzonderlijk de namen van struiken en bomen.

De vier hoofdgroepen van de twintig oghamletters

7.2 Appendix B: De 24 mesurau van cerdd dant

Het volgende overzicht toont de 'pedwar mesur', genoteerd voor de telyn, zoals dit is gepubliceerd in het RaH-MS. (Harper, 2007)

Llyma/r/pedwar mesur arhigain kerdd dant
'Hier zijn de vierentwintig mesurau van cerdd dant'
mak y mwn hir
korffiniwr
korsgoleff
Rhiniart
koraldan
tresi heli
wnsach
kor dia tutlach
korfinfaen
korwrgog
karsi
brath yn ysgol
fflamgwr gwran
mak y mwn byrr
kalchan
bryt odidog
trwsgwl mawr
tytyr bach
mak y mynfaen
toddf
hatyr bach*
mak y delgi
alban hyfaidd
alfarch
1111 0000 1010 1111 0000 1011
11001011.11001011
11011001011
1001.10011
111010010001
10001110001011
11110001
10110001001111
1011011.1011011
1001011011
10001011.10001011
10110.100101101001011
1011.101100110011
11001111
1100111101
0010.0010.1101.1101
000011110O001011
00110011
001100.0011001111
01100011
001011.001011
0111011
1011.010O.O100.1011
0000000011111111
terfyn y pedwar mesur arhigain kerdd dant
'het einde van de vierentwintig metra van cerdd dant'
*Abusievelijk vaak hatyr, genoemd. Hatyr is een metrum dat niet onder 24 voorgeschreven uitvoeringen valt: 001011.001011.00001111.00001011 (met dank aan Peter Greenhill).

7.3 Appendix C: Overzicht van de cyweiriau-terminologie

De terminologie, naar huidig inzicht, inzake cyweiriau die men in de cerdd dant-literatuur tegenkomt (Whittaker, 1974)(Greenhill, 2000).

Genoemd in verband met muziekstukken in het Robert ap Huw-manuscript:
Uwch gywairIdentificeerbaar als intonatie van de harp.
Tro tant'Gedraaide snaar', genoemd met betrekking tot een snaar, die chromatisch kan worden bijgesteld B→B♭ v.v. (Geen cywair.)
Is gywair*)Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth.
Go gywair*)Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth.
Bragod gywair*)Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth.
Cyweiriau, die worden genoemd op pag. 108/109 van het Robert ap Huw-manuscript:
Cras gywair*)Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth. Op p. 108 genoemd in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp.
Lleddf gywair*)Identificeerbaar als intonatie van de harp. Mogelijk betrokken bij de stemming van de crwth.
Lleddf gywair y GwyddylNiet identificeerbaar als stemming, doch mogelijk genoemd in verband met een aanwijzing voor toepassing van harmonie, zoals het schema op pag. 108. Doch met een restrictie dat de ♭ wordt verhoogd naar b (#). De verwijzing naar Ierland (gwyddyl = 'Irishman') heeft blijkbaar betrekking op een alternatieve stemming in de Ierse/Hiberno-Ierse cultuur.
Cywair ynghywair y wrach('cywair' = 'stemming/intonatie', 'yn' = in of op, 'ghywair' = 'stemming/intonatie', wrach = van 'gwrach' 'oude vrouw' of mogelijk 'bray pin' Niet identificeerbaar als stemming, doch mogelijk genoemd in verband met een aanwijzing voor toepassing van harmonie, zoals het schema op pag. 108. De term 'wrach' blijkt op een of andere manier een connectie te hebben met het spel op een harp met zgn. 'bray pins'.
Cywair IthelGenoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp.
Cywair gwyddelig dieithrGenoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp.
Cywair chwith = cywair diethrGenoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp.
Cywair ynghywair EdwartGenoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp.
Cywair yr Athro FeddGenoemd op p. 108 in verband met aanwijzingen voor de cyweirdant/tyniad-afwisseling op de harp.
Cywair dau hannerCywair 'van twee helften' (?). Niet identificeerbaar.
Cywair tro tantCywair 'van de gedraaide snaar' (?). Niet identificeerbaar.
Door Peilin in Hafod 3:
G-gywair/Breiniol gywairMogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis G.
Breiniol gywairAls G-gywair.
Kras gywair*)Mogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis A.
ragod gywair*)Genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis B.
Isgywair*)Mogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis C.
Dylod gywairMogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis D.
Eglur gywairMogelijke genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis E.
Ffrwythleddf gywairMogelijk genoemd als scalaire modus, betrokken op de snaar/finalis F.
Gwylim Puw beschreef in zijn notitieboek uit 1674 eveneens:
Bragod gywair*)Genoemd als type harpstemming (Ordinary Sette).
Gogywair*)Genoemd als type harpstemming (Siarpe Sette).
Braidd GywairGenoemd als type harpstemming (Flat Sette).
Evan Evans in Panton 56
Tro'r tantIn termen van cantus planus: Guidoneaanse hexachordum durum op G
Bragod gywair*)In termen van cantus planus: Guidoneaanse hexachordum naturale op C
Go gywair*)In termen van cantus planus: Guidoneaanse hexachordum molle op F
Lbl Add. MS 15020:1 en AB MS 168:6
Cyweir naturiolIdentificeerbaar als een stemming voor de crwth
*)Genoemd als één van de vijf voorgeschreven 'hoofdcyweiriau'.

8. Annotaties en bronnen

8.1 Voetnoten

  1. Whittaker nam bij zijn publicatie van zijn essay van 1974 op het internet, afstand van zijn bevindingen hierin inzake het scordatura-model van de harp en heeft Greenhill's theorie inzake cyweiriau en stemming overgenomen.
  2. Het aantal cents van een interval is een handige rekenhulpmiddel voor het berekenen van andere intervallen. Het getal geeft namelijk een maat voor de toonafstand, zoals het menselijk gehoor dat waarneemt. Voor degenen, met voldoende wiskundig ondergrond: het aantal cents kan men berekenen door middel van een logaritmische formule:

    Hierin is n, het getal in cents, a/b de frequentieverhouding van het betreffende tooninterval. Het getal 1200 is een evenredigheidsfactor, indien de logaritme voor het grondgetal 2 wordt gebruikt. Bij het gebruik van een rekenmachine is het handig om de formule ter herschrijven voor een logaritme voor het grondgetal 10. De evenredigheidsfactor bedraagt dan ≈3.986,3137:

    Per definitie geldt derhalve:

    Het octaaf t.o.v. de grondtoon bedraagt, in cents uit gedrukt, per definitie 1200, de reine prime per definitie 0. Het aantal cents is positief als a > b en negatief als b < a. Dit laatste volgt uit de wiskundige eigenschap van de logartitme.

8.2 Geraadpleegde bronnen

Literatuur

Naslagwerken

Www

9.Aanvullende informatie

9.1 Externe links

Muziek

9.2 Manuscripten op het internet